< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Computerciminaliteit. De verdachte (een persbureau) heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk in een database van een ander persbureau (die zich op een server van dat andere persbureau bevond), door onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere aan derden verstrekte inlogcode(s).

Uitspraak



Rolnummer: 22-000701-08

Parketnummer: 09-655023-07

Datum uitspraak: 16 december 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 januari 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 april 2009, 22 september 2009 en 2 december 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 oktober 2002 tot en met 31 oktober 2003 te Amsterdam en/of te Rijswijk, althans in Nederland meermalen, althans één maal, opzettelijk wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, te weten één of meer database van [aangever], in het bijzonder de [naam]-server van [aangever], althans in een deel daarvan, is binnen gedrongen, waarbij zij (telkens) de toegang heeft verworven door een technische ingreep, met behulp van valse signalen en/of een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, immers door (telkens) onbevoegd gebruik te maken van één of meer inlogcode(s) die waren uitgegeven aan (de eenmanszaak) [betrokkene 3];

2. zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 13 oktober 2004 te Amsterdam en/of te Rijswijk, althans in Nederland meermalen, althans één maal, opzettelijk wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, te weten één of meer database van [aangever], in het bijzonder de [naam]-server van [aangever], althans in een deel daarvan, is binnen gedrongen, waarbij zij (telkens) de toegang heeft verworven door een technische ingreep, met behulp van valse signalen en/of een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, immers door (telkens) onbevoegd gebruik te maken van één of meer inlogcode(s) die waren uitgegeven aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2];

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van EUR 4.000,-, waarvan EUR 2.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bevoegdheid

De verdediging heeft ter zitting van 22 september 2009 het verweer gehandhaafd dat de rechtbank ´s-Gravenhage in eerste aanleg onbevoegd was om over de zaak te oordelen en dat dientengevolge het gerechtshof 's-Gravenhage eveneens niet daartoe bevoegd was, zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 24 april 2009.

Het hof is van oordeel dat de motivering die ten grondslag ligt aan de handhaving van het verweer bij het hof niet tot andere inzichten leidt dan zoals verwoord in de motivering van de verwerping van het onderhavige verweer ter zitting van 24 april 2009.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ter zitting van 22 september 2009 het verweer gehandhaafd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur, zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 24 april 2009.

Het hof is van oordeel dat de motivering die ten grondslag ligt aan de handhaving van het verweer bij het hof niet tot andere inzichten leidt dan zoals verwoord in de motivering van de verwerping van het onderhavige verweer ter zitting van 24 april 2009.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde periode sprake is geweest van het bestaan van de [naam]-server, zoals tenlastegelegd in de zinsnede "in het bijzonder de [naam]-server van [aangever]", zijnde een essentieel onderdeel van de tenlastelegging.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 13 oktober 2004 in Nederland meermalen opzettelijk wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, te weten één database van [aangever], de [naam]-server van [aangever] is binnen gedrongen, waarbij zij telkens de toegang heeft verworven met behulp van een valse sleutel, immers door telkens onbevoegd gebruik te maken van één of meer inlogcode(s) die waren uitgegeven aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, op gronden zoals nader omschreven in de door de raadsman ter zitting van 22 september 2009 overgelegde pleitnotitie.

Het hof is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt allereerst vast dat het onder 2 tenlastegelegde een delict betreft dat door een rechtspersoon - de geadresseerde van de norm - kan worden begaan.

Voorts stelt het hof vast dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat door natuurlijke personen, zijnde de redacteuren die gedurende de tenlastegelegde periode werkzaam waren voor de verdachte, door middel van het onbevoegd gebruik van een of meerdere inlogcode(s), die door [eindredacteur] waren meegenomen van zijn vorige werkgevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en door hem aan bij de verdachte werkzame collega-redacteuren beschikbaar was/waren gesteld, meermalen computervredebreuk is gepleegd in de database van [aangever]. Die database bevond zich op de beveiligde [naam]-server van [aangever].

Ten aanzien van de vraag of de genoemde verboden gedragingen van die individuele redacteuren aan de rechtspersoon redelijkerwijs kunnen worden toegerekend, overweegt het hof als volgt.

De gedragingen van de individuele redacteuren werden verricht in het kader van de taak en doelstellingen van de rechtspersoon. Uit het redactiestatuut blijkt dat [verdachte] een persbureau is met een volledig nieuwsaanbod. Uit de verklaring die [eindredacteur] op 24 juni 2009 bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, blijkt dat op de nieuwsredactie gebruik werd gemaakt van de nieuwsdienst van [aangever] en dat die bron als extra check werd gebruikt. [Eindredacteur] heeft voorts verklaard dat men in die tijd bij [verdachte] graag wilde weten wie eerder was met het nieuws: [aangever] of [verdachte]. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de medeverdachte [medeverdachte 1] op 5 september 2007 als getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [verdachte] twee doelstellingen had. De eerste doelstelling was dat [verdachte] een ander geluid wilde laten horen dan [aangever]. De tweede doelstelling was dat [verdachte] iets wilde doen aan de monopoliepositie van [aangever]. Ook [redacteur] heeft tijdens zijn verhoor als getuige bij de raadsheer-commissaris op 19 juni 2009 verklaard dat er sprake was van een journalistieke wedstrijd om [aangever] te verslaan en dat het doel was om eerder nieuws te brengen dan [aangever]. De website van [aangever] werd gecheckt om te zien of zij dat nieuws al eerder hadden gebracht. Volgens [redacteur] joeg de directie van [verdachte] de concurrentie met [aangever] na.

Naar het oordeel van het hof hebben de hiervoor genoemde gedragingen ook in het maatschappelijk verkeer te gelden als gedragingen van de rechtspersoon en zijn die gedragingen bovendien dienstig geweest aan de rechtspersoon. Aldus hebben de hiervoor genoemde gedragingen plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.

Voorts blijkt uit het redactiestatuut dat de leiding van de rechtspersoon zeggenschap kon uitoefenen over de gedragingen van de individuele redacteuren.

De medeverdachte [medeverdachte 2] was aangesteld als algemeen hoofdredacteur. Uitgever/directeur was de medeverdachte [medeverdachte 1]. [Statutair directeur] heeft op 17 februari 2006 bij de politie verklaard dat hoofdredacteur [medeverdachte 2] onder zijn verantwoordelijkheid viel als directeur van [rechtspersoon] en dat [medeverdachte 2] deelnam aan de managementvergadering die eens per twee weken plaatsvond.

[Eindredacteur] heeft op 24 juni 2009 als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij op de binnenlandredactie eindredacteur was en dat hij met hoofdredacteur [medeverdachte 2] de werkwijze in journalistieke zin en technische zaken besprak. [Redacteur] heeft op 19 juni 2009 als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard dat [medeverdachte 2] zijn baas was en dat hij ([redacteur]) zijn rechterhand was. Als chef binnenland had [redacteur] een leidinggevende rol en naast die rol hield hij zich bezig met verslaggeving.

Tenslotte is het hof van oordeel dat de verdachte de verboden gedragingen van de individuele redacteuren heeft aanvaard. [Eindredacteur] heeft op 12 mei 2006 bij de politie verklaard dat hij gedurende de onder 2 tenlastegelegde periode bij [verdachte] heeft gewerkt en dat hij de inlogcodes van [aangever] heeft gebruikt om op de website van [aangever] in te loggen. [Eindredacteur] heeft verklaard dat hij die codes had meegenomen van zijn vorige werkgevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Die inlogcodes van [aangever] zaten op een papiertje op het beeldscherm in de cockpit van [verdachte] geplakt en waren daarmee zichtbaar voor alle redacteuren/gebruikers van die cockpit. [Eindredacteur] heeft verklaard dat hij niet de enige was die de codes gebruikte en dat de lijn dag en nacht open stond.

Tijdens zijn verhoor als getuige bij de raadsheer-commissaris op 24 juni 2009 heeft [eindredacteur] verklaard dat [medeverdachte 2] zijn hoofdredacteur was en dat op de nieuwsredactie - waar [eindredacteur] op dat moment werkzaam was - gebruik werd gemaakt van de nieuwsdienst van [aangever]. Deze bron werd als extra check gebruikt. [Eindredacteur] heeft tevens verklaard dat er geen controle was op de duur waarmee de browser van de nieuwsdienst van [aangever] open stond. Voorts heeft [eindredacteur] verklaard dat hij met [medeverdachte 2] de werkwijze in journalistieke zin en technische zaken besprak en dat hij alleen met [medeverdachte 2] te maken had.

De getuige [eindredacteur] heeft op 19 juni 2009 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij medio 2004 de rechterhand van hoofdredacteur [medeverdachte 2] was geworden op de redactie van [verdachte]. Volgens [redacteur] werd de nieuwsbron van [aangever] veel geraadpleegd op de redactie, hetgeen met behulp van een inlogcode gebeurde. De inlogcode die [redacteur] voor de server van [aangever] gebruikte had hij van [eindredacteur] gekregen. [Redacteur] wist dat [eindredacteur] had gewerkt bij [betrokkene 1] of daar nog werkzaam was. [Redacteur] ging er dan ook vanuit dat die code daar vandaan kwam.

[Redacteur] heeft voorts verklaard dat hoofdredacteur [medeverdachte 2] zijn baas was en dat hij nauw met hem heeft samengewerkt. Tot slot heeft [redacteur] verklaard dat het op de redactie vanzelfsprekend was dat er gebruik werd gemaakt van de server van [aangever]. De redactieleiding heeft met betrekking daartoe in de onder 2 bewezen verklaarde periode lange tijd niet ingegrepen.

Het hof is van oordeel dat uit de bovengenoemde verklaringen blijkt dat de verboden gedragingen van de individuele redacteuren en de feitelijke gang van zaken op de redactie met betrekking tot het gebruik van de server van [aangever] werden gebillijkt.

Het hof is van oordeel dat hoofdredacteur [medeverdachte 2] als leidinggevende opzet had op de verboden gedragingen van de individuele redacteuren en dat die opzet kan worden toegerekend aan de verdachte.

Het hof is overigens van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer dat sprake is geweest van bevoegd gebruik van de inlogcodes door [eindredacteur], moet worden verworpen. Het hof stelt vast dat is gehandeld in strijd met de hierna te noemen overeenkomsten.

Uit de schriftelijke overeenkomst tussen [aangever] Radio B.V. en [betrokkene 2] blijkt immers dat het [betrokkene 2] niet is toegestaan om de dienst aan derden te leveren en dat de rechten en verplichtingen uit die overeenkomst niet zonder toestemming van de wederpartij aan derden overdraagbaar zijn.

Uit de schriftelijke overeenkomst tussen [aangever] en [betrokkene 1] blijkt dat [betrokkene 1] de in de overeenkomst vermelde dienst niet op enigerlei wijze mag doorleveren aan onder meer syndicators ten behoeve van wederverkoop of enige andere toepassing. Tevens is in de overeenkomst vermeld dat de rechten en verplichtingen uit die overeenkomst niet zonder toestemming van de wederpartij aan derden overdraagbaar zijn.

Van toestemming in voornoemde zin door [aangever] Radio B.V. en/of [aangever] is het hof niets gebleken.

Het hof merkt ten aanzien van de laatstgenoemde overeenkomst op dat de verdachte is te beschouwen als de in de overeenkomst vermelde 'syndicator', zijnde een partij die content afkomstig van partijen die content maken, verzamelen, eventueel verrijken en het vervolgens distribueren voor hun afnemers.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Het door een rechtspersoon begaan van

computervredebreuk, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van EUR 4.000,-, waarvan

EUR 2.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het enig bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk in een database van [aangever], die zich op de [naam]-server van [aangever] bevond, door onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere aan derden verstrekte inlogcode(s).

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de financiële omstandigheden waarin de verdachte verkeert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 23, 24, 51, 57 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro).

Beveelt dat een op EUR 1.000,00 (duizend euro) bepaald gedeelte van de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Silvis, mr. Chr.A. Baardman en mr. G.J.W. van Oven, in bijzijn van de griffier mr. M. van der Linden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 december 2009.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature