E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CBB:2019:6
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18/1292

Inhoudsindicatie:

Meststoffenwet: artikelen 21b, eerste lid, 23, de rde lid;

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP).

Fosfaatrechten; beoordeling van beroep op artikel 1 van het EP.

Geen inbreuk op artikel 1 van het EP aangenomen.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, vormt de generieke korting van 8,3% op zichzelf geen onevenredige last. Het bepaalde in artikel 70a, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit betekent niet dat de korting voor niet grondgebonden bedrijven in het kader van het fosfaatrechtenstelsel buiten toepassing zou moeten blijven ten aanzien van appellante.

Al aangenomen het door het appellante gestelde causale verband tussen het fosfaatrechtenstelsel en het door haar geprognosticeerde negatieve resultaat voor de komende jaren, komt het College tot het oordeel dat in dit geval geen sprake is van het bestaan van een individuele disproportionele last. Het gaat blijkbaar om een keuze voor gefaseerde groei. In een dergelijk geval, en nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel, is er geen grond om, in weerwil van de ook voor appellante geldende voorzienbaarheid van maatregelen om de mestproductie te beperken, te concluderen tot een schending van artikel 1 van het EP.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie