E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:CBB:2019:414
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18/1485

Inhoudsindicatie:

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Fosfaatrechten, beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt niet. Uitbreiding van bedrijf.

Appellant kon naar zijn zeggen met de gerealiseerde bedrijfsuitbreiding 343 stuks melkvee, 85 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 85 stuks jongvee ouder dan 1 jaar gaan houden. Op de peildatum beschikte appellant evenwel nog niet over de vereiste Nbw-vergunning voor het houden van deze aantallen dieren. Voor de wel gerealiseerde maar nog niet benutte capaciteit moet derhalve worden uitgegaan van de in 2014 verleende Nbw-vergunning en de daarin genoemde dieraantallen. Het verschil tussen de beschikbare ruimte en het aantal op de peildatum feitelijk gehouden dieren is daarmee veel kleiner dan door appellant gesteld. Voor zover appellant op het verkrijgen van de op 23 februari 2016 verleende vergunning is vooruitgelopen met het doen van investeringen, is in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP.

Voor investeringen die appellant nog na 2 juli 2015 is aangegaan, geldt dat het fosfaatrechtenstelsel toen kenbaar was en dat het zijn verantwoordelijkheid was om daarmee rekening te houden.

Een noodzaak om uit te breiden is gesteld noch gebleken. Bovendien heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, zoals hij stelt, bedrijfscontinuering onder de scenario’s 3 en 4 van de rapportage van Flynth niet realistisch is.

Dat, gezien de samenstelling van de veestapel op 2 juli 2015, de wijze waarop het fosfaatrecht wordt vastgesteld voor appellant ongelukkig uitpakt, is op zichzelf ook geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het bestreden besluit strijdig is met artikel 1 van het EP. Het is inherent aan het hanteren van een peildatum dat er verschillen zullen zijn tussen bedrijven naar gelang de situatie op die dag. Van overige bijzondere omstandigheden om reden waarvan de situatie van appellant strijd zou opleveren met artikel 1 van het EP is het College al evenmin gebleken.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie