< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Wet personenvervoer 2000 artikelen 82a en 82b; Taxiverordening Amsterdam 2012 artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder f.

Afwijzen aanvraag Taxxxivergunning omdat appellant niet is aangesloten bij een TTO. Dat er volgens appellant geen reden was voor de beëindiging door de TTO van de aansluiting, had hij in rechte kunnen betwisten bij de civiele rechter. Dat ligt niet ter beoordeling door het College voor.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2020 in de zaak tussen [naam] te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (B&W), verweerder

(gemachtigden: mr. A.A.K. Pieters en mr. R.N. Ionescu).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om een Taxxxivergunning als bedoeld in artikel 2.12 van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) afgewezen.

Bij besluit van 20 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2020. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

1.1.

Appellant was ten tijde in geding werkzaam als taxichauffeur in de gemeente Amsterdam. Hij beschikte over een taxivergunning voor het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning). Hij was tot 15 juni 2018 aangesloten bij de door de gemeente Amsterdam toegelaten taxi organisatie (TTO) Staxi en van 13 juni 2018 tot 25 juni 2018 bij de TTO TCS. Bij e-mail van 26 juni 2018 heeft verweerder appellant bericht dat hij niet langer is aangesloten bij een TTO en dat zijn Taxxxivergunning van rechtswege (automatisch) is vervallen. Appellant heeft een nieuwe Taxxxivergunning aangevraagd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij is aangesloten bij taxicentrale TCS.

1.2.

Bij het primaire besluit, als gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder geweigerd aan appellant een Taxxxivergunning te verlenen op de grond dat appellant niet is aangesloten bij een TTO en daarom niet voldoet aan de toelatingseis als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Taxiverordening.

2.1.

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij wel voldeed aan de voorwaarden voor een Taxxxivergunning. Hij was tot 15 juni 2018 aangesloten bij de TTO Staxi en van 13 juni 2018 tot 25 juni 2018 bij de TTO TCS. Beide TTO’s hebben de aansluiting van appellant beëindigd omdat en nadat verweerder deze TTO’s heeft bericht dat appellant op 12 mei 2018 voor de derde keer een overtreding van de zelfde feitcode (hinder standplaats) binnen één jaar na de laatste overtreding heeft begaan (derde overtreding). Verweerder heeft de TTO’s daarbij gevraagd om appellant een maatregel volgens hun maatregelenprotocol op te leggen. Volgens dat protocol leidt een derde overtreding tot uitsluiting. Appellant betwist de gestelde derde overtreding. Blijkens het daarvan opgemaakte rapport van bevindingen heeft de betrokken toezichthouder appellant niet staande gehouden en niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Appellante is destijds niet over die overtreding geïnformeerd of gehoord door verweerder of een TTO. Hij is niet in de gelegenheid geweest zich tegen de gestelde overtreding te verweren. Verweerder heeft de TTO’s op het verkeerde been gezet door onjuiste informatie te verstrekken. Indien verweerder dat niet had gedaan zou hij nog zijn aangesloten bij een TTO en zou hem een Taxxxivergunning zijn verleend. Door toedoen van verweerder is appellant afgemeld bij de TTO en voldeed hij niet meer aan de voorwaarden van artikel 2.12 van de Taxiverordening. Verweerder heeft blijk gegeven van willekeur en d étournement de pouvoir als bedoeld in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de vergunningaanvraag is afgewezen omdat appellant niet was aangesloten bij een TTO. Dat er volgens appellant geen reden was voor de beëindiging door TCA van de aansluiting, had hij in rechte kunnen betwisten bij de civiele rechter. Verweerder betwist niet dat appellant destijds niet is geïnformeerd over de gestelde derde overtreding. Volgens verweerder doet dat er in dit geding niet toe, omdat er op 21 juni 2018 een nieuwe overtreding van appellant is geconstateerd, te weten dat hij reed in een auto met een TAXI-daklicht en een Taxxxiraamkaart van STaxi, terwijl hij toen was aangesloten bij TCA. Ook daarvan is een rapport van bevindingen opgemaakt en ook daarover heeft verweerder TCA geïnformeerd. Die overtreding is door appellant niet betwist. Mogelijk is dat voor TCA de aanleiding geweest voor het beëindigen van de aansluiting van appellant.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Taxiverordening luidt als volgt:

1. Om in aanmerking te komen voor een Taxxxivergunning voldoet de aanvrager aan de volgende eisen: (..) f. aanvrager is aangesloten bij een TTO;

3.2.

Vast staat dat appellant ten tijde van het primaire en het bestreden besluit niet was aangesloten bij een TTO. Daarmee is niet voldaan aan de hiervoor onder 3.1 vermelde voorwaarde voor verlening van een Taxxxivergunning. Verweerder heeft de aanvraag van appellant om een Taxxxivergunning daarom terecht en op goede gronden afgewezen.

3.3.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat appellant de beëindiging van zijn aansluiting met de TTO’s STaxi en TCA, die hun wettelijke grondslag vinden in het civiele recht, in rechte had kunnen betwisten door zich tot de TTO of de civiele rechter te wenden. Daar had appellant kunnen aanvoeren dat hij ten onrechte niet tijdig is geïnformeerd over de hem verweten derde overtreding en dat hij die overtreding betwist. De beëindiging van de aansluiting met de TTO ligt in dit geding niet ter beoordeling door het College voor. Wat appellant daarover verder nog heeft aangevoerd, als hiervoor onder 2.1 vermeld, behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.4.

Voor het oordeel dat verweerder heeft blijk gegeven van willekeur en détournement

de pouvoir bieden de gedingstukken geen steun. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.5.

Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van

mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 maart 2020.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.W.E. Pinckaers


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature