< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende heeft de blote eigendom van een woning. Zijn broer beschikt krachtens erfrecht over het recht van gebruik en bewoning en is in box 1 het eigenwoningforfait verschuldigd over de volledige WOZ-waarde van de woning. In geschil is of de blote eigendom van de woning bij belanghebbende in box 3 is belast. In navolging van de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag bevestigend. Belanghebbende klaagt er over dat er dubbele heffing optreedt. Het hof verwijst naar de parlementaire geschiedenis en oordeelt dat niet kan worden gezegd dat de keuze van de wetgever van redelijke grond ontbloot is. Belanghebbendes broer heeft in beginsel ook recht op renteaftrek in box 1, waarmee de door belanghebbende aangehaalde dubbele heffing gerechtvaardigd wordt.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00370

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 juni 2009, nummer AWB 08/4611, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Oost-Brabant van de rijksbelastingdienst, kantoor Eindhoven,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.896 en uit sparen en beleggen van € 46.393, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 17 juni 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

"2.1. Belanghebbende beschikte in 2006 over de blote eigendom van de woning gelegen aan de A-straat 33by te Y (hierna: de woning). De broer van belanghebbende beschikte krachtens erfrecht over het recht van gebruik en bewoning van de woning en was ter zake hiervan in box 1 het eigenwoning forfait verschuldigd over de volledige WOZ-waarde van de woning. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2006 in box 3 de blote eigendom van de woning aangegeven voor een bedrag van € 182.155. Deze waardering als zodanig staat niet ter discussie."

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de blote eigendom van de woning terecht in box 3 is belast.

In dit verband stelt belanghebbende dat sprake is van dubbele belastingheffing, nu zijn broer ter zake van het recht van gebruik en bewoning van de woning reeds voor de volledige WOZ-waarde (via het eigenwoningforfait) in de heffing wordt betrokken in box 1. Belanghebbende is daarom van mening dat de in geschil zijnde vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur en tot verlaging van de aanslag tot een naar een box 3 inkomen van € 44.895. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur.

4. Gronden

4.1. De Rechtbank heeft als volgt beslist:

"(...)

2.3. Ingevolge artikel 5.22, tweede lid, van de Wet IB 2001 worden bezittingen waarop een genotsrecht is gevestigd in box 3 gewaardeerd op het verschil tussen de waarde van de onbezwaarde bezitting en de overeenkomstig artikel 18 jo. artikel 19 Uitvoeringsbesluit IB 2001 vastgestelde waarde van het genotsrecht.

2.4. Gelet op het voornoemde artikel is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de blote eigendom van de woning bij belanghebbende terecht in box 3 is belast voor de waarde van de volle eigendom minus de krachtens artikel 18 Uitvoeringsbesluit IB 2001 bepaalde waarde van het recht van gebruik en bewoning (vruchtgebruik).

2.5. Nu de rechtbank niet bevoegd is om een wet in formele zin op innerlijke waarde of billijkheid hiervan te toetsen en de rechtbank niet is gebleken dat er sprake is van discriminatie in de zin van artikel 26 en artikel 14 EVRM , zoals belanghebbende heeft aangevoerd, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

(...)".

4.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen ten aanzien van belanghebbendes grief, dat de wetgever een niet te rechtvaardigen discriminatie als bedoeld in artikel 26 IVBPR en 14 EVRM in het leven zou hebben geroepen.

4.3. Terecht verwijst de Inspecteur op pagina 2 van zijn verweerschrift in hoger beroep naar het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2008, nr. 07/10150, VN 2008/38.6:

"(...)

3.3. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een met artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM of artikel 1 van het Twaalfde protocol bij het EVRM strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat oordeel van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

(...)"

4.4. Belanghebbendes grief is vooral dat er dubbele heffing optreedt. Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt:

"(...) Met betrekking tot de constatering van deze fractieleden dat ingeval van een vruchtgebruiktestament over de blote-eigendomswaarde van een eigen woning dubbele heffing plaats vindt merken wij het volgende op.

Wanneer de door het testament ontstane splitsing blote eigendom versus vruchtgebruik betrekking heeft op een eigen woning, wordt dit voor de toepassing van de eigenwoningregeling als het ware genegeerd; de vruchtgebruiker wordt voor de WOZ-waarde van de woning in het eigenwoningforfait betrokken. Dit hangt samen met de door ons gedeelde maatschappelijke behoefte om in erfrechtsituaties voor de vruchtgebruiker de eigenwoningregeling van toepassing te laten zijn. Dat daarbij de gehele woning in het eigenwoningforfait wordt betrokken, vloeit voort uit het forfaitaire karakter van de huurwaardebijtelling. Daarbij komen de jaarlijkse voordelen uit het vruchtgebruik van een woning exact overeen met het woongenot. Hiervan vormt vervolgens het huurwaardeforfait een passende vaststelling. Daartegenover heeft de vrucht-gebruiker door de toepassing van de eigenwoningregeling eveneens recht op hypotheekrenteaftrek. De constatering dat de krachtens een vruchtgebruiktestament verkregen blote eigendom tevens in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing valt, is terecht. Dit vloeit echter voort uit de wetsfictie dat tot de rendementsgrondslag behorende vermogensbestanddelen geacht worden rendement in economische zin op te leveren. Dit geldt derhalve ook voor de onderhavige categorie blote eigendommen. De blote eigenaar geniet immers jaarlijks een stukje van de aangroei van zijn blote eigendom naar de volle waarde van het vermogensbestanddeel. De door de fractieleden voorgestelde oplossing om ook de blote eigenaar in box I te betrekken strookt niet met de gedachte van het nieuwe stelsel om de eigenwoningregeling toe te snijden op die gevallen waarin echt sprake is van een eigen woning. In dit verband past ook dat de eigenwoningregeling bij partners is beperkt tot één woning."

NV, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 253-254.

4.5. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de keuze van de wetgever van redelijke grond ontbloot is. Belanghebbendes klacht dat er ongeoorloofd wordt gediscrimineerd is ook naar de mening van het Hof ongegrond.

Het Hof wijst erop dat een houder van een recht van gebruik en bewoning, zoals belanghebbendes broer, in beginsel ook recht heeft op renteaftrek in box 1, waarmee de door belanghebbende aangehaalde dubbele heffing gerechtvaardigd wordt.

4.6. Belanghebbende heeft ter zitting nog de grief toegevoegd dat het betrekken van de bloot-eigenaar in box 3 leidt tot een buitensporige last. Het Hof kan belanghebbende niet volgen.

De keuze van de wetgever is niet van redelijke grond ontbloot. Naar het oordeel van het Hof is hier geen sprake van een buitensporige last.

4.7. Het Hof wijst daarbij op de conclusie van A-G IJzerman, de dato 3 mei 2010, nr. 09/03219, waarin de A-G opmerkt:

"(...)

Een verdragsstaat dient bij het treffen van een maatregel die leidt tot een ontneming van eigendom als bedoeld in het vorenvermelde artikel 1 (Hof: Eerste Protocol bij het EVRM) een 'fair balance' te treffen tussen de eisen van het algemeen belang en die van de bescherming van fundamentele rechten van het individu. Bij de beoordeling van de vraag of een staat aan dit vereiste heeft voldaan dient een 'wide margin of appreciation' aan die staat te worden toegekend, zeker indien het belastingmaatregelen betreft. (...)."

4.8. Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever in het onderhavige geval de grenzen van deze 'wide margin of appreciation' niet overschreden. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid, dat zowel bij hem als bij zijn broer ten aanzien van één zaak wordt geheven, brengt naar het oordeel van het Hof niet mee dat de wet leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daarbij verwijst het Hof wellicht ten overvloede ook nog naar de tegemoetkoming van artikel 3.123a van de Wet IB 2001 .

De in onderdeel 4.6 genoemde nadere grief van belanghebbende is daarom eveneens ongegrond. Het hoger beroep van belanghebbende moet ongegrond worden verklaard.

4.9. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 september 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature