< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Afgifte van camerabeelden door aangever zonder vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering.

Het achterwege laten van de vordering levert niet zonder meer een inbreuk op van artikel 6 EVRM (eerlijk proces). In artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de rechtbank rekening houdt met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het veroorzaakte nadeel. Uit de MvT blijkt dat het wetsartikel met m.n. in het leven is geroepen om de belangen van de persoon die de beelden afgeeft te beschermen, meer dan de belangen van de persoon die op de beelden staat. De rechtbank maakt geen gebruik van haar bevoegdheid de camerabeelden voor het bewijs uit te sluiten. Geen schending van privacybelang van de verdachte, daar hij ontkent de overval te hebben gepleegd en derhalve niet op de camerabeelden is waar te nemen. Voort is niet aannemelijk geworden dat de camerabeelden door aangever niet vrijwillig zijn afgestaan. De rechtbank bezigt de camerabeelden voor het bewijs.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.662593-11 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de [P.I.].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting te Lelystad in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 29 november 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 26 januari 2012, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.J. Verbeek, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J. Zeilstra, en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juni 2011 te [plaats], (althans) in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere horloge('s) (o.a merk Rolex en/of Cartier)) en/of armband(en) en/of (gouden) oorhanger(s) en/of creo(o)l(en) en/of broche('s) en/of ketting(en)/collier(s) en/of hanger(s) en/of (een) (andere(e)) siera(a)d(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] en/of [juwelier], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd, [slachtoffer 2] en/of en persoon genaamd [slachtoffer 3] en/of een persoon, genaamd [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachte's mededader(s) een pistool, althans een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [aangever] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of daarbij tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen/gezegd dat er niet op de knop moest worden gedrukt, want anders zou die [slachtoffer 2] door zijn kankerkop worden geschoten, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt hierdoor blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

Op 21 juni 2011 is [juwelier] te [plaats] overvallen door een drietal personen. Aangever [aangever] was in zijn winkel in gesprek met vertegenwoordiger [slachtoffer 3] en zijn collega [slachtoffer 2] stond achter de toonbank op het moment dat er een jongen binnenkwam. Deze jongen richtte een vuurwapen op aangever en zei dat ze moesten gaan liggen. Vervolgens kwamen er nog twee daders binnen. Eén dader vroeg naar de Rolexen, waarop [slachtoffer 2] hem aanwees waar de Rolexen lagen. Ondertussen werd de achterwand achter de toonbank leeggehaald. De vitrine van de Rolexen werd ingeslagen. Vervolgens hoorde aangever een van de daders schreeuwen dat hij bloedde. Daarop verlieten de drie daders de winkel.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij een jongeman tegen de deur van de juwelier zag duwen. Hierop ontgrendelde hij de deur, waarna de jongeman binnenkwam en direct een pistool pakte. Hij richtte het op [aangever], riep dat het een overval was en riep ‘liggen’. Daarop liep de jongen weer naar buiten. Vervolgens kwam hij weer binnen met twee andere jongens. [slachtoffer 2] zag niet alles goed omdat hij op de grond lag, maar hoorde onder meer klikken die erop leken alsof een trekker van het pistool werd overgehaald. Terwijl hij achter de balie lag, kwam een van de jongens die later binnen waren gekomen achter hem staan. Hij zei tegen [slachtoffer 2] dat hij niet op de knop moest drukken, want anders zou hij hem door zijn kankerkop schieten. Vervolgens kwam er een jongen bij hem die hem vroeg waar de Rolexen waren, waarop [slachtoffer 2] de jongen dit aanwees en zei dat ze in die kast lagen. Hierop hoorde [slachtoffer 2] glasgerinkel en ging ervan uit dat de kast werd opengebroken. Hij hoorde ook een van de jongens zeggen: ‘Kanker, ik bloed.’. Nadat de jongens weg waren gegaan, zag hij dat de ruiten van de kast inderdaad vernield waren. Voordat de jongens over de Rolexen begonnen, hebben ze eerst het goud en zilver achter de toonbank vandaan gepakt.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat de jongen het pistool schuin omhoog wees en dan naar voren gericht. Hij riep direct dat ze op de grond moesten gaan liggen. Op een gegeven moment hoorde [slachtoffer 3] ‘klik klik’, welk geluid klonk of de trekker van het pistool werd overgehaald. Na het geluid van een knal en glasgerinkel hoorde [slachtoffer 3] een van de daders roepen dat hij bloedde.

Door de daders zijn verschillende sieraden en merkhorloges weggenomen. De totale schade bedraagt € 36.517,77.

Na de overval zijn verschillende sporen veilig gesteld, waaronder een stuk tapijt met daarop een bloedvlek. Naar het celmateriaal in de bemonstering van het bloed op dit stuk tapijt is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) vergelijkend DNA-onderzoek verricht. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het

DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op een miljard. Naar aanleiding van de DNA-match is verdachte op 24 augustus 2011 aangehouden en in verzekering gesteld.

Verdachte ontkent het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.

Uit de camerabeelden van [juwelier] blijkt dat de overval door drie personen is gepleegd. Dader 1 had een pistool en hield dit in de aanslag, zodat zijn twee mededaders konden pakken wat zij wilden. Als de vitrine van de Rolex-horloges niet opengaat, pakt dader 1 een hamer en slaat de vitrinekast in. Vervolgens grijpt dader 1 naar zijn hand. Aangever, getuige [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 3] beschrijven allen dat ze een van de daders hebben horen roepen dat hij bloedde. Vervolgens is op de plaats waar dader 1 de vitrinekast insloeg en waar hij, zoals op de beelden is te zien, zijn hand aan het tapijt afveegt, bloed aangetroffen.

Het DNA-profiel levert vervolgens een match op met verdachte. Dit betreft een enkelvoudig DNA-profiel. De kans dat het spoor van een ander dan verdachte is, is te verwaarlozen. Verdachte is ook te herkennen op de beelden. Op grond van het voorgaande kan er geen twijfel over bestaan dat verdachte degene is geweest die het pistool vasthad en de vitrinekast insloeg.

Voorts heeft de officier van justitie met betrekking tot de camerabeelden van [juwelier] opgemerkt dat deze niet op grond van een vordering als bedoeld in artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering zijn veiliggesteld. Dat aangever de beelden vrijwillig heeft verstrekt, blijkt echter uit de gang van zaken, zoals het feit dat een aantal scans van de beelden aan de aangifte is toegevoegd en dat aangever de beelden ook aan het televisieprogramma ‘Opsporing Verzocht’ heeft verstrekt. Zelfs indien aangever de beelden niet uit eigen beweging zou hebben verstrekt, hoeft, anders dan door de raadsman bepleit, nog geen bewijsuitsluiting te volgen, nu niet vast komt te staan dat door het optreden van de politie een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in aanzienlijke mate is geschonden. Het belang van verdachte om uit handen van de politie te blijven, is niet een belang dat door artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering wordt beschermd. Het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachte is wel een dergelijk rechtsbelang. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 21 december 2010 (LJN: BL7688) volgt echter dat een schending van het in artikel 8 van het EVRM vervatte recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert van het in artikel 6 van het EVRM vervatte recht op een eerlijk proces. Bovendien zijn de omstandigheden van het geval van belang bij de beoordeling van het recht op privacy. Nu in de onderhavige strafzaak sprake is van een opname die is gemaakt in een winkel, een locatie waarvan een persoon kan verwachten dat hij er wordt gefilmd, is de inbreuk op de privacy verdedigbaar. Bovendien zouden de beelden, indien deze niet vrijwillig verstrekt zouden zijn, hoe dan ook alsnog door middel van een vordering zijn verkregen. Er is dan ook geen reden om enige gevolgtrekking te verbinden aan het achterwege blijven van de vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, laat staan om, zoals door de raadsman bepleit, het uit de camerabeelden voortgekomen bewijs uit te sluiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij dit feit. De raadsman heeft hiertoe het navolgende bepleit.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat een deel van het dossier niet voor het bewijs mag worden gebezigd. De camerabeelden van [juwelier] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze niet zijn opgevraagd door middel van een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 21 december 2010 (LJN: BL7688) geoordeeld dat een dergelijke vordering enkel achterwege mag blijven indien derden op vrijwillige basis, dus zonder toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden, gegevens aan politie en justitie verstrekken. Dat de beelden vrijwillig zijn verstrekt door aangever, volgt niet uit het dossier. In de aangifte stelt aangever de beelden te hebben verstrekt aan de politie, maar de aangifte is later gedaan dan het moment waarop de recherche te kennen heeft gegeven de beelden te willen hebben. Hieruit volgt dat de beelden op verzoek en niet vrijwillig zijn verstrekt. Aan dit verzoek had derhalve een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag moeten liggen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onherstelbaar en ernstig vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en rechtsbeginsel geschonden. Door de camerabeelden als bewijs toe te laten, wordt het gezag van de Hoge Raad met voeten getreden en alleen door het uitsluiten van de camerabeelden van het bewijs wordt een krachtig signaal aan opsporende en vervolgende instanties afgegeven. Niet alleen de camerabeelden, maar ook al het daaruit voortgekomen bewijs dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het sporenonderzoek en DNA-onderzoek naar de veiliggestelde sporen heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het beeldmateriaal. Na uitsluiting van de camerabeelden, het sporenonderzoek en het DNA-onderzoek van het bewijs, ontbreekt enig bewijs dat in de richting van verdachte wijst, reden waarom hij dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Indien de rechtbank voornoemde bewijsmiddelen niet uitsluit van het bewijs, geldt dat het de vraag is of het in de winkel aangetroffen DNA is achtergelaten door een van de daders van de overval. De sporen zijn pas 6 uren na aankomst van de onderzoekers veiliggesteld, in welk tijdsbestek de plaats delict besmet kan zijn geraakt. Wellicht heeft verdachte de juwelier in het verleden bezocht. Verdachte herinnert zich niet altijd alles, ten gevolge van hoofdtrauma dat hij heeft opgelopen bij een scooterongeluk. Ook is mogelijk dat het NFI slordig heeft gehandeld. Het is daarbij onduidelijk hoeveel waarde aan het DNA-spoor kan worden gehecht, omdat uit het NFI-rapport lijkt te kunnen worden geconcludeerd dat in het DNA-profiel ook DNA-sporen van anderen zijn aangetroffen. Er lijkt sprake te zijn geweest van een mengprofiel. Indien de rechtbank het DNA-onderzoek niet uitsluit van het bewijs, wenst de verdediging de deskundige van het NFI hierover te horen als getuige, nu onduidelijk is hoe het rapport geïnterpreteerd dient te worden. Indien verdachte de dader was, zouden er meer sporen van hem moeten zijn aangetroffen, hetgeen niet het geval is. Het dactyloscopisch onderzoek heeft geen match met verdachte opgeleverd. Het litteken op de hand van verdachte heeft geen verband met deze overval, zoals blijkt uit de brief van het Lucas Andreas Ziekenhuis. Verdachte is afgeluisterd, maar heeft nimmer iets gezegd wat tot de conclusie kan leiden dat hij de overval heeft gepleegd. Het telefoonnummer dat van verdachte zou zijn, heeft op de dag van de overval geen zendmasten in de provincie Flevoland aangestraald. Er is teveel twijfel, reden waarom verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de door de verdediging opgeworpen vraag gesteld of de camerabeelden van de overval op [juwelier] mogen worden gebezigd voor het bewijs. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Aangever heeft op enig moment de camerabeelden van de overval op zijn juwelierszaak aan de politie beschikbaar gesteld, zo blijkt uit de aangifte. Uit het dossier blijkt niet of deze beelden uit eigen beweging door aangever zijn verstrekt, dan wel of dit op verzoek van de politie is gebeurd. Aan de afgifte van de beelden door aangever heeft geen vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, strekkende tot het opvragen van voornoemde camerabeelden, ten grondslag heeft gelegen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2010 (LJN: BL7688) volgt dat de camerabeelden ofwel door middel van een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, ofwel uit eigen beweging door aangever aan de politie moeten zijn verstrekt. Het achterwege laten van de vordering levert echter niet zonder meer een inbreuk op van de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. In artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de rechtbank bij het gebruik maken van de haar in het eerste lid van dat artikel gegeven bevoegdheid rekening houdt met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat het wetsartikel met name in het leven is geroepen om de belangen van de persoon die de beelden afgeeft te beschermen, meer dan de belangen van de persoon die op de beelden staat. De wetgever was van mening dat de verantwoordelijkheid voor het vergaren van gegevens bij de desbetreffende opsporingsinstantie behoorde te liggen. Degene die de politie informatie verschafte kon immers - voordat daarvoor een vordering vereist was - een probleem krijgen met de persoon wiens gegevens werden verstrekt. De rechtbank maakt, gelet op de aard van het belang dat het geschonden voorschrift dient, geen gebruik van haar bevoegdheid de camerabeelden van het bewijs uit te sluiten. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering het privacybelang van verdachte beoogt te beschermen, merkt de rechtbank op dat van een schending daarvan geen sprake kan zijn, reeds omdat verdachte stelt de overval niet te hebben gepleegd en derhalve niet op de camerabeelden te staan.

Nu voorts niet aannemelijk is geworden dat de camerabeelden door aangever niet vrijwillig aan de politie zijn afgestaan, zal de rechtbank in het geheel geen consequentie verbinden aan het achterwege blijven van een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. De camerabeelden en het daaruit voortgekomen bewijs worden gebezigd voor het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard en verwijst daartoe naar de reeds in de inleiding gebezigde bewijsmiddelen. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaringen van aangever, getuige [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 3] blijkt dat een van de daders tijdens de overval, nadat er glasgerinkel heeft geklonken, heeft geroepen dat hij bloedde.

Uit het proces-verbaal van het naar aanleiding van de overval bij [juwelier] verrichte sporenonderzoek blijkt dat op de camerabeelden is te zien dat de dader met het vuurwapen, die als eerste binnenkwam, op enig moment het glas van de vitrinekast met een vuisthamer inslaat. Daarna begint deze dader met zijn handen te wrijven en vegen op de vloer, ter hoogte van de linkerdeur, alsof hij iets probeert weg te poetsen. Ter hoogte van waar de dader op de beelden iets weg leek te poetsen, is een stuk tapijt met daarop een bloedvlek veiliggesteld en voorzien van kenmerk ‘AACS4453NL’.

Naar het celmateriaal in de bemonstering van het bloed op dit stuk tapijt is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) vergelijkend DNA-onderzoek verricht. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op één miljard. Het bloedspoor op het stuk tapijt, met kenmerk AACS4453NL, betreft een enkelvoudig

DNA-profiel.

De stelling van de raadsman dat sprake zou zijn van een mengprofiel kan de rechtbank op grond van het bovenstaande niet volgen. Er is immers sprake van een enkelvoudig DNA-profiel. Hiermee ontvalt naar het oordeel van de rechtbank de grondslag voor het verzoek van de raadsman tot het horen van de NFI-deskundige als getuige. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid over de interpretatie van de resultaten van het door het NFI verrichte DNA-verzoek.

Ten aanzien van de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2012, dat DNA verplaatsbaar is, overweegt de rechtbank als volgt.

De aard van het DNA dat in de onderhavige strafzaak is aangetroffen, te weten bloed, maakt verplaatsing ervan lastig. Dat, in samenhang met de overige bewijsmiddelen – te weten de verklaringen van aangever, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dat een van de daders riep dat hij bloedde, het feit dat op de camerabeelden is te zien dat de dader die de vitrinekast inslaat en vervolgens met zijn handen begint te wrijven en vegen op het tapijt, en het feit dat er een DNA-match is gevonden tussen het bloed op het tapijt op de plaats waar de dader wreef en het DNA van verdachte – maakt dat de rechtbank het hoogst onaannemelijk acht dat het op genoemd stuk tapijt aangetroffen bloed wel van verdachte zou zijn, maar dat het er op een andere wijze dan doordat hij het hem ten laste gelegde delict heeft gepleegd, zou zijn terechtgekomen. Dat bij verdachte geen aan de overval te relateren verwonding aan zijn handen is aangetroffen, doet daar, gelet op het tijdsverloop tussen de overval en het moment van aanhouding van verdachte, niets aan af.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt voorts dat [verbalisant], naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden en zijn waarnemingen tijdens het verhoor van verdachte, zegt de persoon op de beelden met honderd procent zekerheid te herkennen als verdachte.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 26 januari 2012, waarbij verdachte is verschenen, kennisgenomen van de camerabeelden en ziet geen grond om voornoemde conclusie van [verbalisant] in twijfel te trekken.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte samen met twee anderen de overval op [juwelier] te [plaats] heeft gepleegd, waarbij verdachte de dader was die met het vuurwapen als eerste binnenkwam, dit op de personeelsleden heeft gericht en heeft geroepen dat ze moesten gaan liggen, de vitrinekast heeft ingeslagen en bloed heeft verloren op het tapijt.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 21 juni 2011 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen horloges en andere sieraden, toebehorende aan [aangever] en/of [juwelier], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een persoon genaamd, [slachtoffer 2] en een persoon genaamd [slachtoffer 3] en een persoon, genaamd [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of verdachte's mededaders een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [aangever] heeft/hebben gericht en gericht gehouden en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen dat er niet op de knop moest worden gedrukt, want anders zou die [slachtoffer 2] door zijn kankerkop worden geschoten.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. De officier van justitie heeft rekening gehouden met de richtlijnen voor strafvordering van het openbaar ministerie en als strafverzwarende factoren gewezen op het geplande karakter van de overval, de aanwezigheid van een vuurwapen, het feit dat het meerdere daders waren, de angst die het feit bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht, het gegeven dat dit voor [juwelier] in korte tijd de tweede overval was en het gegeven dat juweliers in het algemeen keer op keer worden overvallen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf gesteld dat verdachte slechts één keer onherroepelijk is veroordeeld wegens een soortgelijk delict. Voorts heeft de raadsman ervoor gepleit een mildere straf dan geëist door de officier van justitie op te leggen en daartoe gewezen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS), waaruit volgt dat het uitgangspunt bij een winkeloverval met bedreiging een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren is.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het navolgende.

De slachtoffers zijn zowel verbaal als met een vuurwapen bedreigd en hebben hierdoor in doodsangst verkeerd. Verdachte lijkt enkel te hebben gehandeld uit eigen winstbejag en daarbij in het geheel geen rekening te hebben gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers. De slachtoffers hebben zich onveilig gevoeld tijdens de uitoefening van hun normale werkzaamheden, hetgeen naar voren komt uit hun schriftelijke

(slachtoffer)verklaringen. De overval is met name zeer traumatisch geweest voor het personeel van [juwelier], omdat het de tweede overval was binnen een paar maanden tijd. De ontkennende proceshouding van verdachte impliceert dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen noch enig blijk geeft van berouw. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 december 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een de verdachte betreffend beknopt Reclasseringsadvies d.d. 25 augustus 2011 van Reclassering Nederland, Adviesunit Lelystad, opgesteld door A. Buiten, reclasseringswerker en A. van de Boer, leidinggevende. Noch uit het dossier, noch uit het behandelde ter terechtzitting is de rechtbank iets omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte gebleken, dat noopt tot nader onderzoek.

De rechtbank heeft ten slotte de richtlijnen van het LOVS in aanmerking genomen en ziet daarin aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist.

Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend en noodzakelijk, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank heeft hieromtrent rekening gehouden met de strafmaat die ten aanzien van soortgelijke feiten pleegt te worden opgelegd, te weten 3 jaar gevangenisstraf.

9 BESLAG

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen laptop, spelcomputer en regenjas te gelasten.

De raadsman heeft eveneens verzocht om teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen laptop, spelcomputer en regenjas.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van voornoemde goederen zoals genoemd in het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming op p. 016 van het dossier, te weten een zwarte regenjas van het merk Hema, een zwarte laptop van het merk Compaq en een crèmekleurige X-box spelcomputer.

10 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 2], wonende te [plaats], zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.000,--, bestaande uit € 200,-- ter zake van materiële schade en € 800,-- ter zake van immateriële schade. [slachtoffer 2] heeft verzocht om toewijzing van zijn vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de ontstane schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voorts heeft voor aanvang van de terechtzitting [aangever], wonende te [plaats], zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.024,--, bestaande uit € 224,-- ter zake van materiële schade en € 800,-- ter zake van immateriële schade. [aangever] heeft verzocht om toewijzing van zijn vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de ontstane schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om toewijzing van beide vorderingen benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen benadeelde partij.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[aangever] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.024,--, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] en een geldsom van € 1.024,-- vermeerderd met de wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht , zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd de in het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming op p. 016 van het dossier vermelde voorwerpen, te weten een zwarte regenjas van het merk Hema, een zwarte laptop van het merk Compaq en een crèmekleurige X-box spelcomputer;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [plaats], van een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro ), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 21 juni 2011, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,-- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Benadeelde partij [aangever]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever], wonende te [plaats], van een bedrag van € 1.024,-- (zegge: duizend vierentwintig euro ), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 21 juni 2011, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij [aangever] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.024,-- ten behoeve van het slachtoffer [aangever] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[aangever] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Schroten, voorzitter, mr. G. Blomsma en

mr. R.F. van Aalst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Colijn, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature