Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Aflossing vastgesteld op € 66,-- per maand, de minimale aflossingsnorm voor een alleenstaande. Appellant beschikt over geen enkele bron van inkomsten en evenmin over vermogen. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het College het bedrag van de aflossing op € 0,-- had dienen vast te stellen.

Uitspraak



08/6756 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 oktober 2008, 08/151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting, gevoegd met het onderzoek in de gedingen 08/6727 WWB, 08/6728 WWB en 08/6755 WWB, heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Namens appellant zijn verschenen mr. De Wit en appellants zoon [naam zoon]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.S. van Tricht, werkzaam bij de gemeente Delft.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak worden heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het College, met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), de over de periode van 31 december 1998 tot en met 31 juli 2005 ten behoeve van de echtgenote van appellant gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 95.703,80 mede van appellant teruggevorderd. Het College heeft bij besluit van eveneens 10 mei 2006, voor zover hier van belang, de over de periode van 4 mei 2005 tot en met 31 oktober 2005 ten behoeve van appellant gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.971,40 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 22 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen de beide besluiten van 10 mei 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 16 oktober 2008 het beroep tegen het besluit van 22 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, reg. nr. 08/6727 WWB, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 16 oktober 2008 bevestigd.

1.2. Appellant heeft door middel van een op 12 april 2007 ingevuld Vragenformulier betalingsregeling aan het College opgegeven dat hij geen inkomsten uit of in verband met arbeid en evenmin een uitkering of andere inkomsten ontvangt en dat hij niet beschikt over vermogen. Op dit formulier heeft appellant aangetekend hij geen lasten heeft omdat die worden voldaan door zijn zoon en diens vriendin, bij wie appellant inwoont.

1.3. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het College bepaald dat appellant ter aflossing van zijn schulden met ingang van 1 juni 2007 € 66,-- per maand, de minimale aflossingsnorm voor een alleenstaande, dient te betalen. Bij besluit van 29 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 60, eerste lid (tekst tot 1 juli 2009), van de WWB vermeldt een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand hetgeen teruggevorderd wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gebracht.

4.2. Appellant heeft aan het College opgegeven dat hij over geen enkele bron van inkomsten beschikt en evenmin over vermogen. Het College heeft deze opgave niet bestreden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat appellant ten tijde hier van belang niet beschikte over middelen om af te lossen op de vorderingen van het College. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het College het bedrag van de aflossing per 1 juni 2007 op € 0,-- had dienen vast te stellen. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep van appellant gegrond verklaren en het besluit van 29 november 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Nu het primaire besluit van 23 mei 2007 berust op dezelfde - onhoudbaar gebleken - grondslag als het besluit op bezwaar van 29 november 2007, ziet de Raad voorts aanleiding om, gebruik makend van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van

23 mei 2007 te herroepen in die zin dat het bedrag van de aflossing met ingang van 1 juni 2007 wordt vastgesteld op € 0,--.

4.3. Aangezien herroeping van het besluit van 23 mei 2007 geschiedt wegens aan het College te wijten onechtmatigheid, zal de Raad het College veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

5. De Raad ziet tevens aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 23 mei 2007 en stelt het bedrag van de aflossing per 1 juni 2007 vast op € 0,--;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) C. de Blaeij.

mm


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature