< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

GLB, toekenning van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers 2015, belast met de dagelijkse bedrijfsuitvoering, werkzaam in meerdere maatschappen, overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1804

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2019 in de zaak tussen Maatschap Gebroeders [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.M.M. Kroon),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van der Zwaard en mr. M. van den Brink).

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2016 heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) beslist op de aanvraag van appellante om toekenning van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers.

Bij besluit van 4 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn besluit van 25 maart 2016 herzien.

Bij besluit van 19 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op 20 september 2019 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de kant van appellante is tevens verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het College heeft de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellante is een maatschap. De maten van appellante zijn [naam 2] en [naam 3] (de broers [naam 1] ). Volgens het Handelsregister zijn de broers [naam 1] op 5 september 2013 toegetreden tot appellante. De broers [naam 1] zijn tevens maten in de Maatschap [naam 1] . Volgens het Handelsregister zijn de broers [naam 1] op 1 januari 2011 toegetreden tot deze maatschap. De andere maten van Maatschap [naam 1] zijn de ouders van de broers [naam 1] . [naam 3] is de jonge landbouwer in Maatschap [naam 1] . [naam 2] is volgens appellante de jonge landbouwer in appellante.

1.3

Op 27 mei 2015 heeft verweerder de Gecombineerde opgave 2015 van appellante ontvangen. Appellante heeft hierin onder meer verzocht om de toekenning van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers.

1.4

Bij besluit van 25 maart 2016 heeft verweerder aan appellante 73,48 betalingsrechten toegekend uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers.

1.5

Ook Maatschap [naam 1] heeft betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 april 2016 afgewezen, omdat de jonge landbouwer waarvoor de aanvraag was gedaan niet beschikte over de vereiste blokkerende zeggenschap. Bij besluit van 28 april 2017 heeft verweerder het bezwaar van Maatschap [naam 1] tegen het besluit van 18 april 2016 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Voorts heeft verweerder aan Maatschap [naam 1] betalingsrechten toegekend uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers.

1.6

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bij het besluit van 25 maart 2016 aan appellante toegewezen aantal betalingsrechten uit de Nationale reserve ingetrokken en aan appellante 73,48 betalingsrechten op basis van de referentiewaarde toegekend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat op basis van de beschikbare informatie is geconcludeerd dat voor zowel [naam 2] als [naam 3] geldt dat Maatschap [naam 1] het eerste landbouwbedrijf is dat zij als bedrijfshoofd hebben opgericht. Dit heeft tot gevolg dat er door appellante niet is voldaan aan de voorwaarden om betalingsrechten uit de Nationale reserve te krijgen.

3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de datum vanaf wanneer de jonge landbouwer, in dit geval [naam 2] , wordt geacht controle te hebben gehad, wordt bepaald door de datum waarop de jonge landbouwer volgens de registratie in het Handelsregister is toegetreden tot de maatschap. Volgens appellante is niet het jaar van inschrijving in het Handelsregister bepalend, maar het jaar waarin voor het eerst een aanvraag wordt gedaan in het kader van de regeling voor jonge landbouwers. Door het opwerpen van de voorwaarde dat de datum van inschrijving in het Handelsregister bepalend is, perkt de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) artikel 49, eerste lid, sub b van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014) onevenredig in. Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte concludeert dat [naam 2] niet op een later moment is belast met de dagelijkse bedrijfsvoering van appellante. [naam 2] werkt volgens appellante sinds 2015 niet meer minimaal 24 uur elders, maar is sinds die tijd belast met de dagelijkse bedrijfsuitvoering van appellante. Appellante stelt dat daarmee wordt voldaan aan de vereisten om aangemerkt te worden als jonge landbouwer. Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat artikel 49, eerste lid, sub b, van Verordening 639 /2014 voortbouwt op artikel 50, tweede lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). In artikel 5, derde lid, van de Beleidsregel is gespecificeerd dat de datum waarop de daadwerkelijke, langdurige zeggenschap is verkregen, moet worden afgeleid uit de registratie in het Handelsregister. Dit artikel verduidelijkt de rhalve het bepaalde in artikel 49, eerste lid, sub b, van Verordening 639 /2014, aldus verweerder.

5. Het College overweegt als volgt.

Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307 /2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van Verordening 639 /2014. Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen in het eerste jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639 /2014).

6. De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (zie artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling ). Onder jonge landbouwers moet in de Uitvoeringsregeling hetzelfde worden verstaan als aangegeven in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014.

7. Artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel bepaalde ten tijde hier van belang dat van een daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639 /2014 sprake is indien de jonge landbouwer (a) ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan 25.000 euro, en (b) ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel wordt de datum vanaf welke de jonge landbouwer wordt geacht te voldoen aan het eerste lid, bepaald door de datum waarop de jonge landbouwer blijkens de registratie in het Handelsregister, als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007 , is toegetreden tot de maatschap. Het vierde lid, aanhef en onder b, bepaalt dat in afwijking van het derde lid, de datum waarop de jonge landbouwer voldoet aan het eerste lid, op een later moment kan worden bepaald, ingeval de jonge landbouwer ten genoegen van de minister – kort gezegd en voor zover hier van belang – aantoont dat hij op een later moment mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, als gevolg van (i) het volgen van een dagopleiding gedurende gemiddeld meer dan 3 dagen per week of (ii) het verrichten van betaalde werkzaamheden in een andere onderneming gedurende gemiddeld meer dan 24 uur per week.

8. Uit de inschrijvingen in het Handelsregister kan worden opgemaakt dat [naam 2] eerst is toegetreden tot Maatschap [naam 1] , wat, gelet op hetgeen onder 7 is overwogen, in beginsel betekent dat hij sinds die datum als bedrijfshoofd van Maatschap [naam 1] kan worden aangemerkt. Niet ter discussie staat dat [naam 2] blokkerende zeggenschap had in Maatschap [naam 1] . Het voorgaande heeft tot gevolg dat [naam 2] in principe niet meer kan worden aangemerkt als jonge landbouwer voor appellante. Dit komt echter anders te liggen indien appellante kan aantonen dat [naam 2] in de periode 2011-2014 meer dan 24 uur per week elders dan in Maatschap [naam 1] heeft gewerkt. In geschil is of appellante dit aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe heeft appellante onder meer verschillende overzichten van haar accountant en facturen overgelegd.

9. Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] in de periode 2011-2014 meer dan 24 uur per week elders dan in Maatschap [naam 1] heeft gewerkt. Ter zitting is allereerst gebleken dat er verschillen zitten in de door appellante overgelegde (uren)overzichten van haar accountant en later overgelegde facturen. Appellante heeft in dit kader aangevoerd dat haar accountant voor bepaalde activiteiten te weinig uren heeft gerekend. Dit komt echter voor eigen rekening en risico van appellante. Het College hecht er waarde aan dat overgelegde stukken niet strijdig zijn met elkaar.

Ten tweede zijn de overgelegde urenstaten van [naam 2] die zien op de periode 2011-2012 niet voldoende onderbouwd omdat de bijbehorende facturen ontbreken. Hierdoor valt niet te controleren of de urenstaten voor die periode juist zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat zij de facturen voor de periode 2011-2012 in haar bezit heeft en deze alsnog op zeer korte termijn kan inbrengen. Evenwel stelt het College appellante niet meer in de gelegenheid om deze facturen in te brengen, omdat appellante daartoe voldoende kans heeft gehad. Het College acht het hierbij van belang dat verweerder appellante meerdere keren in de gelegenheid heeft gesteld, bijvoorbeeld bij brief van 16 juli 2015 en bij e-mailbericht van 6 oktober 2017, om te onderbouwen dat [naam 2] als eerste landbouwbedrijf Gebroeders [naam 1] heeft opgericht. Ten derde blijkt uit de stukken dat het voor het jaar 2014 niet duidelijk is hoeveel uur [naam 2] elders heeft gewerkt, omdat er een discrepantie zit in de overgelegde overzichten die zien op het jaar 2014.

10. Op basis van het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat [naam 2] in de periode 2011-2014 meer dan 24 uur per week elders dan in Maatschap [naam 1] heeft gewerkt. Appellante voldoet daarom niet aan artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307 /2013. Het College volgt derhalve verweerder in zijn stelling dat [naam 2] al eerder als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf heeft opgericht. Verweerder heeft de aanvraag om betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers terecht afgewezen. De beroepsgrond van appellante slaagt niet.

11. Voorts kan het betoog van appellante dat de Beleidsregel artikel 49, eerste lid, sub b, van Verordening 639 /2014 onevenredig inperkt niet slagen. Verweerder toetst aan de hand van artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, en artikel 5, vierde lid, van de Beleidsregel of er wordt voldaan aan de vereisten voor jonge landbouwer in de zin van artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307 /2013 en artikel 49, eerste lid, sub b, van Verordening 639 /2014. Deze toets staat los van de vraag op welk moment een aanvrager aan deze gestelde vereisten moet voldoen. De beroepsgrond van appellante slaagt derhalve niet.

12.1

Ten aanzien van het beroep van appellante op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overweegt het College als volgt.

Het College stelt vast dat het hier gaat om een procedure in een niet-punitieve zaak, die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als algemeen uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit geldt in het algemeen ook voor een procedure die in eerste en enige aanleg wordt gevoerd.

12.2

In het onderhavige geval is de redelijke termijn op 14 juni 2017 aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschift door verweerder. Het College concludeert dat de hiervoor genoemde termijn van twee jaar is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Het beroep van appellante op de redelijke termijn slaagt.

12.3

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellante recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

12.4

De overschrijding is volledig toe te rekenen aan het College, aangezien de bezwaarfase minder dan zes maanden in beslag heeft genomen. De behandeling van het beroep heeft meer dan anderhalf jaar geduurd.

12.5

Het College zal de Staat der Nederlanden op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellante.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond is. Het College zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

14. Het College ziet aanleiding om de Staat der Nederlanden op te dragen het griffierecht te vergoeden.

15. Het College ziet in het voorgaande tevens aanleiding om de Staat der Nederlanden te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0.5).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 500,- aan appellante wegens de geleden immateriële schade.

- draagt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 512,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2019.

w.g. T. Pavićević w.g. C.H.R. Mattheussens


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature