< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/262 14 april 2010

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 11 februari 2008,

gemachtigde: mr. J.G. Mahn, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 12 februari 2008, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 14 november 2006 door appellante ingediend tegen drs. C RA (hierna betrokkene).

Bij een op 11 april 2008 ingediend beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 27 mei 2008 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 30 juli 2008 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brief van 10 november 2009 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Op 17 december 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Betrokkene is eveneens verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam. Voor betrokkene is voorts verschenen ir. D, werkzaam bij het kantoor van betrokkene.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht klachtonderdeel D gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellante heeft beroep ingesteld tegen het gedeeltelijk ongegrond verklaren van klachtonderdeel D alsmede tegen het ongegrond verklaren van klachtonderdeel E door de raad van tucht.

Grieven met betrekking tot de beslissing ten aanzien van klachtonderdeel D.

3.2 Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep, voor zover het is gericht tegen de beslissing ten aanzien van klachtonderdeel D, niet-ontvankelijk is nu dit klachtonderdeel gegrond is verklaard door de raad van tucht. Betrokkene verwijst in dit verband naar uitspraken van het College van 5 september 2002 en 21 oktober 2004 (respectievelijk AWB 00/920 en 00/921; &lt;www.rechtspraak.nl&gt;, LJN: AE8805 en AWB 02/1870 en 02/1871; &lt;www.rechtspraak.nl&gt;, LJN: AR8279).

Het College overweegt dat – overeenkomstig zijn vaste rechtspraak op dit punt, onder meer in de hierboven aangehaalde uitspraken – uit artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountants volgt dat tegen een beslissing van de raad van tucht beroep kan worden ingesteld door de klager, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. De raad van tucht heeft in onderhavige uitspraak het betreffende klachtonderdeel gegrond verklaard voor zover het was gericht tegen het achterhouden van de brief van de heer E bij het aanvullende rapport. De raad van tucht is, gelet hierop, van oordeel dat het aanvullende rapport een deugdelijke grondslag ontbeert. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard.

Appellante betoogt ten aanzien van de beslissing op klachtonderdeel D dat niet alleen het aanvullende rapport een deugdelijke grondslag ontbeert, maar het gehele onderzoek. Gelet hierop, bezien in het licht van het bepaalde in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountants , kan appellante naar het oordeel van het College in beroep komen tegen de beslissing van de raad van tucht voor zover klachtonderdeel D ongegrond is verklaard. Het beroep tegen het gedeeltelijk ongegrond verklaren van klachtonderdeel D is dan ook ontvankelijk.

3.3 In de eerste grief stelt appellante dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan artikel 3 van de gedragsrichtlijn inzake persoonsgerichte accountantsonderzoeken. Betrokkene heeft volgens appellante geen duidelijke onderzoeksmethodiek gehanteerd en niet is gebleken dat voorafgaand aan het onderzoek een onderzoeksprocedure, -strategie en -stappen zijn vastgesteld. Nu de wijze van onderzoek niet duidelijk is kan op basis van de beschikbaar gestelde informatie het onderzoek niet worden herhaald, wat essentieel is voor een degelijk onderzoek.

Het College overweegt hieromtrent het volgende. In artikel 3.1 van voormelde gedragsrichtlijn is het volgende bepaald:

"De accountant is onpartijdig in zijn oordeel, zoals vastgelegd in artikel 9, lid 1 GBR-1994. Dit houdt onder meer in dat de rapportage niet eenzijdig is. Daarvoor is nodig dat de accountant zelfstandig de onderzoeksprocedure,

-strategie en -stappen vaststelt.?

Hieruit blijkt dat de accountant in het kader van de onpartijdigheid de te ondernemen stappen zelfstandig moet vast stellen. Deze bepaling vereist dus zelfstandigheid en niet voorafgaande vaststelling en bekendmaking van de wijze van onderzoek zoals appellante stelt. Gesteld noch gebleken is dat betrokkene niet zelfstandig tot vaststelling van de onderzoeksprocedure, -strategie en -stappen is gekomen. Daarnaast blijkt, naar het oordeel van het College, uit het plan van aanpak afdoende de opzet van het onderzoek. Nu ter zitting is bevestigd dat het onderzoek is verricht aan de hand van gemaakte "images" (exacte kopieën) van de originele bestanden oordeelt het College dat er geen grond is aan te nemen dat het onderzoek niet herhaald zou kunnen worden, nog daargelaten of dit voortvloeit uit artikel 3.1 van voormelde gedragsrichtlijn. Deze grief slaagt dan ook niet.

3.4 Voorts richt appellante zich in de tweede grief tegen het eenzijdige beeld dat door de wijze van rapporteren door betrokkene is ontstaan. Appellante stelt - samengevat - dat betrokkene zeer selectief is geweest in het rapporteren over bepaalde aangetroffen computerprogramma’s.

Betrokkene heeft aangegeven dat hij deze programma’s niet in het rapport heeft opgenomen, omdat deze zowel privé als zakelijk gebruikt kunnen worden en derhalve niet zouden bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvraag. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij een feitelijke weergave heeft gegeven zonder zich daarbij een oordeel te vormen over het gebruik.

Het College volgt betrokkene hierin niet. Het onderzoek was immers juist gericht op het - totale - gebruik van de personal computer. Bij een feitelijke weergave van de aangetroffen computerprogramma’s is het niet aan betrokkene een keuze te maken in wat hij wel of niet opneemt in zijn rapportage. Bovendien heeft hij met de opsomming, zoals opgenomen in het rapport, de indruk gewekt een volledige weergave te hebben gegeven. Uit het rapport blijkt geenszins dat dit slechts een beperkte weergave behelst. Met appellante is het College van oordeel dat met het weglaten van werkgerelateerde programma’s, en door alleen te rapporteren over programma’s die voornamelijk voor privé-doeleinden worden gebruikt, een vertekend beeld is ontstaan van de feitelijke situatie. Betrokkene heeft er hiermee blijk van gegeven op selectieve wijze te rapporteren, hetgeen hem tuchtrechtelijk aan te rekenen is.

Deze grief slaagt derhalve.

3.5 In de derde grief richt appellante zich tegen het eenzijdig en onvolledig rapporteren door betrokkene over het gebruik van het internet door appellante. In het rapport staat een tabel opgenomen waaruit zou blijken hoe vaak appellante een website heeft bezocht. Appellante heeft aangevoerd dat de bedoelde telling in het geheel niet ziet op het aantal malen dat een website is bezocht, maar op het aantal ontvangen bestanden van de bezochte website, waar overigens een bezoeker van de website geen invloed op zou kunnen uitoefenen.

Betrokkene heeft bevestigd dat de vermelde telling ziet op het aantal ontvangen bestanden. Naar de mening van betrokkene behoefde dit in het rapport geen nadere uitleg, omdat het rapport alleen bestemd was voor de werkgever.

Ten aanzien van deze grief overweegt het College als volgt.

In het rapport van 8 september 2006 staat onder paragraaf 6.5.2 :

"De Internet geschiedenis van de computer is integraal in bijlage 2 opgenomen. De tien meest [de meest] bezochte websites in de periode maart 2006 zijn in Tabel 2 opgenomen. (…)."

Tabel 2 is in twee kolommen opgedeeld met in de ene kolom de naam van de website en in de andere kolom de vermelding van het aantal malen dat de website is bezocht. Ook in bijlage 2 is deze rubricering aangehouden en zijn de bezochte websites integraal opgenomen op volgorde van het aantal malen dat de website is bezocht.

Tussen partijen is niet in geschil dat het getal dat is opgenomen in de kolom "aantal malen bezocht" niet betekent dat de website ook zoveel keer is bezocht. Op verschillende plaatsen in het rapport maakt betrokkene evenwel ten aanzien van websites melding van "aantal malen bezocht", terwijl betrokkene kennelijk wist of althans behoorde te weten dat het opgenomen getal geen juiste aanduiding was van het aantal keren dat appellante een website zou hebben bezocht. Dat het hier een rapport betreft dat alleen bestemd is voor de opdrachtgever, doet niet af aan de omstandigheid dat sprake is van een onjuiste weergave van de feiten die gemakkelijk verkeerd kan worden uitgelegd. Het College is dan ook van oordeel dat de rapportage met betrekking tot het surfgedrag eenzijdig en onvolledig is waardoor de indruk kan ontstaan van oneigenlijk gebruik van de computer. Deze grief slaagt eveneens.

3.6 Ingevolge artikel 11 (van de Verordening Gedrags- en beroepsregels Registeraccountants 1994 ) (GBR-1994) doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid. Het College is op grond van het onder 3.4 en 3.5 overwogene van oordeel dat door de handelwijze van betrokkene niet alleen - zoals de raad van tucht heeft geoordeeld - het aanvullend rapport een deugdelijke grondslag ontbeert maar dat dit geldt voor het onderzoek als geheel. Klachtonderdeel D wordt dan ook, voor zover dit in beroep aan de orde is, alsnog gegrond verklaard.

Grief met betrekking tot de beslissing ten aanzien van klachtonderdeel E.

3.7 In de grief gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel E stelt appellante zich op het standpunt dat de raad van tucht ten onrechte voorbij is gegaan aan de schending van haar privacy door betrokkene. Betrokkene heeft privé e-mail van appellante geopend, gelezen en hierover gerapporteerd zonder dat hij hiertoe gerechtigd was. Bij het onderzoek heeft betrokkene dan ook op onrechtmatige wijze kennis genomen van de inhoud van privé-gegevens en -informatie, hetgeen appellante een ernstige inbreuk op haar privacy acht.

Ter zitting heeft betrokkene, bij monde van de bij het onderzoek betrokken forensisch onderzoeker ir. D, bevestigd dat privé e-mails zijn geopend en gelezen. Betrokkene heeft verklaard dat de mails zijn geïndexeerd en dat met zoektermen is gezocht naar werkgerelateerde e-mails. De afbeelding van de e-mail zoals opgenomen in de rapportage is een geanonimiseerde weergave, de tekst behorend bij de e-mail is niet opgenomen. Voorts heeft betrokkene zoekopdrachten uitgevoerd om te bekijken of de computer is gebruikt in strijd met de e-mail gedragsrichtlijn van de werkgever. Betrokkene stelt de privacy van appellante steeds te hebben gerespecteerd en te menen dat deze wijze van onderzoeken algemeen aanvaard is bij onderzoeken als onderhavige.

Het College overweegt ten aanzien van deze grief als volgt.

Bij de beoordeling van deze grief is van belang dat de computer zich bevond in de privé-omgeving van appellante. Gebleken is dat via de computer slechts toegang bestond tot internet via de eigen internetaansluiting van appellante. Voorts is vastgesteld dat met de computer geen verbinding kon worden gelegd met het geautomatiseerde systeem van de werkgever. Hiervan was betrokkene ook tijdens het onderzoek op de hoogte.

Naar het oordeel van het College heeft betrokkene bij de uitvoering van zijn onderzoek onvoldoende acht geslagen op deze omstandigheden. Betrokkene heeft de computer behandeld als een werk-computer, deel uitmakend van het computer-netwerk van de werkgever. Nu hiervan evenwel geen sprake was, had betrokkene meer terughoudendheid moeten betrachten bij het onderzoeken van het privé-gebruik van de computer. Van belang is voorts dat het in casu geen onderzoek betreft naar privé e-mails, verzonden vanaf een door de werkgever beschikbaar gestelde mailaccount, maar een onderzoek naar e-mails verzonden vanaf een privé-account van appellante. Appellante heeft vanaf het begin van het onderzoek aangegeven dat er zich privé e-mail op de computer bevond zodat niet valt in te zien dat een onderzoek, zoals dat heeft plaatsgevonden, daadwerkelijk nodig was.

Naar het oordeel van het College bestond er onder de genoemde omstandigheden geen grond om de privé e-mailboxen van appellante te openen en te lezen, laat staan daaromtrent te rapporteren. Het had veeleer op de weg gelegen van betrokkene te volstaan met de constatering dat met de computer geen verbinding mogelijk was met het geautomatiseerde systeem van de werkgever, dat privé e-mailboxen zijn aangetroffen op de computer en dat er via de computer gebruik is gemaakt van het internet via de privé-aansluiting van appellante. Het rapporteren zoals betrokkene in casu heeft gedaan is onder deze omstandigheden onzorgvuldig te noemen.

Door inhoudelijk te rapporteren over het privé-gebruik van de computer heeft betrokkene de privacy van appellante geschonden. Naar het oordeel van het College heeft betrokkene door te handelen als hiervoor beschreven niet alleen het door appellante genoemde artikel 5 van de gedragsrichtlijn inzake persoonsgericht accountantsonderzoek (als uitwerking van artikel 10 GBR-1994 ) overtreden, maar daarmee ook gehandeld in strijd met artikel 7 van de ze richtlijn. Aldus heeft betrokkene de eer van de stand der registeraccountants geschonden en daarmee artikel 5 GBR-1994 overtreden.

De grief gericht tegen het ongegrond verklaren van klachtonderdeel E is dan ook gegrond.

3.8 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep van appellante gegrond is. Dit betekent dat de bestreden tuchtbeslissing, voor zover die ziet op de bestreden klachtonderdelen, moet worden vernietigd.

Het College ziet aanleiding de zaak zelf af te doen en verklaart de klachtonderdelen D en E gegrond gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 tot en met 3.7 is overwogen.

3.9 Ten aanzien van de op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Het College acht de gedragingen die hebben geleid tot de gegrondverklaring van beide klachtonderdelen ernstig. Betrokkene heeft onzorgvuldig en eenzijdig gerapporteerd en heeft tevens de privacy van appellante geschonden. De raad van tucht heeft klachtonderdeel D reeds ten dele gegrond verklaard, zonder oplegging van een maatregel. Alles in aanmerking nemend acht het College oplegging van de maatregel van schriftelijke berisping passend en geboden.

3.10 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel II van de Wet op de Registeraccountants, zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009, en de artikelen 5, 10 en 11 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht voor zover in beroep aan de orde;

- verklaart de klachtonderdelen De en E, voor zover in beroep aan de orde, gegrond;

- legt appellant de maatregel van schriftelijke berisping op.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. J.L.W. Aerts en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L.C. Bannink


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature