< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank Arnhem heeft vandaag twee mannen uit Nijkerk en Bunschoten veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk 6 en 7 jaar. De rechtbank acht bewezen dat de mannen betrokken zijn geweest bij een poging doodslag vergezeld van een beroving, gepleegd op 21 november 2009 op een 63-jarige melkboer in zijn woning in Nijkerk. Ook acht de rechtbank bewezen dat de mannen diezelfde dag een poging diefstal met geweld en een inbraak hebben gepleegd.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis

Parketnummers : 05/900291-10 en 05/702374-10

Data zittingen : 8 juni 2010, 24 augustus 2010 en 15 maart 2011

Datum uitspraak : 29 maart 2011

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Parketnummer 05/900291-10:

hij op of omstreeks 21 november 2009 te Nijkerk,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk E.L.G.[slachtoffer1] van het leven

te beroven, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

opzettelijk die [slachtoffer1] (meermalen) met een (klauw)hamer, althans een dergelijk

(slag)voorwerp, op en/of tegen het hoofd heeft/hebben geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (doodslag) niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een overval, althans een poging

overval, en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om,

bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s)

straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te

verzekeren;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 november 2009 te Nijkerk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

E.L.G.[slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer1], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn/haar mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer1] meermalen met een

(klauw)hamer, althans een dergelijk (slag)voorwerp op en/of tegen het hoofd

heeft/hebben geslagen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzeld

aangezichtsbeen en/of jukbeen en/of voorhoofdsbeen en/of een schedelfractuur

en/of gescheurd hersenvlies) heeft bekomen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 21 november 2009 te Nijkerk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld E.L.G.[slachtoffer1] heeft gedwongen tot de

afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan die [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer1]

meermalen met een (klauw)hamer, althans een dergelijk (slag)voorwerp, op en/of

tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, tengevolge waarvan die [slachtoffer1] zwaar

lichamelijk letsel (verbrijzeld aangezichtsbeen en/of jukbeen en/of

voorhoofdsbeen en/of een schedelfractuur en/of gescheurd hersenvlies) heeft

bekomen;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 21 november 2009 te Nijkerk,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen goederen en/of geld , geheel of ten dele toebehorende

aan E.L.G.[slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan

en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [slachtoffer1], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen

en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans alleen, de woning van

die [slachtoffer1] is binnengegaan en/of vervolgens die [slachtoffer1] met een (klauw)hamer,

althans een dergelijk (slag)voorwerp, op en/of tegen het hoofd heeft geslagen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzeld

aangezichtsbeen en/of jukbeen en/of voorhoofdsbeen en/of een schedelfractuur

en/of gescheurd hersenvlies) heeft bekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer meest subsidiair:

hij op of omstreeks 21 november 2009 te Nijkerk,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

E.L.G.[slachtoffer1] te dwingen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer1], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

met voormeld oogmerk de woning van die [slachtoffer1] is binnengegaan en/of vervolgens

die [slachtoffer1] met een (klauw)hamer, althans een dergelijk (slag)voorwerp, op en/of

tegen het hoofd heeft geslagen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer1] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzeld

aangezichtsbeen en/of jukbeen en/of voorhoofdsbeen en/of een schedelfractuur

en/of gescheurd hersenvlies) heeft bekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 05/702374-10:

1.

hij op of omstreeks 21 november 2009 te Nijkerk,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen goederen (horloges)en/of geld, geheel of ten dele

toebehorende aan J. [slachtoffer2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen

voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer2], te plegen met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van dat misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s), althans

alleen, met een schroevendraaier, althans een dergelijk voorwerp, naar de

woning van de [slachtoffer2] is gelopen en/of heeft aangebeld en/of op de voordeur

heeft geklopt en/of aan die [slachtoffer2] heeft gevraagd of hij even mocht bellen

in verband met autopech en/of heeft gezegd: "Ik wil naar binnen [slachtoffer2]", althans

woorden van dergelijke aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2009 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel (Ruitershop A&A) heeft

weggenomen een dressuurzadel , in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan A.M. [slachtoffer3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming (het inslaan van een

etalageruit (met behulp van een hamer));

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 15 maart 2011 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld.

Ter terechtzitting van 15 maart 2011 zijn de zaken van de officier van justitie in het arron¬dissement Arnhem, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd: E.L.G. [slachtoffer1].

Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen, [broer van slachtoffer1], zijnde de broer van de benadeelde partij.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het bij parketnummer 05/900291-10 onder primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ten aanzien van het bij parketnummer 05/900291-10 onder subsidiair en het bij parketnummer 05/702374-10 onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij E.L.G. [slachtoffer1] tot een bedrag van € 40.153,31 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het bij voornoemd bedrag behorende aantal dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Gelet op de samenhang tussen de tenlastegelegde feiten zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 21 november 2009 rond 22.55 uur kreeg personeel van de centrale meldkamer van de Regiopolitie Gelderland-Midden een melding binnen dat er in de woning aan de [adres] een manspersoon met een bloedende hoofdwond was aangetroffen. Ter plaatse troffen agenten in het keukengedeelte van de woning een hevig aan zijn hoofd bloedende manspersoon aan. In een later stadium bleek deze man E.L.G. [slachtoffer1] te zijn.

Het letsel bestond uit indeukingsbotbreuken van de schedel, een hersenkneuzing en een bloeding onder het harde hersenvlies, een botbreuk van de voorhoofdsholte tot het zeefbeen en van de binnenste oogkasrand aan beide kanten en van het oogkasdak en de buitenzijde van de linkeroogkas. Het letsel was volgens het NFI zeer waarschijnlijk veroorzaakt door hevig stomp en of kantig botsend mechanisch geweld met een contactoppervlak van een relatief kleine afmeting. Het letsel heeft geleid tot blijvende handicap bij het slachtoffer.

Het letsel is toegebracht door [medeverdachte1]. [medeverdachte1] is naar de woning van [slachtoffer1] gegaan om een overval te plegen. Hij had een hamer bij zich. In de woning is er een worsteling ontstaan tussen [medeverdachte1] en [slachtoffer1], waarbij [medeverdachte1] [slachtoffer1] met de hamer op het hoofd heeft geslagen.

De gebruikte hamer was afkomstig uit de bus van verdachte en is na de overval weggegooid in een sloot.

Voor de overval waren verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] met z’n drieën in de bus van verdachte naar Nijkerk gereden. Aldaar hebben ze de bus geparkeerd bij een weilandje. [medeverdachte1] is vervolgens naar de woning van [slachtoffer1] gegaan. Verdachte en [medeverdachte2] hebben in de bus op [medeverdachte1] gewacht.

Eerder die avond, rond 20.30 uur, heeft getuige L. [getuige1] een man gezien bij de woning van [slachtoffer1]. Deze man wordt omschreven als een Marokkaans uitziende man, met donker krullend haar tot in zijn nek, een donker petje en een trui of jas met capuchon. Het uiterlijk van [medeverdachte1] komt overeen met die beschrijving en [medeverdachte1] droeg die avond dergelijke kleding.

Op 21 november 2009 is [medeverdachte1] naar de woning van J. [slachtoffer2] aan de [adres] gelopen en heeft daar aangebeld of op de deur geklopt. [medeverdachte1] zei tegen [slachtoffer2] dat hij autopech had of ‘ik wil naar binnen, [slachtoffer2]’. [medeverdachte1] had een schroevendraaier bij zich. [medeverdachte1] was voornemens om [slachtoffer2] om zijn dure horlogeverzameling te vragen en hem anders te bedreigen met de schroevendraaier. [slachtoffer2] heeft [medeverdachte1] echter niet binnengelaten.

Op 22 november 2009 rond 00.55 uur heeft [medeverdachte1] een dressuurzadel weggenomen uit een winkel, te weten Ruiterschop A&A, gevestigd aan de [adres]. Eigenaar van de winkel is A.M. [slachtoffer3]. [medeverdachte1] is de winkel binnengegaan door met een moker een etalageruit in te slaan.

Verdachte, [medeverdachte1] en [medeverdachte2] zijn op 21 november 2009 vanaf ongeveer 19.00 of 20.00 uur samen geweest. Die avond zag verdachte [medeverdachte2] bij de moeder van [medeverdachte2]. Ze zijn toen met de bus van verdachte rond gaan rijden. Vervolgens hebben ze [medeverdachte1] opgehaald in Bunschoten-Spakenburg. Ze zijn die avond zowel in Nijkerk als in Bunschoten-Spakenburg geweest.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Het doel van verdachte was het plegen van een overval, niet dat [slachtoffer1] zo zwaar zou worden mishandeld als medeverdachte [medeverdachte1] uiteindelijk heeft gedaan.

Wel acht de officier van justitie het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Uit de bewijsmiddelen in het dossier kan worden afgeleid dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] het plan heeft gemaakt, een voorverkenning heeft uitgevoerd, [medeverdachte1] aanwijzingen heeft gegeven en uiteindelijk [medeverdachte1] heeft afgezet en in de bus heeft gewacht totdat hij terugkwam.

Standpunt verdediging

Verdachte is weliswaar met medeverdachten [medeverdachte2] en [medeverdachte1] zijn naar de woning van [slachtoffer1] gegaan, maar verdachte dacht dat [medeverdachte1] bij [slachtoffer1] naar binnen ging om bier te halen. Verdachte wist niet dat [medeverdachte1] [slachtoffer1], met medenemen van een hamer, ging beroven. Verdachte ontkent verder aanwezig te zijn geweest bij de poging overval op [slachtoffer2] en bij de diefstal van het paardenzadel uit de ruiterzaak. De verklaring van [medeverdachte1] dat verdachte door vooraf gemaakte afspraken wist welke feiten die avond gepleegd zouden worden en dat verdachte wist dat [medeverdachte1] [slachtoffer1] met een hamer heeft beroofd, dient als niet geloofwaardig terzijde te worden geschoven. [medeverdachte1] heeft immers wisselende verklaringen afgelegd, waarbij hij ook gevoed is met informatie die hij van verbalisanten heeft gekregen. Hierdoor is de waarde van [medeverdachte1]s uitspraken over de rol van verdachte niet meer te bepalen. Voorts kan uit het rapport van [naam] worden opgemaakt dat de 12e en 13e verklaring van [medeverdachte1] door beïnvloeding van de verbalisanten tot stand is gekomen, zodat deze verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. De getuigenverklaringen in het dossier kunnen ten slotte voorts niet als ondersteunend aan de verklaringen van [medeverdachte1] worden aangemerkt. Gelet op deze omstandigheden is er naar de mening van de verdediging geen sprake van mededaderschap van verdachte van de tenlastegelegde feiten, zodat verdachte van al deze feiten dient te worden vrijgesproken.

Beoordeling

Verklaringen [medeverdachte1]

Medeverdachte [medeverdachte1] heeft 13 maal een verklaring afgelegd ten overstaan van de politie en 1 maal een getuigenverklaring afgelegd in de zaak van verdachte. [medeverdachte1] heeft aanvankelijk enige betrokkenheid met de tenlastegelegde feiten ontkend, maar gaandeweg de verhoren is [medeverdachte1] –geconfronteerd met belastende verklaringen in het dossier- steeds meer gaan bekennen. In het 6e verhoor zegt [medeverdachte1] dat hij die dag rond 20.00 uur door verdachte en [medeverdachte2] is opgehaald en dat [medeverdachte2] toen het voorstel heeft gedaan om de paardenzadels te stelen en dat verdachte op enig moment heeft voorgesteld om zowel [slachtoffer2] als [slachtoffer1] te beroven. [medeverdachte1] moest bij [slachtoffer1] naar binnen, omdat [medeverdachte2] en verdachte hem zouden kennen. [medeverdachte1] stelde voor om [medeverdachte3] mee te nemen, omdat hij niet alleen naar binnen wilde en [medeverdachte3] eens had voorgesteld om mee te doen met een overval. Die avond is [medeverdachte3] gebeld, maar die nam niet op. [medeverdachte1] is uiteindelijk niet meegegaan om de delicten te plegen, omdat hij naar huis is gegaan, zo verklaart hij aanvankelijk .

[medeverdachte1] houdt deze lezing enkele verklaringen vol en vult daarbij aan dat hij mogelijk degene is die met het idee van de overval is gekomen, en dat hij weliswaar tegen [naam] en [medeverdachte3] heeft verteld dat hij de overval heeft gepleegd, maar dat hij dit heeft gezegd om stoer te doen. Er heeft volgens [medeverdachte1] wel die avond een voorverkenning plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer2] [medeverdachte2] hem de woning van [slachtoffer1] heeft aangewezen en hem heeft gezegd dat hij gewoon achterom moest gaan, naar binnen moest gaan en [slachtoffer1] moest pakken. Verdachte zou [medeverdachte2] elke keer een beetje hebben aangevuld.

Op het moment dat [medeverdachte1] wordt geconfronteerd met de verklaring van Jan [medeverdachte2] dat [medeverdachte1] bij [slachtoffer1] naar binnen is geweest, legt [medeverdachte1] een uitgebreidere verklaring af. Hij zegt dat hij de middag van de overval in de woning van [medeverdachte1] met [medeverdachte2] heeft gesproken over de overval op [slachtoffer1], verdachte was daar niet bij. Die avond is hij opgehaald door [medeverdachte2] en verdachte in de bus van verdachte. Er is toen onderling gesproken over geld verdienen en hoeveel geld [slachtoffer1] zou hebben. Vervolgens is besproken hoe [slachtoffer1] gepakt zou worden. [medeverdachte1] en [medeverdachte2] spraken erover en verdachte vulde dit steeds aan. Ze zijn toen eerst naar het dorp in Nijkerk gereden, tussen 20 uur en 20.30 uur en toen is [medeverdachte3] gebeld om mee te doen met de overval, maar die nam niet o[naam] de cokedealer ‘[naam] gebeld en zijn ze met z’n drieën naar het weitje in Nijkerk gereden, waar [naam] de coke tussen 20.00 uur en 21.00 uur heeft afgeleverd. Ze zijn nog langs de woning van [slachtoffer1] gereden, die [medeverdachte2] aan [medeverdachte1] aanwees. In Spakenburg gingen ze naar een pizzeria en vervolgens reden ze terug naar de woning van [slachtoffer1]. [medeverdachte1] gaat daar naar binnen en haalt een six-pack bier, terwijl [medeverdachte2] en verdachte in de bus bij het weitje zijn blijven wachten. Het was toen al de bedoeling om de overval te plegen, maar [medeverdachte1] wilde eerst de situatie bekijken. Terug in de bus stelde verdachte voor om ‘de man met de klokjes’ te beroven. Daar is [medeverdachte1] aan de deur geweest, maar die deed niet open. Vervolgens zijn ze wederom naar [slachtoffer1] gereden en heeft verdachte zijn bus weer bij het weitje stilgezet. [medeverdachte1] heeft toen eerst aan [medeverdachte2] gevraagd of hij een pistool had om [slachtoffer1] mee te bedreigen. [medeverdachte2] had dit niet maar zei ‘pak gewoon wat of zo’. [medeverdachte1] pakte toen de hamer die toevallig naast hem lag en [medeverdachte2] zei ‘pak maar’. [medeverdachte1] ging naar de woning van [slachtoffer1] en deed daarbij alsof hij aan het bellen was, zodat hij minder op zou vallen. Eenmaal binnen vroeg hij eerst om sigaretten en daarna om geld. Er ontstond een worsteling met [slachtoffer1], waarbij [slachtoffer1] hem vastpakte. Omdat hij [slachtoffer1] niet loskreeg, heeft [medeverdachte1] hem een of twee keer een klap met de hamer op het hoofd gegeven. [slachtoffer1] viel neer en [medeverdachte1] dacht dat hij dood was. Daarop is [medeverdachte1] weggerend. Terug in de bus zei [medeverdachte1] tegen verdachte en [medeverdachte2] ‘het is fout, volgens mij heb ik die man doodgeslagen joh’. Verdachte werd toen stil en [medeverdachte2] zei ‘het komt wel goed, we praten er gewoon niet meer over’. Vervolgens is de hamer weggegooid in een sloot. Daarna hebben ze met z’n drieën nog een inbraak gepleegd in de Dorpsstraat in Spakenburg, waarbij [medeverdachte1] met een hamer een raam kapot heeft geslagen en twee paardenzadels heeft meegenomen. De zadels heeft [medeverdachte1] in de bus van verdachte gelegd. Dit is gedaan zodat ze toch nog wat hadden.

In het daarop volgende verhoor verklaart [medeverdachte1] dat [medeverdachte2] en verdachte hem samen tussen 19.30 en 20.00 uur kwamen ophalen. Toen heeft [medeverdachte1] samen met [medeverdachte2] [medeverdachte3] proberen te bellen, terwijl verdachte in de bus bleef. In de bus is gesproken over geld maken bij [slachtoffer1] en verdachte vond dit wel goed, hij begon hard te lachen om dit verhaal. Tussen 20.00 en 21.00 uur vond de coke-deal met [naam] plaats en intussen is [medeverdachte1] bier gaan halen bij [slachtoffer1]. Daarna zijn ze naar de woning van [medeverdachte3] gereden om te vragen of hij mee deed aan de overval. Daarvoor was al gebeld naar [medeverdachte3], maar hij nam toen niet op. [medeverdachte3] was niet thuis en daarna zijn [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte naar de pizzeria gegaan. Toen is door verdachte het idee van de ‘klokjesman’ geopperd; hij zei dat [medeverdachte1] niets mee hoefde te nemen, het zou heel makkelijk gaan. Vervolgens zijn ze naar die klokjesman gereden, waar een Porsche Cayenne op de oprit stond. [medeverdachte1] is met een schroevendraaier, die hij uit het bakje in verdachtes bus heeft gepakt naar de deur gegaan. Verdachte heeft gezien dat [medeverdachte1] de schroevendraaier meenam. [medeverdachte2] en verdachte zijn in de bus blijven wachten, en [medeverdachte1] zou de klokjesman om horloges vragen en als hij die niet kreeg, zou hij hem bedreigen met de schroevendraaier. [medeverdachte1] zei tegen de klokjesman dat hij autopech had en vroeg of hij naar binnen mocht, maar de man deed de deur niet open. Toen zijn ze met z’n drieën weer naar [slachtoffer1] gereden. Daar pakte [medeverdachte1] de hamer van de grond van de bus en verdachte heeft toen eerst de hamer met de mouw van z’n trui schoongemaakt. Verdachte zei dat hij zeker moest weten dat er geen vingerafdrukken van hem op de hamer zouden staan. [medeverdachte2] zei [medeverdachte1] het ‘nu wel goed te doen’. Toen [medeverdachte1] terug kwam van de overval zei [medeverdachte2] dat hij er met niemand over moest praten. Daarna kwam [medeverdachte2] met het idee van de diefstal van de paardenzadels en heeft hij de winkel aangewezen .

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte1]

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen van [medeverdachte1] is een deskundigenrapport opgemaakt. Hierin staat dat niet kan worden gesteld dat de bekentenis uit het 12e verhoor door beïnvloeding van verbalisanten is ontstaan. Het lijkt het directe gevolg te zijn van lang op hem inpraten. De deskundige geeft echter aan dat de rechter dient te bepalen of sprake is van ongeoorloofde druk. De rechtbank is van oordeel dat van een dermate hoge druk dat deze als ongeoorloofd moet worden aangemerkt geen sprake is. Inherent aan een verhoorsituatie is dat enige druk op de verdachte wordt uitgeoefend en dat hierbij tevens gebruik gemaakt wordt van confrontatie met voor verdachte belastend materiaal. Uit de verklaringen van [medeverdachte1] kan worden afgeleid dat hij bij zijn verklaring blijft, totdat hij op enig moment geconfronteerd wordt met voor hem belastende verklaringen van verdachte (6e verhoor) en [medeverdachte2] (12e verhoor). Dit maakt dat [medeverdachte1] om die reden allengs meer is gaan bekennen. De deskundige geeft voorts aan dat de wijze waarop en de inhoud van de bekentenissen die volgen, niet de kenmerken hebben van een valse bekentenis en dat [medeverdachte1] uit zichzelf heeft bekend. De toegepaste werkwijze past niet bij een valse verklaring. Met betrekking tot de accuraatheid van de verklaring van [medeverdachte1] moet zijn verklaring voorts bezien worden in het licht van de verklaringen van de verdachten onderling en de overige informatie uit het dossier, welke niet ter beschikking van de deskundige stond.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte1] accuraat zijn, nu zijn verklaringen op diverse punten wordt ondersteund door bewijsmateriaal in het dossier.

Steunbewijs voor de verklaring van [medeverdachte1]

1. [medeverdachte1] heeft verklaard dat de middag voor de overval in zijn woning is gesproken over de overval op [slachtoffer1] door hem en [medeverdachte2]. [medeverdachte3] is toen ook gevraagd mee te doen. [medeverdachte3] is die avond voor de eerste keer gebeld toen [medeverdachte1] werd opgehaald door verdachte en [medeverdachte2] (rb: tussen 19.30 uur en 20.00 uur) en daarna tussen 20.00 uur en 20.30 uur nogmaals om hem te vragen mee te doen met de overval.

Dit wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte3]. Hij heeft naar aanleiding van de uitzending van Opsporing Verzocht op 19 januari 2010, op 20 januari 2010 contact gezocht met de politie en verteld dat [medeverdachte1] de overval op [slachtoffer1] heeft gepleegd. Hij was die middag rond 16.30 uur in de woning van [medeverdachte1], waar ook [medeverdachte2] en [naam] aanwezig waren. [medeverdachte1] zei toen dat hij geld nodig had, waarop [medeverdachte2] zei dat hij een melkboer in Nijkerk kende die aardig wat geld op zak had. [medeverdachte1] stelde toen voor om hem te pakken en stelde voor er die avond naar toe te gaan. [medeverdachte2] vond het goed, [medeverdachte3] en [naam] zeiden nee. [medeverdachte1] droeg een grijs gestreept vest en een capuchon. [medeverdachte1] zei dat hij die avond eerst een sixpack zou kopen en dan de melkboer zou overmeesteren. Ze zouden laat gaan, omdat het dan lekker rustig was. [medeverdachte2] zei dat hij [medeverdachte3] om 20.00 uur zou bellen, of hij mee zou doen met de overval. [medeverdachte3] heeft de telefoon uitgezet zodat [medeverdachte2] hem niet kon bereiken.

Uit de telecomanalyse blijkt dat met de vaste lijn bij [medeverdachte2] thuis (die schuinboven [medeverdachte1] woont) inderdaad, zoals [medeverdachte1] stelt om 19.45 en 19.46 uur getracht is te bellen naar [medeverdachte3]. Vervolgens is om 20.38 uur drie maal gebeld naar het nummer van [medeverdachte3]. Dit nummer behoort toe aan verdachte en verdachte had de telefoon die avond bij zich. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat verdachte vanaf het moment dat [medeverdachte2] en hij [medeverdachte1] hebben opgehaald, zij steeds samen zijn geweest, tot na de overval en dat het mogelijk is dat [medeverdachte2] of [medeverdachte1] met zijn telefoon hebben gebeld die avond. De telefoon van [medeverdachte3] stond inderdaad op de voicemail, zoals [medeverdachte3] verklaart . Verdachte heeft geen andere verklaring gegeven voor de gepleegde telefoontjes, dan door [medeverdachte1] en [medeverdachte3] is verwoord.

Ook [naam] bevestigt het verhaal van [medeverdachte3] en [medeverdachte1] dat hij die middag samen met hen beiden en [medeverdachte2] in de woning van [medeverdachte1] was en dat [medeverdachte2] zei dat hij iemand in Nijkerk wist die je best zou kunnen pakken omdat die veel geld heeft en dat [medeverdachte1] zei dat hij dit ging doen. [medeverdachte3] en [naam] besloten niet mee te doen met de overval .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring van [medeverdachte1] op essentiële punten wordt ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte3], [naam] in samenhang bezien met de telecomanalyse van de belcontacten.

2. [medeverdachte1] heeft voorts verklaard dat hij die avond drie maal bij de woning van [slachtoffer1] in Nijkerk is geweest, de eerste keer om de situatie te verkennen, vervolgens om cocaïne geleverd te krijgen (waarbij naar [naam] is gebeld) en bier te kopen en de derde keer om daadwerkelijk de overval te plegen.

Deze verklaring van [medeverdachte1] wordt ondersteund door de mastgegevens van de telefoon van verdachte en die van [medeverdachte2] (06-84098491). Hieruit valt af te leiden dat met de telefoon van verdachte om 20.07 uur naar de cokedealer [naam] gebeld wordt en dat de telefoon zich toen bevond onder de mast Van [adres]. Vervolgens is om 20.09 en om 20.16 uur door deze Essaidi gebeld naar het nummer van verdachte, en verdachtes telefoon bevond zich toen onder de mast [adres], zijnde de mast waaronder ook de woning van [slachtoffer1] zich bevindt. Om 20.38 uur wordt met de telefoon van verdachte naar [medeverdachte3] gebeld, en op datzelfde tijdstip wordt [medeverdachte2] gebeld door zijn vaste woonaansluiting. Zowel de telefoon van verdachte als die van [medeverdachte2] stralen dan nog steeds masten in Nijkerk aan. Daarna verplaatsen de telefoons zich naar Bunschoten, waar tussen 21.07 en 21.16 de telefoon van [medeverdachte2] de mast Irenestraat Bunschoten aanstraalt. Onder deze mast bevindt zich de pizzeria. Om 22.07 uur bevindt de telefoon van verdachte zich onder de mast Bloemendaalseweg te Nijkerk en bevindt de telefoon van [medeverdachte2] zich op dat tijdstip onder de mast [adres]. Dit wil niet zeggen, anders dan de verdediging betoogt, dat de telefoons niet bij elkaar zijn geweest. De betreffende masten bevinden zich op korte afstand van elkaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat het, gelet op het bereik van de masten heel wel mogelijk is dat de telefoons ondanks de afwijkende masten toch op (nagenoeg) dezelfde plaats zijn geweest. Dat hiervan sprake moet zijn geweest, leidt de rechtbank af uit de verklaringen van zowel [medeverdachte1], [medeverdachte2] en verdachte zelf dat zij de hele avond bij elkaar zijn geweest. Vervolgens bevindt de telefoon van verdachte zich om 22.16 uur aan de Nijverheidsstraat te Nijkerk.

Uit voornoemde mastgegevens kan worden afgeleid dat de verklaring van [medeverdachte1] dat meerdere malen naar de woning van [slachtoffer1] is gereden, hierin bevestiging vindt. Het standpunt van verdachte dat hij maar een keer in Nijkerk is geweest, namelijk ten tijde van de overval (rb: rond 22.30 uur) is dan ook kennelijk onjuist. Dit geldt te meer, nu getuige [getuige1] rond 20.30 uur al een Marokkaans uitziende man in de richting van de Havenstraat te Nijkerk heeft zien lopen, met zwart golvend haar tot in de nek en een vest met een capuchon .Deze beschrijving komt overeen met het uiterlijk van [medeverdachte1] en de kleding die hij die avond droeg. Ook dit onderstreept dat [medeverdachte1], en dus ook [medeverdachte2] en verdachte, tenminste twee maal die avond in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer1] zijn geweest.

3. [medeverdachte1] heeft verklaard dat, vóór de overval op [slachtoffer1] eerst gepoogd is om de ‘klokjesman’ [slachtoffer2] te beroven en dat toen een Porsche Cayenne op de oprit stond. Dit is samen met verdachte en [medeverdachte2] gedaan en verdachte kwam met dit idee. [medeverdachte1] heeft na deze verklaring in een rondrit met de politie de locatie aangewezen waar deze klokjesman zou wonen en ziet op de oprit een man staan die hij herkent als de man die hij heeft gepoogd te beroven.

Dit punt wordt ondersteund door de verklaring van de desbetreffende [slachtoffer2]. Hij geeft aan dat die avond een onguur type aan de deur stond en naar binnen wilde, maar dat hij dat geweigerd heeft. Het betrof een lange slanke man, met een sweatshirt met capuchon. Voorts verklaart [slachtoffer2] dat er die avond een Porsche Cayenne onder de carport stond.

4. [medeverdachte1] heeft verklaard dat hij die avond met [medeverdachte2] en verdachte na de overval op [slachtoffer1] naar een winkel is gegaan waar hij een zadel heeft weggenomen.

Ook deze verklaring vindt bevestiging in de aangifte van de eigenaresse van de Ruitersportzaak A&A, AM de [slachtoffer3]. Zij werd de dag erna gebeld door de politie dat een inbraak in de winkel had plaatsgevonden en ter plaatse zag zij dat de etalageruit was vernield met een moker, die daar nog lag, en dat 1 zadel was weggenomen. Voorts heeft de politie die nacht de melding gekregen van de inbraak van getuige [getuige2]. Die heeft verklaard dat hij om 00.51 uur de politie heeft gebeld nadat hij een harde klap gehoord had en gezien had dat de ruit kapot was.

Tussenconclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte1] betrouwbaar zijn en daarnaast ook accuraat, nu zijn verklaringen op diverse essentiële punten bevestiging vinden in overig bewijsmateriaal in het dossier. De verklaring van verdachte dat hij slechts een maal die avond bij [slachtoffer1] is geweest en geen enkele wetenschap heeft gehad van de overval op [slachtoffer1] die avond, noch van de poging beroving op [slachtoffer2] en de diefstal van het paardenzadel kan dan ook niet langer worden volgehouden. Dit geldt te meer, nu verdachte zelf als ook [medeverdachte2], heeft aangegeven, dat zij die avond steeds bij elkaar zijn geweest.

Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank gelet op het voorgaande bij de bewezenverklaring uitgaat van de juistheid van de verklaring van [medeverdachte1], zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte1] en [medeverdachte2] een tevoren opgesteld plan heeft gemaakt om de overval op [slachtoffer1], de poging overval op [slachtoffer2] en de inbraak bij A&A ruitersportzaak te plegen en ook daadwerkelijk gepleegd heeft op 21 november 2009.

Overig ten aanzien van 05/900291-10

Wetenschap van de hamer

Ten aanzien van de overval op [slachtoffer1] staat vast dat [medeverdachte1] [slachtoffer1] twee maal met een (klauw)hamer heeft geslagen en dat [slachtoffer1] daardoor ernstig hoofdletsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte2] wetenschap hadden dat [medeverdachte1] de overval met de hamer zou plegen en overweegt daartoe dat [medeverdachte1] heeft verklaard dat hij in de bus heeft gevraagd of hij de hamer mee kon nemen en dat [medeverdachte2] dat goed vond. Verdachte heeft de hamer eerst nog schoongemaakt. Deze lezing acht de rechtbank geloofwaardiger dan dat [medeverdachte1] uit eigen beweging en zonder dat de andere twee het hebben gezien de hamer heeft meegenomen. Het is niet geloofwaardig dat als [medeverdachte1] een hamer pakt in de bus, dit door geen van de andere twee inzittenden wordt opgemerkt terwijl zij weten dat [medeverdachte1] een overval gaat plegen. Daarbij valt uit het dossier op te maken dat [medeverdachte1] ten opzichte van de andere twee verdachten meer de rol van loopjongen had en min of meer gebruikt werd om het vuile werk op te knappen. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat een dergelijke overval doorgaans niet gepleegd wordt zonder gebruikmaking van enig wapen.

De rechtbank is dan ook gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte wist dat [medeverdachte1] de overval zou plegen met de klauwhamer en dat hij die indien nodig ook zou gebruiken. Eveneens was daarbij bekend dat het slachtoffer een oudere man betrof. Onder deze omstandigheid was de kans aanmerkelijk dat als [medeverdachte1] de hamer tijdens de overval daadwerkelijk zou gebruiken, hij hiermee [slachtoffer1] dusdanig zou kunnen verwonden dat deze hieraan zou komen te overlijden, nu algemeen bekend is dat een slag met een hamer – zeker op een hoofd - tot dodelijk letsel zou kunnen leiden. Verdachte heeft deze kans bewust aanvaard. Om die reden acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Poging of voltooide overval?

Aangezien is tenlastegelegd dat de poging doodslag werd vergezeld van een overval, althans een poging daartoe, dient tevens de vraag te worden beantwoord of de overval al dan niet is voltooid.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een voltooide overval, gelet op het volgende.

Bij het aantreffen van [slachtoffer1] in de keuken heeft de technische recherche geld aangetroffen in de jaszakken, maar niet in broekzakken. Het aangetroffen geld betrof coupures van 5, 10 , 20 en 50 euro. Op de grond van de keuken, links naast de stoel, lag een biljet van 5 euro. Voorafgaande aan de overval hebben getuigen [getuige3] en [getuige4] gezien dat [slachtoffer1] die avond geld in zijn broekzakken had zitten. [getuige3] zegt dat hij had gezien dat [slachtoffer1] uit zijn broekzak een flink pak geld pakte en [getuige4] verklaart dat hij heeft gezien dat [slachtoffer1] die avond ongeveer 700 euro in één van gewone zakken aan de voorzijde van zijn broek had. [slachtoffer1] heeft zelf verklaard dat hij zijn geld in zijn broekzak bewaart. Ten slotte hebben [medeverdachte3] en [naam] van [medeverdachte1] gehoord dat er een geldbedrag is buitgemaakt bij de overval; [medeverdachte3] spreekt over een bedrag van 900/1000 euro en [naam] over een bedrag van 1000/2000 euro.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 05/900291-10 primair en het onder 05/702374-10 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Parketnummer 05/900291-10

hij op 21 november 2009 te Nijkerk, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk E.L.G.[slachtoffer1] van het leven

te beroven, hierin bestaande dat verdachtes mededader opzettelijk die [slachtoffer1] meermalen met een (klauw)hamer, op en/of tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (doodslag) niet is voltooid, welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een overval, en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

Parketnummer 05/702374-10

1.

hij op 21 november 2009 te Nijkerk, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen goederen (horloges), geheel of ten dele

toebehorende aan J.[slachtoffer2], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen

voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer2], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, tezamen en in vereniging met verdachtes mededaders, met een schroevendraaier, naar de woning van de [slachtoffer2] is gelopen en/of heeft aangebeld en/of op de voordeur heeft geklopt en aan die [slachtoffer2] heeft gevraagd of hij even mocht bellen in verband met autopech en heeft gezegd: "Ik wil naar binnen Jan", althans woorden van dergelijke aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 22 november 2009 te Bunschoten-Spakenburg tezamen en in

vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (Ruitershop A&A) heeft weggenomen een dressuurzadel , geheel of ten dele

toebehorende aan A.M.[slachtoffer3], waarbij verdachte en zijn mededaders

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, (het inslaan van een etalageruit (met behulp van een hamer));

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder parketnummer 05/900291-10 primair tenlastegelegde:

Medeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van het bij parketnummer 05/702374-10 onder 1 tenlastegelegde:

Poging tot diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het bij parketnummer 05/702374-10 onder 2 tenlastegelegde:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, door twee of meer verenigde personen.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 15 februari 2011;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 19 mei 2010;

• een psychiatrisch rapport, opgemaakt door H.T.J. Boerboom, psychiater, gedateerd 18 oktober 2010;

• een psychologisch rapport, opgemaakt door F. de Reeper, psycholoog, gedateerd 13 oktober 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde poging doodslag op E.L.G. [slachtoffer1]. Medeverdachte [medeverdachte1] heeft met een hamer meerdere keren op het hoofd van [slachtoffer1] geslagen. [slachtoffer1] heeft hierdoor zwaar hoofdletsel opgelopen en zal nooit meer de oude worden. [slachtoffer1] is niet overleden maar de kans op overlijden was aanmerkelijk. Verdachte is die avond met zijn bus samen met [medeverdachte2] en [medeverdachte1] naar de woning van [slachtoffer1] gereden. Aldaar hebben hij en [medeverdachte2] [medeverdachte1] naar de woning van [slachtoffer1] gestuurd om de overval te plegen. [medeverdachte1] heeft hierbij een hamer meegenomen uit de bus van verdachte, hetgeen verdachte wist. Hij en medeverdachte [medeverdachte2] hebben in de bus van verdachte op [medeverdachte1] gewacht. Verdachte heeft hiermee - enkel en alleen gedreven door zijn hebzucht naar geld - een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het slachtoffer ondervindt hier zijn gehele verdere leven de lichamelijke en psychische consequenties van. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan.

Tevens heeft verdachte nog een poging diefstal met geweld en een inbraak in een winkel gepleegd.

Psychiater Boerboom concludeert dat verdachte zwakbegaafd is en zich snel laat leiden door derden. Ten tijde van het plegen van het delict was verdachte niet voldoende bij machte om op te komen voor zichzelf. Als verdachte zich niet weer inlaat met een negatief sociaal netwerk, wordt de kans op recidive als laag ingeschat. Deze conclusie wordt ondersteund door psycholoog De Reeper, met dien verstande dat hij hieraan toevoegt dat er bij verdachte ook sprake is van narcistische en achterdochtige trekken in zijn persoonlijkheid. De rechtbank betrekt deze conclusies bij haar oordeel.

De rechtbank oordeelt dat voor de afdoening van de onderhavige zaak – gelet op de ernst van het feit - geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank acht dan ook de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar een passende straf en zal deze straf aan verdachte opleggen. De rechtbank ziet geen reden om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met eventuele bijzondere voorwaarden, zoals voorgesteld door te Reclassering, op te leggen gelet op de duur van de straf.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij E.L.G. [slachtoffer1] vordert een bedrag van € 2.377,23 aan materiële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bij parketnummer 05/900291-10 onder primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, strafbaar gesteld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij E.L.G. [slachtoffer1] vordert voorts een bedrag van € 35.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank acht voldoende bewezen dat de benadeelde partij door het bij parketnummer 05/900291-10 onder primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, strafbaar gesteld in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht, immateri ële schade heeft geleden en dat hij uit dien hoofde terecht aanspraak maakt op vergoeding van die schade. De rechtbank kan in deze strafrechtelijke procedure niet exact vaststellen welk bedrag aan vergoeding voor de geleden immateriële schade passend is. Zij is echter van oordeel dat in ieder geval een bedrag van

€ 10.000,- aan schadevergoeding op zijn plaats is, zodat zij dit bedrag aan de benadeelde partij zal toewijzen. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat een nader onderzoek van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij vordert ten slotte een bedrag van € 2.775,08 aan door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Voor wat betreft gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten hanteert de rechtbank het kantonliquidatietarief. Gelet op de hoofdsom worden deze kosten tot op heden begroot op een bedrag van € 400,00. Voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel blijven de kosten rechtsbijstand buiten beschouwing.

Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 21 november 2010.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevorderde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24 c, 27, 36f, 45, 57, 287, 288, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer ¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij E.L.G. [slachtoffer1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover de mededaders betalen ook veroordeelde daardoor tegenover E.L.G. [slachtoffer1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan E.L.G. [slachtoffer1], te betalen € 12.777,23 (zegge twaalfduizendzevenhonderdzevenenzeventig euro en drieëntwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2010.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 12.377,23, subsidiair 98 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer E.L.G. [slachtoffer1], te betalen € 12.777,23 (zegge twaalfduizenddriehonderdzevenen-zeventig euro en drieëntwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2010, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 98 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mrs. M.M.L.A.T. Doll (voorzitter), W.L.J.M. Duijst en G.J.M. van Wijk,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2011.

mrs. Duijst en Van Wijk zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature