< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing uitbetaling graasdierpremie. Artikel 2:24 van de Uitvoeringsregeling. Graslandcorrectie vanwege subsidiabel grasland.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1629

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. L. Kooijman-Arends),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mrs. M. van der Zwaard, M.C. Sluimer en L.S. van Goor).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 25 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het betreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving daarvan niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellant heeft op 1 mei 2016 een Gecombineerde opgave 2016 bij verweerder ingediend en verzocht om de uitbetaling van de graasdierpremie.

1.3

Verweerder heeft bij het primaire besluit geen graasdierpremie aan appellant toegekend omdat het vastgestelde bedrag van € 0,00 lager is dan het drempelbedrag van € 1.000,-.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en daartoe het volgende overwogen. Voor de berekening van de graasdierpremie zijn 63 runderen in aanmerking genomen. Deze runderen heeft appellant 16.854 dagen aangehouden. Appellant heeft gemiddeld 58,32 (16.854 gedeeld door 289 dierteldagen) runderen gehouden. Voor de bepaling van de hoogte van de graasdierpremie schrijft artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling voor dat hierbij rekening wordt gehouden met de op het bedrijf aanwezige hectares (ha) grasland. In dit geval gaat het hierbij om 51,42 ha. Op grond van artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling moeten daarom 89,99 runderen (51,42 ha grasland vermenigvuldigd met 1,75 runderen per ha grasland) in mindering worden gebracht op het genoemde aantal van 58,32. Na deze aftrek blijven er geen runderen over. Dit leidt tot een bedrag aan graasdierpremie van € 0,00, zodat de aanvraag terecht is afgewezen.

2. Appellant betoogt dat uit het primaire besluit onvoldoende volgt waarom de graasdierpremie niet aan hem is toegekend en is uitbetaald. Appellant voldoet immers aan alle voorwaarden voor toekenning en uitbetaling van de graasdierpremie. Het bestreden besluit is volgens appellant tevens in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat voor zijn subsidiabele landbouwgrond ook geen betalingsrechten zijn toegekend en uitbetaald. Appellant betoogt tot slot dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellant heeft verweerder meerdere keren verzocht om zijn bezwaarschriften tegen de beslissingen over de graasdierpremie 2016 en de betalingsrechten 2016 gecombineerd te behandelen, omdat de kern van zijn bezwaar is dat zijn gronden subsidiabel zijn.

3. Verweerder is het niet eens met het standpunt van appellant dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. In het primaire besluit en in het bestreden besluit is uiteengezet wat de voorwaarden zijn voor graasdierpremie en wat ertoe heeft geleid dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen. Verweerder heeft daarbij de door appellant aangevoerde gronden meegenomen en weerlegd. Het beroep van appellant op het zorgvuldigheidsbeginsel kan volgens verweerder niet slagen. Dat het brutobedrag graasdierpremie uit komt op € 0,00 is immers gelegen in het feit dat verweerder een correctie heeft moeten toepassen voor tot het bedrijf van appellant behorende subsidiabele hectares grasland. Naar de mening van verweerder faalt ook het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel. Appellant lijkt te stellen dat, nu bepaalde percelen zijn afgewezen bij de beslissing toekenning betalingsrechten 2015 en de beslissing uitbetalen Basisbetalingsregeling 2016, hij in de plaats daarvan graasdierpremie uitbetaald zou moeten krijgen. Appellant lijkt daarmee voorbij te gaan aan het door verweerder reeds gestelde feit dat een correctie heeft plaatsgevonden voor de tot het bedrijf van appellant behorende subsidiabele hectares grasland. Dat er naar mening van appellant bepaalde percelen nog dienen te worden geconstateerd als subsidiabele hectares, doet daar niets aan af. Appellant beschikt immers over een dusdanig aantal subsidiabele hectares grasland, dat het gecorrigeerde aantal dieren voor subsidiabel grasland groter is dan het door appellant gehouden aantal subsidiabele dieren op basis van dierteldagen.

4.1

Artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling bepaalde ten tijde van belang het volgende:

“Artikel 2.24 Berekening vrijwillig gekoppelde steun

1 De steun bedraagt € 160 per rund (…) dat op het bedrijf is gehouden in de periode van 1 januari tot en met 15 oktober van het jaar van de steunaanvraag, en dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.22, respectievelijk artikel 2.2 3.

2 Het aantal op het bedrijf gehouden dieren, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als A gedeeld door B waarbij A staat voor de som van het aantal dagen dat de runderen, (…) voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.22 respectievelijk 2.23, en B het getal 288 is.

3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, wordt verminderd met de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal tot het bedrijf behorende hectaren grasland, met:

(…)

b. 1,75, voor wat betreft het aantal gehouden runderen.

4 De vermindering, bedoeld in het derde lid, geschiedt als eerste ten aanzien van het aantal gehouden schapen. Zodra de uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde lid, nihil is, wordt de vermindering, bedoeld in dat lid, voor het resterende aantal hectaren grasland toegepast op het aantal gehouden runderen.

5 In zoverre in afwijking van het tweede lid is voor steunaanvragen ingediend in 2016 B het getal 289.”

4.2

Artikel 2.26 van de Uitvoeringsregeling bepaalde ten tijde van belang het volgende:

“Artikel 2.26. Uitsluiting steun inzake graasdierhouderij

Geen steun als bedoeld in artikel 2.22 en artikel 2.23 wordt verstrekt aan de landbouwer indien het bedrag van de in het jaar van de steunaanvraag aangevraagde en toe te kennen steun voordat de vermindering, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, alsmede de sancties of verlagingen, bedoeld in artikel 63, eerste en tweede lid, en artikel 91, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn toegepast, voor runderen en schapen tezamen lager is dan € 1.000.”

4.3

In de toelichting op de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 2014 nr. 36127, 16 december 2014, blz. 29) staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“7. Vrijwillig gekoppelde steun voor graasdierhouderij runderen en schapen

Op bepaald areaal dat hoofdzakelijk voor niet landbouwactiviteiten wordt benut en derhalve niet aangemerkt wordt als subsidiabel areaal, zoals met name natuurgebied met heide, vinden in bepaalde gevallen in het kader van het natuurbeheer agrarische activiteiten plaats, zoals begrazing door schapen of runderen. Omdat deze grond minder voedingswaarde heeft en ook niet voor subsidie in aanmerking komt, is deze begrazing onrendabel. De betaling is primair bedoeld voor het in stand houden van sectoren die maatschappelijk gewenste taken uitvoeren en zonder deze steun niet meer rendabel zijn. Voor deze dieren is € 3.5 miljoen beschikbaar

(€ 2.4 miljoen voor runderen en € 1.1 miljoen voor schapen). De betaling per subsidiabel rund is € 160 en per subsidiabel schaap € 24.

(…)

Omdat de gekoppelde steun betrekking heeft op dieren die grazen op niet subsidiabele grond, vindt er een correctie plaats voor het grasland dat bij het bedrijf van de aanvrager in gebruik is. Het betreft zowel permanent, tijdelijk als natuurlijk grasland, omdat ten aanzien van dat areaal betalingsrechten kunnen worden toegekend (onderstreping College). Bij deze correctie worden eerst de schapen aan het eigen grasland toegerekend en vervolgens de vrouwelijke runderen, omdat op bedrijven met zowel schapen als runderen, de schapen vaker rondom het bedrijf grazen.”

4.4

Gelet op de tekst van artikel 2.24, derde lid, van de Uitvoeringsregeling en de toelichting daarop brengt een redelijke uitleg van het bepaalde daarin met zich dat in het geval een bedrijf subsidiabel grasland heeft een correctie moet plaatsvinden op het aantal dieren dat in aanmerking komt voor graasdierpremie, omdat de dieren ook op deze subsidiabele grond kunnen grazen en ten aanzien van dat areaal betalingsrechten kunnen worden toegekend. Daarbij is niet vereist dat voor de percelen ook betalingsrechten zijn toegekend.

4.5

Het College is onder verwijzing naar rechtsoverweging 1.4 van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat en waarom de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie is afgewezen. Het College stelt vast dat verweerder bij de beslissing uitbetalen Basisbetalingsregeling 2016 van 29 maart 2017 51,42 ha grasland op het bedrijf van appellant heeft geconstateerd. Het door appellant daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 november 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is het aantal ha grasland vastgesteld op 52,01. Bij uitspraak van het College van heden (zaaknummer 18/89) heeft het College het beroep van appellant tegen genoemd besluit van 30 november 2017 ongegrond verklaard, zodat dit besluit thans in rechte vast staat. Van de 58,32 gehouden runderen dient op grond van artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling 91,02 (52,01 ha maal factor 1,75) in mindering te worden gebracht. Nu het aantal runderen waarmee hier op grond van de graslandcorrectie rekening moet worden gehouden groter is dan het gemiddeld aantal door appellant gehouden runderen heeft verweerder de graasdierpremie terecht op € 0,00 vastgesteld.

4.6

Naar het oordeel van het College valt niet in te zien waarom het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, dan wel in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Voor zover appellant stelt dat hij de in geding zijnde percelen grasland zou hebben opgegeven voor uitbetaling van betalingsrechten 2016 indien hij had geweten dat hij niet in aanmerking zou komen voor de graasdierpremie, gaat hij er ten onrechte aan voorbij dat verweerder bij de berekening van de graasdierpremie rekening moet houden met het aantal ha subsidiabel grasland dat bij zijn bedrijf behoort en niet van het aantal ha waarvoor betalingsrechten zijn toegekend en uitbetaald.

4.7

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroep tot slot verwezen naar het door hem overgelegde inspectierapport BBR NVWA Rapport Verzamelaanvraag 2018 en een eveneens door hem overgelegde beslissing van 18 april 2019 inzake toekenning betalingsrechten uit de Nationale reserve 2018. Uit deze stukken zou volgens appellant volgen dat zijn gronden voor een zeer belangrijk deel subsidiabel zijn en hij ook met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 aanspraak kan maken op toekenning van betalingsrechten uit de Nationale reserve. Appellant heeft echter niet nader toegelicht waarom deze stukken afbreuk zouden kunnen doen aan het bestreden besluit, gelet op de wettelijke voorwaarden die gelden voor de berekening en toekenning van de graasdierpremie. De stukken lijken juist veeleer steun te bieden aan het standpunt van verweerder dat bij de berekening van de graasdierpremie terecht een graslandcorrectie is toegepast vanwege tot het bedrijf van appellant behorende subsidiabele hectares grasland. Reeds hierom kunnen deze stukken niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. W.C.E. Winfield en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. El Markai


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature