E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CBB:2019:564
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18/2261

Inhoudsindicatie:

Appellante exploiteert een jongvee-opfokbedrijf voor de melkproductie. Daarnaast exploiteert een van de vennoten een makelaardij. De bedrijfsvoering is tijdelijk onderbroken geweest, om onderdak te bieden aan het jongvee van de buren, in verband met stormschade aan hun stal, door een storm in oktober 2013. Appellante doet een beroep op de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Zij stelt dat de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis zich er niet tegen verzetten dat ook de vernieling van een veestal van een ander bedrijf dan dat van appellante zelf onder de regeling valt. Verweerder wordt gevolgd in diens betoog dat deze regeling niet ziet op de bouwwerkzaamheden aan stallen die niet bij het eigen bedrijf van de melkveehouder horen. Appellante kan zelf geen geslaagd beroep op de regeling doen. Haar bedrijf is niet direct geraakt door de verbouwingen, maar slechts indirect.

Wat betreft het beroep op artikel 1 van het EP wordt verweerder niet gevolgd in zijn stelling dat het feit dat voorzienbaar was dat fosfaatproductiebeperkende maatregelen konden worden genomen appellante kan worden tegengeworpen. Appellante heeft haar standaardbedrijfsvoering slechts tijdelijk onderbroken en heeft haar veestapel niet uitgebreid. Hoewel zij kon voorzien dat de overheid maatregelen zou treffen vanwege de afschaffing van het melkquotum, kon zij niet voorzien dat de door haar geboden hulp, en daardoor tijdelijk geringere omvang van haar eigen veestapel, zou leiden tot een nadeligere behandeling van haar, dan van andere melkveehouders. Dit maakt echter niet dat het beroep op artikel 1 van het EP slaagt. Daartoe is van belang dat voor het inkomen van de vennoten van appellante, naast het opfokbedrijf ook een makelaardij wordt gevoerd. Desgevraagd is verklaard dat het opfokbedrijf geen wezenlijk bestanddeel van het inkomen van de vennoten genereert. Die omstandigheid leidt tot het oordeel dat het belang van appellante niet zwaarder dient te wegen dan de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn).

Geoordeeld wordt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. Het College ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Awb . Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep aan appellante.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie