E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CBB:2020:142
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18/2475

Inhoudsindicatie:

Msw. Fosfaatrechten. Geen individuele en buitensporige last. Het fosfaatrechtenstelsel (en meer in het bijzonder de peildatum en de generieke korting van 8,3%) leidt ertoe dat aan appellante voor minder melkvee fosfaatrechten is verleend dan zij in totaal met haar investeringen heeft beoogd. Op zichzelf genomen betekent dat niet dat appellante reeds om die redenen een individuele en buitensporige last draagt. Het College acht begrijpelijk dat appellante ervoor heeft gekozen haar bedrijfsvoering aan te passen wegens de door het Activiteitenbesluit verplichte aanschaf van een luchtwasser ten behoeve van de varkenstak en als gevolg van de gezondheidsklachten van een van haar vennoten. Echter, hierbij is het College van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege deze omstandigheden genoodzaakt was haar bedrijf om te schakelen, temeer nu onvoldoende is gebleken dat de andere twee vennoten de beperkingen als gevolg van de gezondheidsproblemen van vennoot F.W. Gerritsen niet zouden kunnen ondervangen. Uit het voorgaande vloeien significante verschillen voort ten opzichte van de door appellante bedoelde zaak die heeft geleid tot de genoemde uitspraak van 9 januari 2019, zodat deze vergelijking niet op gaat. Van een noodzaak tot het afstoten van de varkenstak en het uitbreiden van haar melkveetak naar 121 melk- en kalfkoeien en 150 stuks jongvee is het College aldus niet gebleken. In dat verband acht het College ook van belang dat appellante de investeringen voor de uitbreiding, reeds genoemd onder 2, heeft gedaan in 2014 en 2015 en dat zij in april 2015 is gestart met de bouwwerkzaamheden. Zoals ook is overwogen in de meergenoemde uitspraak van 23 juli 2019, had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Appellante had daarom ten tijde van haar investeringsbeslissingen in 2014 en 2015 een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. De gevolgen van de ondernemerskeuzes die zij in die periode heeft gemaakt dienen daarom voor haar risico te blijven. Dat de ingezette uitbreiding naar 121 melk- en kalfkoeien en 150 stuks jongvee mede gericht was op toekomstige bedrijfsopvolging leidt niet tot een ander oordeel. Immers, zoals het College reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1) is voor de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last de situatie van de door de regulering getroffen melkveehouder zelf maatgevend en niet de positie van mogelijke opvolgers voor het bedrijf.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie