< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft terecht vastgesteld dat appellant artikel 1.7, onder c., van het Besluit heeft overtreden. Vervolgens heeft verweerder op goede gronden spoedbestuursdwang toegepast (5:31, eerste lid, van de Awb). Er was immers sprake van een acute noodsituatie waarbij een hond terstond de noodzakelijke (medische) zorg nodig had.

Uitspraak



uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. H.A. de Boer),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B. te Vrede).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 23 februari 2018 wegens overtreding van de Wet dieren op schrift gesteld en bekend gemaakt.

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 27 juli 2018 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving vastgesteld en bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft naar aanleiding van dit besluit aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is voor verweerder verschenen [naam 2] , districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID).

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Op 23 februari 2018 hebben agenten van de (dieren)politie, in samenwerking met voornoemde districtsinspecteur van de LID, naar aanleiding van een melding een controle uitgevoerd bij de woning van appellant. De districtsinspecteur heeft van deze controle op 23 februari 2018 een toezichtrapport opgemaakt. Dit toezichtrapport vermeldt, voor zover hier relevant, de volgende bevindingen:

“(…)

Bevindingen (…) Ik zag direct een hond op mij af komen wankelen. Ik zag dat deze hond in een zeer slechte voedingsconditie verkeerde die ik zou omschrijven als cachectisch (uitgemergeld, het stadium voordat de dood intreed). Ik zag ribben, ruggengraat en heupbeenderen sterk uitsteken, tevens had de hond geen bespiering of vet op het lichaam. Verder zag ik dat zij op haar rechter achterpoot een flinke huidontsteking had, dat zij over het lichaam diverse bulten had waarvan enkelen ‘open’ waren en links op de borst een gezwel ter grootte van een tennisbal.

(…)

Onderzoek door dierenarts:

(…)

De dierenarts omschreef de lichamelijke toestand van de hond als “cachexie” en gaf aan een conditiescore van 1 (Body condition score 1-5). (…)

Deze hond is zeer ernstig vermagerd, heeft een forse huidontsteking, diverse bulten, massa in buik en een thoraxabces links. Een teef van dit type hond zou normaal gesproken een gewicht van rond de 40 – 45 kilogram moeten hebben. Op basis van door mij gedane bevindingen constateerde ik dat aan deze hond de nodige (medische) verzorging is onthouden waardoor haar gezondheid en welzijn ernstig benadeeld zijn.”

Bij het rapport zijn onder andere foto’s van de hond en de situatie ter plekke gevoegd en een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 23 februari 2018 van de dierenarts (de diergeneeskundige verklaring) waarin onder meer is vermeld dat de hond op die dag op de praktijk is gewogen en dat het gewicht 28 kilogram bedroeg.

1.3

Verweerder heeft op 23 februari 2018 spoedbestuursdwang toegepast. Bij het primaire besluit van 2 maart 2018 heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld en bekend gemaakt. Volgens verweerder heeft appellant artikel 1.7, onder c, Besluit houders van dieren (Besluit) overtreden door zijn hond niet de noodzakelijke medische zorg te geven.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij terecht spoedbestuursdwang heeft toegepast, nu volgens hem sprake was van een acute noodsituatie waarbij de hond “terstond de noodzakelijke (medische) zorg nodig had”. Dit blijkt volgens verweerder onder meer uit de bevindingen van de toezichthouders en de diergeneeskundige verklaring. Tot slot heeft verweerder opgemerkt dat feitelijke teruggave van de hond niet meer mogelijk is, omdat de hond op 3 april 2018 is ingeslapen.

3. Bij het kostenbesluit van 27 juli 2018 heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld en bij appellant in rekening gebracht voor een bedrag van € 1.174,57.

Toepassen spoedbestuursdwang

4.1

Het College ziet zich, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, allereerst gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van overtreding van artikel 1.7, onder c, van het Besluit.

4.2

Artikel 1.7 van het Besluit luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier: (…)c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;”

4.3

Het College is van oordeel dat verweerder op grond van de – op zichzelf niet betwiste – bevindingen in het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring van de dierenarts terecht heeft vastgesteld dat appellant artikel 1.7, onder c, van het Besluit heeft overtreden. Verweerder heeft daarbij op goede gronden veel gewicht toegekend aan de conclusie van de dierenarts dat de hond zeer ernstig vermagerd is, een forse huidontsteking heeft, diverse bulten heeft, een massa in de buik heeft en een thoraxabces links heeft. Voorts heeft verweerder terecht gewezen op het belang van de conclusie van de dierenarts dat de hond een body condition score van 1 had.

5.1

Appellant voert voorts in beroep aan dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom in dit geval spoedbestuursdwang in de vorm van wegvoeren nodig was. Appellant betoogt dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om zelf de noodzakelijke medische zorg voor de hond te regelen.

5.2

In artikel 5:31, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen kan besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Op grond van artikel 5:29, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, zaken meevoeren en opslaan.

5.3

Gelet op de constateringen van de toezichthouders en de verklaring van de dierenarts is naar het oordeel van het College vast komen te staan dat de hond van appellant in een zeer slechte gezondheid en conditie verkeerde en terstond (medische) verzorging nodig had. De dierenarts heeft immers verklaard dat de hond sterk vermagerd was en omschreef de lichamelijke toestand van de hond als cachexie. Verder heeft de dierenarts verklaard dat ten tijde van de toepassing van de spoedbestuursdwang de hond 28 kilogram woog, terwijl een teef van het type hond van appellant normaal rond de 40 - 45 kilogram behoort te wegen. Gelet op het bovenstaande en mede gelet op de omstandigheid dat appellant in het verleden al eerder is geconfronteerd met de slechte gezondheidstoestand van zijn hond, behoefde bij verweerder niet het vertrouwen te bestaan dat appellant zelf terstond de noodzakelijke medisch zorg voor de hond zou regelen. Niets wijst erop dat appellant zelf in staat was om hieraan op korte termijn uitvoering te geven. Op grond van het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder terecht de medische situatie van de hond als zodanig spoedeisend heeft aangemerkt dat aanleiding bestond om zonder voorafgaande last en zelfs zonder voorafgaand besluit, terstond bestuursdwang toe te passen, zoals bedoeld in artikel 5:31, eerste en tweede lid, van de Awb .

5.4

De beroepsgronden van appellant ten aanzien van het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang slagen niet.

Kostenbesluit

7. Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu appellant dit besluit betwist.

8. Met het kostenbesluit is een bedrag van € 1.174,57 bij appellant in rekening gebracht. Blijkens de bij het kostenbesluit gevoegde overzichten zijn deze kosten gemaakt ten behoeve van het vervoer en verblijf van de hond, de behandeling van de hond door een dierenarts, alsook het euthanaseren van de hond.

9. In beroep heeft appellant aangevoerd dat, aangezien hij de noodzaak van de toepassing van spoedbestuursdwang betwist, hij ook bestrijdt dat de in dat kader gemaakte kosten bij hem in rekening kunnen worden gebracht.

10.1

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

10.2

Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld met betrekking tot de toepassing van spoedbestuursdwang bestaat geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de spoedbestuursdwang onrechtmatig was. Dit betekent dat verweerder de daarmee gemoeide kosten ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb bij appellant in rekening heeft mogen brengen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat die kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

10.3

De beroepsgronden ten aanzien van het kostenbesluit slagen niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. T. Kuiper


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature