< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw is gegrond. Appellante heeft voldoende overtuigend bewezen dat sprake was van gezondheidsproblemen bij de betreffende stier. Verweerder heeft ten onrechte de knelgevallenregeling niet toegepast. Het College zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient daarbij een vergelijking te maken tussen de peildatum en de door appellante in zijn melding bijzondere omstandigheden opgegeven alternatieve peildatum van 16 juli 2012.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2020 in de zaak tussen [naam 1] v.o.f., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. G.H. Blom),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. J.C. Zevenboom en mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 5 februari 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 februari 2018.

Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft verweerder het primaire besluit herzien en een nieuw besluit genomen.

Bij besluit van 24 december 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 januari 2020 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft een reactie gegeven op het vervangingsbesluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Namens appellante is verschenen [naam 2] vergezeld door de gemachtigde van appellante en [naam 3] , dierenarts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt verweerder, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door, voor zover hier van belang diergezondheidsproblemen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3.

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een extensieve veehouderij met jongvee (waaronder tweejarige vaarzen). Haar vaarzen laat appellante op tweejarige leeftijd in de wei dekken en de daaruit voortkomende (vrouwelijke) kalveren houdt zij voor de verdere opfok. De afgekalfde vaarzen gaan naar de melkveehouderij. Appellante wisselt geregeld van stier. In 2011 en 2012 hield zij één stier. Dat leidde in 2012 tot een gebruikelijk aantal geboortes, maar in 2013 bleef het aantal geboren kalveren - zes stuks - (ver) achter bij het gebruikelijke aantal en dat had een drukkend effect op het aantal (tweejarige) vaarzen dat appellante op 2 juli 2015 (de peildatum) hield: 45 stuks jongvee (39 stuks in categorie 101 en 6 stuks in categorie 102).

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 475 kg. Vervolgens heeft verweerder bij het besluit van 22 augustus 2018 het fosfaatrecht vastgesteld op 351 kg en bij het vervangingsbesluit op 506 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op de peildatum op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft geen korting toegepast omdat het bedrijf van appellante volledig grondgebonden is.

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat verweerder bij het nemen van zijn beslissingen geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden die zich op het bedrijf hebben voorgedaan. De bedrijfsvoering is gebaseerd op een veestapel van ongeveer 75 dieren, waaronder ongeveer de helft vaarzen. Door het (na-ijlend) effect van een slecht presterende stier in 2012 is het aantal tweejarige vaarzen op de peildatum erg laag. Hierdoor is aan appellante te weinig fosfaatrecht toegekend en komt de continuïteit van het bedrijf op het spel te staan.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt, voor zover van belang, dat het beroep van appellante op de knelgevallenregeling niet slaagt, omdat niet is aangetoond dat in 2012 sprake was van onvruchtbaarheid van de betreffende stier.

Beoordeling

6.1

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op de besluiten van 5 februari 2018, 22 augustus 2018 en 24 december 2018 en het vervangingsbesluit. Niet gesteld of gebleken is dat appellante nog belang heeft bij beoordeling van de besluiten van 5 februari 2018, 22 augustus 2018 en 24 december 2018. Het beroep dat is gericht tegen deze drie laatstgenoemde besluiten zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.2

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de stier die appellante in 2011 en 2012 hield in 2012 verminderd (of in de loop van dat jaar on-) vruchtbaar was. Als die onvruchtbaarheid of verminderde vruchtbaarheid komt vast te staan, dan is namens verweerder desgevraagd tijdens de zitting verklaard dat dit kwalificeert als een diergezondheidsprobleem (in de zin van de knelgevallenregeling).

6.3

Anders dan verweerder, is het College van oordeel dat appellante het bewijs heeft geleverd dat haar stier in 2012 verminderd vruchtbaar (of in de loop van dat jaar onvruchtbaar) was. Haar dierenarts heeft dat in een verklaring als waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld en ter zitting als partijdeskundige toegelicht dat en waarom een andere verklaring voor het lage aantal geboortes in 2012 dan onvruchtbaarheid dan wel verminderde vruchtbaarheid, is uitgesloten. Verweerder heeft geen tegenbewijs bijgebracht. Daarmee heeft appellante voldoende overtuigend bewezen dat sprake was van gezondheidsproblemen bij de betreffende stier.

6.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte de knelgevallenregeling niet toegepast.

Slotsom

7.1

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het College komt niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.

7.2

Het College zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient daarbij een vergelijking te maken tussen de peildatum en de door appellante in zijn melding bijzondere omstandigheden opgegeven alternatieve peildatum van 16 juli 2012.

7.3

Verweerder dient voorts het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden en het College zal verweerder veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het vervangingsbesluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 5 februari 2018, 22 augustus 2018 en 24 december 2018 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit gegrond;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.

w.g. R.C. Stam w.g. F. Willems


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature