Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering tot een (bruto)bedrag van in totaal € 145.461,25. Inkomsten uit arbeid. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Gelet op alle omtrent appellant beschikbare informatie heeft het Uwv zich aan de hand van het ter zake opgestelde - en naar het oordeel van de Raad op zorgvuldige wijze tot stand gekomen - rapport werknemersfraude van 30 oktober 2003, waarin ook reeds een schatting/berekening van de inkomsten van appellant is gegeven, terecht op het standpunt gesteld dat appellant in elk geval sedert 1 januari 1999 werkzaamheden voor de BV en de LDA’s heeft verricht en in verband daarmee in de relevante jaren inkomsten heeft gehad die voor de bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid van belang zijn. Aan appellant is destijds toestemming verleend voor lichte administratieve werkzaamheden voor het vermogensbeheer van de in 1989 door hem verkregen nalatenschap van zijn vader. Op basis van het verhandelde ter zitting, gaat de Raad ervan uit dat appellant zich toen reeds gemiddeld gedurende acht uur per week bezig hield met dat privé-vermogensbeheer, ook aangeduid als het normale vermogensbeheer. Naast dit aan het Uwv opgegeven lichte administratieve werk was er sprake van andere werkzaamheden waarmee appellant een inkomen heeft verworven. Van die werkzaamheden en daarmee van de (uren)omvang daarvan en het desbetreffende inkomen heeft appellant geen melding gemaakt bij het Uwv. Gelet op de geschatte hoogte van het inkomen van appellant in de onderhavige periode heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat het Uwv terecht beslist dat appellant met ingang van 1 januari 1999 geen recht (meer) heeft op een WAO-uitkering en dat die uitkering per die datum moet worden ingetrokken. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het Uwv bij het bestreden besluit op goede gronden heeft geconcludeerd dat sprake is van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en dat ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO tot terugvordering diende te worden overgegaan. Van dringende redenen om van de terugvordering van het desbetreffende bedrag af te zien als bedoeld in het vierde lid van artikel 57 van de WAO is ook de Raad niet gebleken.

Uitspraak



06/2229 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2006, 05/715 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tazelaar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 4 oktober 2007 en 6 november 2007 heeft het Uwv desgevraagd nadere informatie verschaft.

De gemachtigde van appellant heeft de Raad bij brief van 26 mei 2010 zijn standpunt nader toegelicht onder toezending van nieuwe stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2010 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tazelaar en zijn boekhouder J. de Bruijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. van der Horst, bijgestaan door de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, [naam functie] bij het hoofdkantoor van het voormalige GAK, ontving sedert 26 mei 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar aanleiding van een melding bij zijn afdeling Fraude, Preventie en Opsporing in december 2002 heeft het Uwv een onderzoek laten instellen in verband met vermeende werkzaamheden van appellant, met name bij [naam B.V.] (hierna: de BV), van welke vennootschap appellant sedert april 1996 directeur/enig aandeelhouder (hierna: dga) is. De BV, waarbij geen personeelsleden in dienst zijn, heeft als doelstelling aan- en verkopen, huren en verhuren en beheren van onroerende zaken. In verband daarmee zijn in Portugal ook enkele dochterondernemingen (hierna: LDA’s) door appellant, althans mede door appellant opgericht. Uit het frauderapport van

30 oktober 2003, waaronder een verhoor van appellant op 29 oktober 2003, is naar voren gekomen dat appellant in elk geval sinds 1999, naast het administratieve werk dat hij aan het Uwv had opgegeven, ook ander werk heeft verricht.

2.1. Bij besluit van 16 september 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken, op de grond dat appellant gelet op zijn verdiensten uit arbeid minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

2.2. Bij besluit van 17 september 2004 heeft het Uwv hetgeen ingevolge de WAO onverschuldigd is betaald teruggevorderd van appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 september 2004, tot een (bruto)bedrag van in totaal

€ 145.461,25.

2.3. De bezwaren die appellant tegen deze twee besluiten heeft ingediend zijn bij besluit van 21 februari 2005 (hierna: bestreden besluit) door het Uwv ongegrond verklaard.

2.4. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit gerichte beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant geen gronden van medische aard naar voren gebracht met betrekking tot de onderdanige besluitvorming. Hij heeft - kort samengevat - aangevoerd dat hier geen sprake is van feitelijke inkomsten uit arbeid omdat hij geen werkzaamheden heeft verricht waarmee hij een substantieel inkomen heeft verdiend, en dat er slechts sprake was van enige verdiencapaciteit. Tijdens het verhoor op 29 oktober 2003 heeft appellant naar voren gebracht dat hij geen werkzaamheden heeft verricht, althans slechts administratieve werkzaamheden waarvoor hij van het uitvoeringsorgaan toestemming had. Ten onrechte is derhalve met ingang van 1 januari 1999 de WAO-uitkering beëindigd en het desbetreffende bedrag teruggevorderd. Appellant heeft ter zitting zijn stelling herhaald dat hij over de hier van belang zijnde periode gemiddeld maximaal één dag per week werkzaamheden heeft verricht. Voor zover er destijds sprake is geweest van inkomen betrof dit inkomen uit vermogen en (vrijwel) geen inkomen uit arbeid, behoudens in het jaar 2004.

4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de activiteiten van appellant voor de BV en voor de in Portugal opgerichte LDA’s zijn aan te merken als arbeid in het economisch verkeer en niet als normaal vermogensbeheer. Voorts waren de door appellant verhuurde bedrijfspanden ondergebracht in de BV, zodat de desbetreffende inkomsten uit verhuur een onderdeel vormen van de totale winst van de BV en de totale winst is het resultaat van de inspanningen van appellant. Het Uwv heeft hierbij gewezen op de uitspraak van de Raad van 5 december 2008, LJN BG6753. Aangezien appellant deze activiteiten en het daarmee verworven inkomen niet heeft opgegeven aan het Uwv, moest het Uwv het inkomen van appellant schattenderwijs bepalen. Het Uwv is daarbij uitgegaan van het fictieve inkomen van een dga zoals dat in vergelijkbare gevallen door de belastingdienst wordt gehanteerd. Deze fictieve loonwaarde is gesteld op € 38.118,-- per jaar en kan, gelet op de werkzaamheden die moeten hebben plaatsgehad in de diverse vennootschappen en de forse toename van de fiscale reserve van nihil in 1998 tot € 443.921,-- in 2003, als voorzichtig/laag worden bestempeld. Inkomen uit vermogen telt alleen dan niet mee bij de vaststelling van de verdiencapaciteit, voor zover er sprake is van normaal vermogensbeheer.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

5.1. Gelet op alle omtrent appellant beschikbare informatie heeft het Uwv zich aan de hand van het ter zake opgestelde - en naar het oordeel van de Raad op zorgvuldige wijze tot stand gekomen - rapport werknemersfraude van 30 oktober 2003, waarin ook reeds een schatting/berekening van de inkomsten van appellant is gegeven, terecht op het standpunt gesteld dat appellant in elk geval sedert 1 januari 1999 werkzaamheden voor de BV en de LDA’s heeft verricht en in verband daarmee in de relevante jaren inkomsten heeft gehad die voor de bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid van belang zijn. Aan appellant is destijds toestemming verleend voor lichte administratieve werkzaamheden voor het vermogensbeheer van de in 1989 door hem verkregen nalatenschap van zijn vader. Op basis van het verhandelde ter zitting en de stelling van appellant zoals die blijkt uit overweging 4.10 van de aangevallen uitspraak, gaat de Raad ervan uit dat appellant zich toen reeds gemiddeld gedurende acht uur per week bezig hield met dat privé-vermogensbeheer, ook aangeduid als het normale vermogensbeheer.

5.2. Naast dit aan het Uwv opgegeven lichte administratieve werk was er sprake van andere werkzaamheden waarmee appellant een inkomen heeft verworven. Van die werkzaamheden en daarmee van de (uren)omvang daarvan en het desbetreffende inkomen heeft appellant geen melding gemaakt bij het Uwv. Appellant heeft geen volledige openheid van zaken gegeven aan het Uwv, over de ontwikkelingen/veranderingen in zijn werkzaamheden met betrekking tot het normale vermogensbeheer en met name niet wat betreft zijn werkzaamheden voor en inkomsten uit de door hem opgerichte BV en de LDA’s. Concrete gegevens over de werkzaamheden en financiële situatie van appellant in 1992 ontbreken eveneens, ook appellant heeft dienaangaande geen concrete/verifieerbare informatie verschaft, zodat een schatting door het Uwv over (de omvang van) het vermogensbeheer aanvaardbaar is. De Raad merkt nog wel op dat appellant ter zitting heeft verklaard dat hij in 2001 en 2002 meer heeft gewerkt dan nodig is voor het normale vermogensbeheer. In dit verband wijst de Raad er tevens op dat appellant bij - onherroepelijk geworden - vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 juli 2009 is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, omdat hij in de periode van 1 juli 2000 tot en met 28 oktober 2003 opzettelijk heeft nagelaten gegevens te verstrekken aan het Uwv die van belang waren voor (de hoogte van) zijn WAO-uitkering. Het betrof hier blijkens dat vonnis huurpenningen die appellant had ontvangen uit de verhuur van onroerend goed en werkzaamheden die hij had verricht waaruit hij inkomsten had en te goed had. Met de rechtbank acht de Raad de wijze aanvaardbaar waarop het Uwv de omvang van de inkomsten uit arbeid heeft bepaald. Weliswaar kent de Raad in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en gehonoreerde - keuze, maar daarvan kan worden afgeweken, indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in het onderhavige geval sprake. Appellant had als dga de zeggingsmacht over de in de desbetreffende jaren voor zijn vennootschappen gemaakte winst en de inkomsten die hij in verband daarmee zichzelf kon toerekenen. Hij heeft beslist en daartoe de nodige activiteiten ondernomen om deze inkomsten met toestemming van de belastingdienst te reserveren voor investeringen in latere jaren. Met de rechtbank en op de gronden die zij daartoe heeft gebezigd is de Raad van oordeel dat de acceptatie door de belastingdienst van de nihilstelling van het inkomen van appellant over enig jaar er niet toe leidt dat appellant geen inkomsten uit arbeid kunnen worden toegerekend nu om fiscale redenen en om redenen van de door appellant gewenste bedrijfsvoering, als herinvesteringsreserve is verlegd naar latere belastingjaren. In 2004 zijn uit die reserve twee panden aangekocht en heeft de belastingdienst aan appellant voor de toepassing van de belastingwetgeving wel een bedrag aan inkomen als dga toegerekend.

5.3. Gelet op de geschatte hoogte van het inkomen van appellant in de onderhavige periode heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat het Uwv terecht beslist dat appellant met ingang van 1 januari 1999 geen recht (meer) heeft op een WAO-uitkering en dat die uitkering per die datum moet worden ingetrokken.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het Uwv bij het bestreden besluit op goede gronden heeft geconcludeerd dat sprake is van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en dat ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO tot terugvordering diende te worden overgegaan. Van dringende redenen om van de terugvordering van het desbetreffende bedrag af te zien als bedoeld in het vierde lid van artikel 57 van de WAO is ook de Raad niet gebleken.

5.5. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen brengt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.L. de Gier.

TM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature