< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Opzegging huisvuilcontract. Duurovereenkomst. Schadeplichtigheid gemeente Smallingerland.

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 82085 / HA ZA 07-318

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

AFVALSTURING FRIESLAND N.V. (tevens h.o.d.n. OMRIN),

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.H. Lanting, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE SMALLINGERLAND,

zetelend te Drachten,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna Afvalsturing en Smallingerland genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens wijziging van eis, en van antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie

2.1. In art. 4 Afvalstoffenwet (welke wet met de inwerkingtreding van het hoofdstuk "Afvalstoffen" in de Wet milieubeheer per 1 januari 1994 is ingetrokken) was bepaald dat er voor iedere provincie een plan inzake de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen door provinciale staten moest worden opgesteld (een zogenoemd provinciaal afvalstoffenplan). In het provinciaal afvalstoffenplan moest een aanwijzing van gebieden (samenwerkingsgebieden) zijn opgenomen die zich uitstrekte over het grondgebied van meer dan één gemeente. Het plan diende een afgerond geheel van regelingen te bevatten met het oog op de verwijdering van de huishoudelijke afvalstoffen.

2.2. Provinciale staten van Friesland hebben in hun vergadering van 1 juli 1981 een afvalstoffenplan voor de provincie Friesland vastgesteld.

2.3. In dit plan werd onder meer overwogen (p. 5, onder 2):

"De gehele provincie Friesland dient te worden aangewezen als één samenwerkingsgebied als bedoeld in de Afvalstoffenwet. Deze gedachte staat in onmiddellijk verband met het uitgangspunt dat er voor alle gemeenten in Friesland één uniform tarief voor overslag, transport naar de verwerkingsinrichting en voor verwerking moet gelden.

Ter uitvoering van het afvalstoffenplan dient een gemeenschappelijke regeling tussen de gemeenten en de provincie te worden getroffen. Bij deze regeling zal een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam worden opgericht dat is belast met de uitvoering van het plan en met het feitelijk beheer van de afvalverwijdering."

Voorts werd overwogen (p. 85):

"(…)

Tot voor kort was de afvalverwijdering geheel een gemeentelijke taak. Deze overheden droegen zorg voor inzameling, overslag, transport en verwerking van het huishoudelijk afval. Dat doen zij thans nog, maar op grond van de Afvalstoffenwet heeft de provincie ten aanzien van overslag, transport en verwerking een plannende en koördinerende rol gekregen.

(…)

Thans is het dus zo dat ten aanzien van overslag, transport en verwerking van het huishoudelijk afval een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van gemeenten en provincie bestaat.

(…)

Een voorname overweging tot het aanwijzen van de gehele provincie als één samenwerkingsgebied vormde verder het uniforme tarief voor overslag, transport en verwerking van het huishoudelijk afval. De gedachtegang hierbij is, dat het onbillijk is dat gemeenten die zich in relatief ongunstige omstandigheden bevinden (lange transportafstanden; dure verwerkingsmethode) meer voor de verwijdering van hun afval zouden moeten betalen dan gemeenten, die zich in relatief gunstiger omstandigheden bevinden (korte transportafstanden, goedkopere verwerkingsmethode).

Aangezien de afvalverwijdering een taak is die allen in gelijke mate aangaat, dienen alle gemeenten in de kosten daarvan ook in gelijke mate bij te dragen."

2.4. Ter uitvoering van het provinciale afvalstoffenplan hebben provinciale en gedeputeerde staten van Friesland alsmede de raden en colleges van burgemeester en wethouders van de Friese gemeenten (waaronder Smallingerland) in 1982 besloten om een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (zoals deze destijds luidde) aan te gaan ("de Gemeenschappelijke Regeling Afvalverwijdering Friesland", verder te noemen de gemeenschappelijke regeling). Deze regeling is door de Kroon bij besluit van 9 januari 1984 goedgekeurd.

2.5. In deze gemeenschappelijke regeling was - voor zover hier van belang - bepaald:

Artikel 2

Deze regeling wordt aangegaan met het doel te komen tot een doelmatige en, uit een oogpunt van milieuhygiëne, verantwoorde wijze van overslag, transport, bewerking, verwerking en/of vernietiging van huishoudelijke en andere categorieën van afvalstoffen.

Artikel 3

1. Ter uitvoering van het in artikel 2 omschreven doel wordt er een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam gevormd: Openbaar Lichaam Afvalverwijdering Friesland.

Artikel 3 1

1. De door het algemeen bestuur vast te stellen tarieven, als bedoeld in het vorenstaande artikel, zijn voor dezelfde categorie ën afvalstoffen in het gehele plangebied uniform.

Artikel 3 8

1c. Toetreding of uittreding is slechts mogelijk wanneer het algemeen bestuur daarin bewilligt.

1d. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding. Het algemeen bestuur stelt daarbij het aandeel van de uittredende partij in de financiële verplichtingen van het openbaar lichaam vast en bepaalt de duur van deze verplichtingen.

2.6. De gemeenschappelijke regeling is bij besluit van 23 december 1988 gewijzigd. De regeling met betrekking tot de uittreding van een of meer gemeenten luidt sindsdien als volgt:

Artikel 3 3

4. Uittreding van een of meer gemeenten uit deze regeling kan slechts geschieden met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar, mits het desbetreffende besluit tenminste een jaar tevoren aan het algemeen bestuur toegezonden is.

5. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding, zoals het aandeel van de uittredende gemeente in de financiële verplichtingen van het OLAF. De duur van deze verplichtingen bedraagt ten hoogste 5 jaren.

2.7. Begin jaren negentig is er tussen de Friese gemeenten een discussie over de privatisering van de bedrijfsactiviteiten van het Openbaar Lichaam Afvalstoffen Friesland (verder: het OLAF) op gang gekomen. Deze discussie heeft er uiteindelijk toe geleid dat de Friese gemeenten hebben besloten om Afvalsturing op te richten. De oprichting van deze vennootschap heeft bij notariële akte van 2 januari 1995 plaatsgevonden.

2.8. Voorafgaand aan de oprichting van Afvalsturing is OLAF met de vennootschap in oprichting overeengekomen dat zij in het kapitaal van de vennootschap zal deelnemen voor één aandeel en dat dit aandeel zal worden volgestort door inbreng van het door haar te Leeuwarden (onder de naam OLAF) uitgeoefende bedrijf, met alle daartoe op 1 januari 1995 behorende activa, zulks onder de verplichting van Afvalsturing om per 1 januari 1995 alle passiva van OLAF voor haar rekening te nemen en te voldoen.

2.9. Bij notariële akte van 31 mei 1995 heeft zowel de uitgifte van het hiervoor bedoelde aandeel door Afvalsturing aan OLAF alsmede de inbreng van OLAF in Afvalsturing plaatsgevonden.

2.10. De overige aandeelhouders van Afvalsturing Friesland zijn de Friese gemeenten, waaronder Smallingerland.

2.11. Bij brief van 1 februari 1995 heeft Afvalsturing de Friese gemeentebesturen een concept-raamovereenkomst voor de afname en levering van afval toegestuurd. In art. 6 van dit concept werd vermeld:

1. Dit contract treedt in werking per 1 juni 1995.

2. Partijen sluiten dit contract voor onbepaalde tijd.

3. De gemeente zal deze raamovereenkomst niet opzeggen, tenzij bijzondere redenen, hiervan uitgezonderd tariefstellingen, haar daartoe nopen en zij de daaruit resulterende kosten voor haar rekening neemt zodanig dat hierdoor voor de overige in de N.V. deelnemende gemeenten en/of Afvalsturing Friesland geen financieel nadeel en/of extra kosten ontstaat.

(…)

Smallingerland heeft bij brief van 8 maart 1995 aan Afvalsturing bericht dat deze bepaling voor haar niet aanvaardbaar is. Nadien is geen gewijzigd concept van Afvalsturing ontvangen.

2.12. De statuten van Afvalsturing - zoals deze luidden na wijziging d.d. 1 september 2005 - bevatten (voor zover hier van belang) de volgende bepalingen:

Artikel 4

2. Houders van aandelen kunnen slechts zijn Nederlandse publiekrechtelijke lichamen, naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de statuten bepalen dat de aandelen uitsluitend aan Nederlandse publiekrechtelijke lichamen kunnen toebehoren en voorts de vennootschap zelve.

Artikel 2 2

2. (…) Voorts legt de directie uiterlijk zes maanden voor de aanvang van een boekjaar aan de algemene vergadering van aandeelhouders ter vaststelling voor de begroting voor de inkomsten en uitgaven in dat betreffende boekjaar, waarin opgenomen de te hanteren tarieven.

Deze tarieven zijn per categorie afvalstoffen voor alle aandeelhouders gelijk.

3. Tevens zal jaarlijks uiterlijk zes maanden voor de aanvang van een boekjaar door de directie aan de algemene vergadering van aandeelhouders een beleidsplan voor de komende vier kalenderjaren ter vaststelling worden voorgelegd. (…) Het beleidsplan bevat ten minste een beschrijving van de wijze waarop de vennootschap aan haar doelstelling invulling zal geven in de komende vier jaren door te ontwikkelen activiteiten en een meerjarenperspektief ten aanzien van de ontwikkeling van de tarieven die door de vennootschap in rekening worden gebracht.

2.13. De Friese gemeenten leveren het op hun grondgebied ingezamelde huishoudelijk afval aan Afvalsturing, die het vervolgens verwerkt. Hierbij gaat het zowel om het "grijze" afval als het groente-, tuin- en fruitafval (verder: gft).

Afvalsturing heeft in de periode 2003-2005 ook huishoudelijk afval ingezameld dat afkomstig was van de gemeenten die deel uitmaken van het samenwerkingsverband Noordwest-Veluwe alsmede van het samenwerkingsverband Noord-Groningen.

2.14. De aandeelhouders van Afvalsturing (waaronder Smallingerland) hebben in de loop der tijd met het verrichten van diverse grote investeringen ingestemd, waarmee in totaal een bedrag van ruim 100 miljoen euro was gemoeid. Hierbij ging het onder meer om de bouw van overslagstations, de eindafwerking en nazorg van stortplaatsen (Weperpolder en Ouwsterhaule), de realisering van afvalberging De Wierde en (in 1999) de bouw van een scheidings- en bewerkingsinstallatie voor huishoudelijk afval (SBI). Met de bouw van de SBI was een bedrag van 60,5 miljoen euro gemoeid.

2.15. Tussen Afvalsturing enerzijds en de Friese gemeenten anderzijds is op enig moment discussie ontstaan over onder meer de leveringsplicht van laatstgenoemden jegens Afvalsturing en de hoogte van de tariefstelling voor de afvalverwerking. In het kader van deze discussie heeft Smallingerland brieven met - voor zover hier van belang - de volgende inhoud aan Afvalsturing gestuurd:

brief van 29 december 2005

"Zoals schriftelijk aangekondigd hebben een delegatie van Omrin en een deel van ons college op 21 november jl. beraadslaagd over, onder meer, de tarieven en de contractuele relatie tussen Omrin (NV Afvalsturing) en de gemeente Smallingerland in het bijzonder. In uw toegezegde antwoord van 30 november heeft u laten weten niet tot een wezenlijk andere tariefstelling voor onze gemeente te kunnen besluiten. Dat leidt ertoe dat wij thans een voorkeur uitspreken tot beëindiging van de levering van huishoudelijk afval op een redelijke termijn. Wij hebben dan ook stappen gezet om dit voornemen nader uit te werken en dat vervolgens te effectueren. Het kwam ons correct voor u dat z.s.m. te laten weten. Wij zullen u op afzienbare termijn nader (laten) berichten."

brief van 13 februari 2006

"U verzocht bij brief van 8 februari om een gesprek (…). Wij hebben u eerder meegedeeld dat we onderzoek doen naar een mogelijke beëindiging van de levering van huishoudelijk afval. De daarmee verband houdende werkzaamheden zijn nog niet afgerond. In dat licht bezien vinden we een gesprek op korte termijn niet zinvol. Vanzelfsprekend zullen we u benaderen als onderzoek en besluitvorming over het eventuele vervolg hebben plaatsgevonden."

brief van 7 juni 2006

"In eerdere contacten met uw directie en Raad van Commissarissen hebben wij aangegeven dat wij ons nader beraden omtrent de beëindiging van de overeenkomst met Afvalsturing Friesland N.V. (…).

Inmiddels hebben wij het voornemen uitgesproken om de gemeenteraad voor te stellen de betreffende overeenkomst op te zeggen. Aan uw president-commissaris, mevrouw [a], is toegezegd dat er, alvorens hier toe wordt overgegaan, opnieuw een bestuurlijk overleg zal plaatsvinden."

brief van 11 juli 2006

"(…) Wij zijn voornemens in de loop van augustus uitgewerkte voorstellen naar de gemeenteraad te zenden. Wij zullen u vroegtijdig inlichten."

2.16. Bij brief van 3 augustus 2006 heeft Smallingerland aan Afvalsturing meegedeeld dat zij de raad van haar gemeente zal voorstellen om de overeenkomst met Afvalsturing op te zeggen.

2.17. De raad van Smallingerland heeft in zijn vergadering van 3 oktober 2006 besloten om de samenwerking met Afvalsturing te beëindigen. In het daartoe strekkende voorstel van het college van burgemeester en wethouders wordt hieromtrent - voor zover hier van

belang - gesteld:

"Alle Friese gemeenten betalen gelijke tarieven voor de verwerking van het afval. Dit zogenoemde uniform tarief was verankerd in de Gemeenschappelijke Regeling OLAF en is opgenomen in de statuten van haar rechtsopvolger Afvalsturing.

Middels dit tarief worden de kostencomponenten op het gebied van voortransport, overslag en natransport en regievoering vereffend. Deze keuze van Afvalsturing leidt tot onnodig hoge tarieven voor de burgers van Smallingerland. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat niet-Friese gemeenten bij Afvalsturing voor aanmerkelijk lagere tarieven terechtkunnen maar het blijkt ook uit de mogelijkheid om elders voor lagere kosten verwerkingscapaciteit in te kopen.

Momenteel zijn er bewegingen om ook een andere werkmaatschappij van Omrin, n.l. "Fyslân Milieu" te integreren in Afvalsturing Friesland N.V.

De werkmaatschappij "Fryslân Milieu B.V." houdt zich bezig met afvalinzameling in met name 17 Friese gemeenten en in een aantal gemeenten buiten de provinciegrens. Dat vinden we om een aantal voor de hand liggende redenen een voor Smallingerland ongunstige ontwikkeling. We zijn aandeelhouder in Afvalsturing en voor (te) hoge bedragen afnemer van diensten van die N.V. maar we zijn tevens concurrent van Fryslân Milieu.

Afvalsturing krijgt en neemt alle ruimte om nieuwe initiatieven te ontplooien. Zo is een aantal jaren geleden besloten tot realisatie van een bouw- en sloopafvallijn en een scheidings- en vergistingsinstallatie. Ook is o.m. het bedrijf Jager Sloopwerken te Midwolde aangekocht. Dat zijn grootschalige en wat ons betreft risicovolle projecten. Maar ook op andere fronten wordt schaalvergroting gezocht. Zo wordt (…) huishoudelijk afval ingezameld in het noordoosten van Groningen en een deel van Drenthe (activiteit van Fryslân Milieu) en wordt afval van zes West-Veluwse gemeenten verwerkt op De Wierde.

Wij beschouwen deze geschetste ontwikkelingen als een risico, respectievelijk als niet in het belang van de inwoners van Smallingerland."

2.18. De raad heeft tijdens zijn vergadering van 3 oktober 2006 tevens besloten om het grijze huishoudelijk afval en het gft-afval voortaan te laten verwerken door de naamloze vennootschap HuisVuilCentrale Alkmaar N.V. (verder: HVC).

2.19. Bij brief van 19 oktober 2006 heeft Smallingerland de overeenkomst tot levering van huishoudelijk afval tegen 1 augustus 2007 opgezegd. In deze brief wordt onder meer vermeld:

"De opzegging is u reeds d.d. 29 december 2005 aangekondigd als conclusie naar aanleiding van het overleg met u en de Raad van Commissarissen tot mogelijke aanpassing van de tarieven."

Smallingerland is tot nu toe de enige Friese gemeente die de overeenkomst tot levering van huishoudelijk afval met Afvalsturing heeft opgezegd.

2.20. Smallingerland heeft in het kader van de samenwerking met HVC 78 aandelen A in deze vennootschap verworven. Bij besluit van 4 september 2007 is deze beslissing goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Friesland.

2.21. De aandeelhouders van Afvalsturing hebben bij besluit van 22 juni 2007 besloten tot een statutenwijziging in verband met de voorgenomen realisatie van een zogenoemde restenergiecentrale, die een miljoeneninvestering vergt. Het voorstel is, met meer dan driekwart van de uitgebrachte stemmen, aangenomen. Smallingerland heeft samen met enkele andere gemeenten tegen de wijziging gestemd. De wijziging heeft onder meer betrekking op het beëindigen van de leveringsrelatie - wat volgens de gewijzigde statuten mogelijk is met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste een jaar - en de verplichting om in dat geval een zogenoemde desintegratievergoeding te betalen.

2.22. Afvalsturing heeft voor de verwerking van gft-afval overeenkomsten gesloten met VAM (thans Essent ) en Heidemij (thans Orgaworld). Laatstgenoemd contract was aanvankelijk tussen Smallingerland en Heidemij gesloten en is door Afvalsturing van Smallingerland overgenomen. Deze overeenkomsten zijn per 1 januari 2008 geëindigd.

2.23. Smallingerland heeft in 2006 en 2007 groen afval ter verwerking aangeboden aan (een) derde(n). Bij brief van 15 september 2006 heeft Afvalsturing Smallingerland bericht dat het tonnage van het door Smallingerland aangeleverde gft-afval sterk terugliep en zij heeft Smallingerland gevraagd wat hiervan de oorzaak was. Tevens heeft zij opgemerkt dat Smallingerland verplicht is om al het gft-afval aan Afvalsturing aan te bieden. Afvalsturing heeft Smallingerland nadien nog verschillende malen gesommeerd om (al) het gft-afval aan haar ter verwerking aan te bieden, aan welke sommaties Smallingerland niet heeft voldaan. Smallingerland biedt sinds 1 augustus 2007 in het geheel geen gft-afval meer aan Afvalsturing aan.

2.24. De gemeenschappelijke regeling is tot op heden niet ingetrokken.

2.25. Smallingerland is nog steeds aandeelhouder van Afvalsturing.

3. De vordering in conventie

3.1. Afvalsturing vordert - na wijziging van eis en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

- voor recht verklaart dat de opzegging van de overeenkomst door Smallingerland per 1 augustus 2007 rechtskracht mist;

subsidiair:

- voor recht verklaart dat de opzegging van de overeenkomst door Smallingerland per 1 augustus 2007 rechtskracht mist nu niet is opgezegd met inachtneming van art. 33 van de gemeenschappelijke regeling;

- voor recht verklaart dat indien Smallingerland meergenoemde overeenkomst wenst op te zeggen, zij gehouden is om art. 33 voornoemd in acht te nemen, zowel ten aanzien van de daarin genoemde opzegtermijn als de financiële afwikkeling;

meer subsidiair:

- voor recht verklaart dat Smallingerland de overeenkomst heeft opgezegd zonder inachtneming van een redelijke opzegtermijn;

- voor recht verklaart dat Smallingerland de overeenkomst niet eerder mag opzeggen dan tegen 1 januari 2009, mits zij vóór 1 januari 2008 de overeenkomst schriftelijk opzegt;

zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

- Smallingerland gebiedt om, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 500.000,00, haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst met betrekking tot het huishoudelijk afval ook na 1 augustus 2007 na te komen;

- Smallingerland veroordeelt tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente per 1 augustus 2007;

- Smallingerland veroordeelt om ter zake van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen tot het leveren van gft-afval aan Afvalsturing, de hierdoor geleden schade tot een bedrag van € 112.407,00 te vergoeden, te vermeerden met wettelijke rente met ingang van 20 september 2006, althans 1 augustus 2007, althans met ingang van de datum waarop de conclusie van repliek in conventie is genomen;

- Smallingerland te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. Smallingerland voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt - voor zover van belang - hierna ingegaan.

4. De vordering in reconventie

4.1. De vordering van Smallingerland strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair: voor recht verklaart dat het besluit van de aandeelhoudersvergadering van 22 juni 2007 tot wijziging van de statuten van Afvalsturing, met name de artikelen 4 lid 2, 13 lid 1 13 lid 5 en 31 nietig is;

subsidiair: het besluit van de aandeelhoudersvergadering van 22 juni 2007 tot wijziging van de statuten van Afvalsturing, met name de artikelen 4 lid 2, 13 lid 1 13 lid 5 en 31, te vernietigen;

zowel primair als subsidiair:

met veroordeling van Afvalsturing in de kosten van de procedure.

4.2. Afvalsturing voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt - voor zover van belang - hierna ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

de opzegging van de overeenkomst inzake de verwijdering van huishoudelijk afval

5.1. De kern van het geschil betreft de vraag of Smallingerland, gelet op de duur en de aard van de relatie met voorheen OLAF en nadien Afvalsturing, de overeenkomst met Afvalsturing mocht opzeggen tegen 1 augustus 2007 zonder daarbij schadeplichtig jegens Afvalsturing te worden.

5.2. De meest verstrekkende stelling van Afvalsturing houdt in dat Smallingerland, gelet op alle omstandigheden van het geval, in het geheel niet gerechtigd was om de overeenkomst op te zeggen, omdat daarvoor een klemmende reden ontbreekt en Smallingerland op grond van haar aandeelhouderschap in Afvalsturing, althans haar deelname aan de gemeenschappelijke regeling, gehouden is en blijft om haar verplichting tot het leveren van huishoudelijk afval na te komen. Afvalsturing heeft dit standpunt als volgt toegelicht. De Friese gemeenten zijn in het kader van de gemeenschappelijke regeling overeengekomen gezamenlijk zorg te dragen voor het transport en de verwerking van het huishoudelijk afval binnen de provincie Friesland. De in dat verband opgerichte onderneming OLAF is na overleg en met instemming van alle deelnemende gemeenten ingebracht in de door hen opgerichte vennootschap Afvalsturing. Door deze inbreng zijn alle rechten en verplichtingen van OLAF op Afvalsturing overgegaan, waaronder de rechten en verplichtingen die voortvloeiden uit de gemeenschappelijke regeling. Volgens Afvalsturing hebben de Friese gemeenten met de oprichting van Afvalsturing niet beoogd om de voordien geldende afspraken wezenlijk te wijzigen en bovendien is de gemeenschappelijke regeling nooit ingetrokken. De verplichting om het huishoudelijk afval aan Afvalsturing aan te bieden alsmede de verplichtingen uit hoofde van de opzeggingsregeling ex art. 33 van de gemeenschappelijke regeling gelden dan ook nog steeds, zodat Smallingerland slechts tegen 1 januari van enig jaar kan opzeggen en daarbij verplicht is om gedurende vijf jaren bij te dragen in de financiële verplichtingen van Afvalsturing. In dit verband is mede van belang dat Smallingerland tot op heden haar deelname aan de gemeenschappelijke regeling niet heeft beëindigd en OLAF - zelf mede-aandeelhouder van Afvalsturing - nog steeds bestaat. Dit betekent dat de in OLAF-verband gemaakte afspraken zijn overgegaan op Afvalsturing, of nog steeds bestaan in OLAF-verband. Het gevolg hiervan is - aldus nog steeds Afvalsturing - dat de Friese gemeenten hun beschikkingsmacht over het huishoudelijk afval hebben prijsgegeven en dat het Smallingerland niet vrijstaat om haar huishoudelijk afval aan derden ter verdere bewerking en verwijdering aan te bieden.

5.3. Subsidiair heeft Afvalsturing gesteld dat, voor zover geoordeeld zou worden dat art. 33 van de gemeenschappelijke regeling niet meer van toepassing zou zijn op de relatie tussen partijen, opzegging gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst niet mogelijk is. De overeenkomst is een uitvloeisel van de tussen alle Friese gemeenten getroffen regeling in het kader van een doelmatige verwijdering van huishoudelijk afval, waarbij een solidariteitsgedachte is uitgesproken die tot uitdrukking komt in de afspraak dat er een uniform tarief zou worden gehanteerd. Als de deelnemende gemeenten de vrijheid zouden hebben om naar believen op te zeggen, dan wordt daarmee deze solidariteitsgedachte ondermijnd.

5.4. Meer subsidiair heeft Afvalsturing gesteld dat de bevoegdheid tot opzegging van de onderhavige duurovereenkomst (die volgens Afvalsturing als een door de gemeenten aan Afvalsturing verleende concessie moet worden beschouwd) uitsluitend mogelijk is indien sprake is van zwaarwegende gronden en onder gelijktijdige opzegging van de gemeenschappelijke regeling door de desbetreffende gemeente. Van zwaarwegende gronden is evenwel geen sprake nu Smallingerland uitsluitend heeft opgezegd omdat zij bij HVC goedkoper uit zou zijn, terwijl zij zich eerder altijd heeft gecommitteerd aan de solidariteitsgedachte binnen OLAF en nadien Afvalsturing. Bovendien valt op termijn, gelet op een aantal ontwikkelingen die gevolgen zullen hebben voor de tariefstelling, nog ernstig te bezien of Smallingerland uiteindelijk bij HVC wel goedkoper uit zal zijn dan bij Afvalsturing.

De opzegging moet, gelet op het vorenstaande, bovendien in strijd worden geacht met art. 2:8 BW en de artikelen 3:2 juncto 3:1 lid 2 Algemene wet bestuursrecht nu Smallingerland uitsluitend heeft gelet op haar eigen belangen en die van Afvalsturing en de overige gemeenten volstrekt uit het oog heeft verloren.

5.5. Afvalsturing heeft voorts en nog meer subsidiair naar voren gebracht dat de door Smallingerland gehanteerde opzegtermijn van negen maanden, gelet op de wederzijdse belangen van partijen, niet als een redelijke opzegtermijn kan worden beschouwd. Volgens Afvalsturing had een opzeggingstermijn van vijf jaar, althans twee jaar, althans een jaar in acht genomen moeten worden, waarbij dan nog geldt dat slechts opgezegd mocht worden tegen de datum van 1 januari, gelet op de wijze van werken binnen Afvalsturing.

5.6. De mogelijkheid tot opzegging - indien al aanwezig - laat volgens Afvalsturing evenwel onverlet dat Smallingerland naar de eisen van redelijkheid en billijkheid de schade moet vergoeden, die het gevolg is van de opzegging van de overeenkomst. Afvalsturing heeft met het oog op het voortduren van de overeenkomst met de Friese gemeenten aanzienlijke investeringen gedaan die niet enkel worden gecompenseerd door het in acht nemen van een bepaalde opzegtermijn. Daar komt bij dat Smallingerland een substantieel deel van het huishoudelijk afval in Friesland aanleverde: zij nam circa 8% van de totale hoeveelheid voor haar rekening en dit percentage is, gelet op de aard van de werkzaamheden, niet gemakkelijk en op korte termijn op te vangen. De schade als gevolg van de opzegging wordt door haar vooralsnog geraamd op een bedrag van € 1.031.000,00 per jaar en dient volgens Afvalsturing berekend te worden over een periode van vijf jaren, uitgaande van art. 33 van de gemeenschappelijke regeling. Deze termijn is ook een in de branche van de afvalverwerking gebruikelijke termijn, hetgeen volgens haar mede blijkt uit het feit dat Smallingerland akkoord is gegaan met het betalen van een financiële vergoeding over een periode van vijf jaar indien Smallingerland de samenwerking met HVC verbreekt.

5.7. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt, waarbij zij voorop stelt dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen een langdurige contractuele relatie heeft bestaan, niettegenstaande de omstandigheid dat over de inhoud van het concept-raamcontract als bedoeld in rechtsoverweging 2.11. geen overeenstemming is bereikt en ook geen ander (schriftelijk) contract is gesloten.

5.8. Het geschilpunt dat als eerste ter beoordeling voorligt, betreft de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen voorziet in een opzeggingsregeling. De rechtbank is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord nu de gemeenschappelijke regeling formeel gezien weliswaar (nog) niet is ingetrokken, maar tegelijkertijd vast staat dat vanaf de oprichting van Afvalsturing in 1995 de samenwerking tussen de Friese gemeenten niet meer plaatsvindt binnen de kaders van die regeling, maar op basis van een (stilzwijgende) overeenkomst met Afvalsturing, waarvan genoemde gemeenten (met OLAF) de gezamenlijke aandeelhouders zijn. De rechtbank kan Afvalsturing voorts niet volgen in haar stelling dat als gevolg van de activa/passiva-transactie tussen OLAF en Afvalsturing alsmede de deelname van OLAF in Afvalsturing de gemeenschappelijke regeling desalniettemin de verhouding tussen Afvalsturing en de Friese gemeenten (mede) beheerst. De gemeenschappelijke regeling betreft immers niet een recht of verplichting van OLAF dat voor overgang vatbaar is, maar is een regeling die is gebaseerd op de wettelijke bevoegdheid van gemeenten om een gemeenschappelijke regeling te treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten (in welk kader OLAF is opgericht).

5.9. Art. 33 van de gemeenschappelijke regeling is dan ook niet op het opzeggen van de overeenkomst van toepassing, wat er verder ook zij van de omstandigheid dat de regeling formeel niet is ingetrokken. Nu voorts niet in geschil is dat tussen Afvalsturing en de Friese gemeenten geen afspraken zijn gemaakt over de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden, de samenwerking beëindigd kan worden, moet worden geconcludeerd dat de overeenkomst tussen partijen niet in een opzeggingsregeling voorziet en partijen derhalve een (duur)overeenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan.

5.10. Bij gebreke van een wettelijke of contractuele regeling die in opzegging voorziet zal volgens vaste jurisprudentie aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden of de opzegging van de (duur)overeenkomst door Smallingerland het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Hierbij zij aangetekend dat ook indien uit de aard van de overeenkomst zou volgen dat zij in beginsel zonder meer opzegbaar is, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Een duurovereenkomst kan derhalve niet altijd rechtsgeldig en zonder grond worden opgezegd. Voorts dient bij de opzegging een redelijke opzegtermijn in acht genomen te worden, die recht doet aan de wederzijdse belangen van partijen, terwijl onder omstandigheden tevens denkbaar is dat er daarnaast nog termen aanwezig zijn om aanvullende schadevergoeding toe te kennen aan de partij die wordt geconfronteerd met de nadelige gevolgen van de opzegging.

5.11. In het onderhavige geval gaat het om de opzegging van een bijna 25 jaar durende relatie, die naar het oordeel van de rechtbank wordt gekenmerkt door een aantal hierna te noemen bijzonderheden, op grond waarvan de conclusie is gewettigd dat van een normale klant/ondernemer-relatie niet of nauwelijks sprake is, niettegenstaande het feit dat de voorheen geheel op het publiekrecht geënte samenwerking in 1995 is voortgezet onder de (privaatrechtelijke) vlag van Afvalsturing en verplichte gemeentelijke samenwerking inmiddels niet meer aan de orde is. In de eerste plaats is van belang dat de inzameling van huishoudelijk afval een wettelijke taak van gemeenten betreft (aanvankelijk op grond van de Afvalstoffenwet en thans ingevolge de Wet milieubeheer) en dat de Friese gemeenten in dat kader hebben besloten om op dit gebied samen te werken en het in te zamelen huishoudelijk afval te leveren aan één instantie binnen de provincie Friesland, die het vervolgens verwerkt. Daarnaast staat vast dat de deelnemende gemeenten (waaronder Smallingerland) ten behoeve van een mede uit milieuhygiënisch oogpunt verantwoorde levering en verwerking in de loop der tijd hebben besloten tot het doen van zeer kostbare investeringen en dat het geruime tijd vergt voordat deze investeringen zijn terugverdiend. Hier komt bovendien nog het volgende bij. Afvalsturing heeft gesteld dat bij het in ogenschouw nemen van de aard van de relatie ook van belang is dat in de afvalverwerkingsbranche doorgaans wordt gewerkt met langjarige contracten voor de levering van afval in verband met de omvang van de investeringen en de daarbij behorende afschrijvingen. Zij heeft hierbij verwezen naar een (naar de rechtbank veronderstelt: door Afvalsturing opgestelde) inventarisatie van contracten voor de verwerking van huishoudelijk afval in Nederland op basis van het jaar waarin die contracten "vrijvallen" (zie productie 26 bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie). Het gevolg daarvan is volgens Afvalsturing dat zij niet op relatief korte termijn een opvolger voor Smallingerland zal hebben, die het aandeel van deze gemeente (volgens Afvalsturing 8%) in de hoeveelheid huishoudelijk afval dat door de Friese gemeenten aan Afvalsturing jaarlijks wordt geleverd, kan overnemen. Hoewel Smallingerland wel enkele kanttekeningen bij het overzicht heeft geplaatst, heeft zij het overzicht als zodanig niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank zal dan ook als vaststaand aannemen dat het in de branche voor de verwerking van huishoudelijk afval tegenwoordig gebruikelijk is om langjarige contracten af te sluiten. Overigens heeft Afvalsturing eveneens onbetwist gesteld dat Smallingerland zich ook voor langere tijd aan HVC heeft verbonden, hetgeen de juistheid van de stellingen van Afvalsturing op dit punt alleen maar onderstreept.

5.12. Het vorenstaande leidt evenwel niet tot het oordeel dat Smallingerland, gelet op de gemeenschappelijke regeling en haar mede-aandeelhouderschap van Afvalsturing, in het geheel niet mocht opzeggen. Zoals hiervoor al overwogen wordt het huishoudelijk afval niet aan Afvalsturing op grond van de gemeenschappelijke regeling aangeboden, zodat reeds op die grond het betoog faalt dat op Smallingerland op grond van deze regeling de (in de beleving van Afvalsturing: kennelijk immer voortdurende) verplichting rust om het huishoudelijk afval aan Afvalsturing aan te bieden.

Los daarvan geldt bovendien dat, áls de gemeenschappelijke regeling nog wel van toepassing zou zijn geacht, art. 33 van deze regeling een opzegregeling bevat, zodat ook om die reden niet valt in te zien waarom de overeenkomst als zodanig niet opzegbaar zou zijn.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook de enkele omstandigheid dat Smallingerland (nog) mede-aandeelhouder van Afvalsturing is, op zichzelf bezien niet tot een (niet te beëindigen) leveringsplicht leidt. Om tot dat oordeel te kunnen komen dienen bijkomende feiten en omstandigheden te worden gesteld, hetgeen Afvalsturing heeft nagelaten.

5.13. De rechtbank kan Afvalsturing evenmin volgen in haar stelling dat ook indien art. 33 van de gemeenschappelijke regeling niet zou gelden, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst opzegging toch niet mogelijk is. Weliswaar is - zoals hiervoor al vermeld - sprake van een rechtsverhouding die door een aantal bijzonderheden wordt gekenmerkt, maar een en ander strekt naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat deze in het geheel niet zou mogen worden beëindigd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de gemeenschappelijke regeling op grond waarvan in het verleden het huishoudelijk afval aan OLAF werd aangeboden (en waar Afvalsturing ook steeds een beroep op doet) wel een opzegregeling bevatte, op grond waarvan bovendien zonder opgave van redenen uit de gemeenschappelijke regeling getreden kon worden. Onder deze omstandigheden faalt evenzeer de stelling dat alleen in het geval van een klemmende reden door Smallingerland opgezegd kon worden. De rechtbank wijst er voorts nog op dat Afvalsturing in dit geding zelf bij herhaling heeft benadrukt dat de Friese gemeenten met de oprichting van Afvalsturing de voordien geldende afspraken niet wezenlijk hebben willen wijzigen. In zoverre moet het standpunt van Afvalsturing dan ook als innerlijk tegenstrijdig worden beschouwd.

5.14. Gelet op het vorenstaande ligt thans uitsluitend nog ter beoordeling voor of de door Smallingerland in acht genomen opzegtermijn van negen maanden, gelet op de wederzijdse belangen van partijen, als een redelijke termijn kan worden beschouwd en voorts of Smallingerland gehouden is om (aanvullende) schadevergoeding aan Afvalsturing te betalen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

5.15. Zoals hiervoor reeds uiteengezet gaat het in dit geding om de beëindiging van een bijna 25 jaar durende samenwerking in een branche, waarin vanwege de aard van de werkzaamheden en de kapitaalintensieve investeringen door overheden en afvalverwerkers pleegt te worden samengewerkt op basis van langjarige contracten, zodat in zoverre geen sprake is van een flexibele markt waarin op korte termijn vervanging kan worden gevonden indien een leverancier van huisvuil opzegt. Deze omstandigheden dienen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer verdisconteerd te worden in de lengte van de opzegtermijn. De rechtbank acht evenwel geen termen aanwezig om het door Afvalsturing bepleite standpunt te honoreren dat een termijn van vijf dan wel twee jaar in de gegeven omstandigheden als een redelijke termijn moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is een termijn van vijf jaar hoe dan ook (veel) te lang omdat in dat geval de mogelijkheid van opzegging vrijwel illusoir wordt. Daarmee zou geen recht worden gedaan aan de gerechtvaardigde belangen van een leverancier van huishoudelijk afval, die om haar moverende redenen met een andere afvalverwerker een contractuele relatie wenst aan te gaan. Overigens overweegt de rechtbank dat bij de beantwoording van de hiervoor vermelde vraag naar haar oordeel mede in aanmerking moet worden genomen dat op grond van art. 33 van de gemeenschappelijke regeling een opzegtermijn van een jaar gold (waarbij opgezegd kon worden tegen 1 januari van enig kalenderjaar), terwijl de huidige statuten van Afvalsturing, zoals deze luiden nadat Smallingerland al had opgezegd, een soortgelijke regeling kennen. Kennelijk zijn de deelnemende gemeenten en Afvalsturing het er dus over eens dat een dergelijke opzegtermijn (overigens met de gelijktijdige verplichting om een financiële vergoeding te betalen, waarop hierna nog zal worden ingegaan) binnen de kaders van hun samenwerking als redelijk kan worden beschouwd. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom voor Smallingerland een langere termijn zou moeten gelden.

5.16. De rechtbank kan Afvalsturing evenmin volgen in haar stelling dat de omstandigheden van het geval dienen mee te brengen dat de opzegging had moeten plaatsvinden tegen 1 januari 2008, ofwel het begin van het nieuwe boekjaar, gelet op de systematiek van werken binnen Afvalsturing. Afvalsturing heeft weliswaar betoogd dat binnen haar organisatie een uitdrukkelijke systematiek geldt van het jaarlijks vaststellen van de begroting en het op basis daarvan vaststellen van het uniforme tarief voor de verwerking van huishoudelijk afval en dat een opzegging per 1 augustus daarin niet past, maar er is gesteld noch gebleken dat de begroting voor 2007 en het uniforme tarief voor dat jaar reeds waren vastgesteld op het moment dat door Smallingerland werd opgezegd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien waarom bij de bepaling van de redelijke termijn in dit geval mede acht moet worden geslagen op het begin van een nieuw boekjaar. Het vorenstaande leidt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat in het onderhavige geval een jaar als een redelijke termijn voor opzegging kan worden beschouwd en dat dit jaar in het onderhavige geval niet hoefde samen te vallen met een boekjaar. De rechtbank overweegt thans reeds dat de redelijkheid van deze termijn naar haar oordeel evenwel niet los gezien kan worden van een verplichting tot het betalen van aanvullende schadevergoeding, zoals hierna nog uiteengezet zal worden.

5.17. Smallingerland heeft evenwel niet een opzegtermijn van een jaar, maar van (ruim) negen maanden in acht genomen. Hoewel dit op zich zelf bezien te kort is - zie het voorgaande - acht de rechtbank geen termen aanwezig om hieraan consequenties te verbinden nu vast staat dat Smallingerland al in een vroegtijdig stadium aan Afvalsturing heeft bericht dat zij zich aan het beraden was op het verbreken van de samenwerking. Zij heeft dit immers voor het eerst bij brief van 29 december 2005 aan Afvalsturing meegedeeld en nadien heeft zij die boodschap in correspondentie met Afvalsturing nog enkele malen herhaald. Voorts heeft Smallingerland bij brief van 11 juli 2006 Afvalsturing bericht dat zij dienaangaande in augustus uitgewerkte voorstellen naar de raad zal sturen. Smallingerland heeft dan ook op goede gronden tot haar verweer aangevoerd dat Afvalsturing al ruim vóór de daadwerkelijke opzegging op 19 oktober 2006 op de hoogte was van het feit dat de samenwerking naar alle waarschijnlijkheid zou worden opgezegd. Weliswaar is na december 2005 nog een aantal malen bestuurlijk overleg over de mogelijke opzegging gevoerd en zijn van de kant van Afvalsturing nog voorstellen met betrekking tot de tariefstelling gedaan teneinde Smallingerland als leverancier van huishoudelijk afval voor Afvalsturing te behouden, maar dat laat onverlet dat medio 2006 ook voor Afvalsturing duidelijk moest zijn dat in ieder geval op het niveau van het college van burgemeester en wethouders het vaste voornemen bestond om de relatie met Afvalsturing te beëindigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Afvalsturing in ieder geval vanaf 11 juli 2006 (zie de hiervoor bedoelde brief) ernstig rekening moest gaan houden met een daadwerkelijke opzegging door Smallingerland. Weliswaar is het definitieve besluit tot opzegging pas door de raad in zijn vergadering van 3 oktober 2006 genomen, maar Afvalsturing heeft onvoldoende gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat pas op dat moment voor haar duidelijk werd dat opzegging daadwerkelijk zou gaan plaatsvinden. Zo is bijvoorbeeld niet (gemotiveerd) gesteld dat de politiek op dit punt zwaar was verdeeld en dat als gevolg daarvan (hoogst) onzeker was of er wel een meerderheid voor het voorstel van burgemeester en wethouders zou stemmen.

5.18. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden komt de rechtbank tot de slotsom dat Smallingerland een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. Dit brengt mee dat op grond van het in de jurisprudentie ontwikkelde uitgangspunt (zie HR 21 juni 1991, NJ 1991, 742) in beginsel geen ruimte is om aan te nemen dat op Smallingerland de verplichting rust om schadevergoeding aan Afvalsturing te betalen, tenzij zou moeten worden geoordeeld dat in verband met de omstandigheden van het geval en ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn de eisen van redelijkheid en billijkheid toch nopen tot toekenning van een (aanvullende) schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van dergelijke uitzondering en overweegt daartoe als volgt. De beoordeling van de vraag of een jaar, gelet op alle omstandigheden van het geval, als een redelijke opzegtermijn kan worden beschouwd kan, zoals hiervoor al overwogen, reeds hierom niet los gezien worden van de verplichting om daarnaast een vergoeding aan Afvalsturing te betalen nu zowel in art. 33 van de gemeenschappelijke regeling als in de huidige statuten van Afvalsturing deze termijn uitdrukkelijk is gekoppeld aan de verplichting om een desintegratievergoeding te betalen aan (aavankelijk OLAF en thans) Afvalsturing en de rechtbank bij de vaststelling van wat als een redelijke termijn kan worden beschouwd, bij deze twee regelingen aansluiting heeft gezocht. Overigens heeft Afvalsturing onbetwist gesteld dat Smallingerland jegens HVC ook de verplichting op zich heeft genomen om, naast het in acht nemen van een opzegtermijn, ook nog een vergoeding te betalen indien zij de samenwerking wenst te beëindigen en dat deze vergoeding betrekking heeft op een tijdvak van vijf jaar, hetgeen naar Afvalsturing eveneens onweersproken heeft gesteld, ook een in de branche gebruikelijke regeling zou betreffen.

5.19. Daar komt bij dat Afvalsturing voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij als gevolg van het wegvallen van de levering van huishoudelijk afval door Smallingerland aanzienlijke schade lijdt, die niet wordt weggenomen door het in acht nemen van de (redelijk geachte) opzegtermijn (zie met name conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie, nrs. 66 en volgende, waarin zij uiteen heeft gezet hoe groot volgens haar bijvoorbeeld alleen al de dekkingsverliezen op de SBI zijn als gevolg van het wegvallen van het huishoudelijk afval van Smallingerland. Volgens Afvalsturing gaat het hierbij om € 630.000,00 per jaar gedurende een periode van 16 jaar nu de SBI pas in 2022 zal zijn afgeschreven). Smallingerland heeft weliswaar de hoogte van de door Afvalsturing genoemde verliezen betwist, maar heeft wel erkend dat aan de zijde van Afvalsturing sprake zal zijn van omzet- en winstderving als gevolg van het opzeggen van de overeenkomst. Volgens Smallingerland kan Afvalsturing deze schade gemakkelijk opvangen met andere activiteiten binnen haar concern, bijvoorbeeld door meer bedrijfsafval te accepteren. Voor zover dat al anders zou zijn behoort deze derving tot het normale bedrijfsrisico van Afvalsturing. Bovendien heeft Afvalsturing nooit specifieke investeringen voor Smallingerland verricht, terwijl uit jurisprudentie over de opzegging van duurovereenkomsten volgt dat uitsluitend in zo'n situatie ruimte is voor het toekennen van aanvullende schadevergoeding, aldus Smallingerland. Wat dit laatst betreft is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard van de samenwerking tussen de Friese gemeenten en Afvalsturing niet van belang is of Afvalsturing specifiek voor Smallingerland investeringen heeft verricht. De onderhavige contractuele relatie laat zich bovendien, zoals reeds meerdere malen overwogen, niet zonder meer vergelijken met een normale klant/ondernemer-relatie zodat de door Smallingerland bedoelde jurisprudentie in zoverre ook toepassing mist. De rechtbank neemt op grond van de gemotiveerde stellingen van Afvalsturing en mede gelet op de aard van de werkzaamheden (immers: zeer kapitaalintensief met langlopende afschrijvingstermijnen) als vaststaand aan dat de schade voor Afvalsturing zeer aanzienlijk zal zijn door het wegvallen van het huishoudelijk afval van Smallingerland en dat deze schade bepaald niet zal worden weggenomen door het in acht nemen van een opzegtermijn van een jaar. Het kennelijke gebruik binnen de branche om naast een opzegtermijn van een jaar ook een schadevergoedingsplicht aan de opzeggende partij op te leggen onderstreept dit ook. Nu Smallingerland voorts onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat Afvalsturing vanwege de aard van de markt (veelal langlopende contracten met daaraan vaak de verplichting gekoppeld om bij opzegging ook nog een desintegratievergoeding te betalen) op eenvoudige wijze een opvolger kan vinden die het aandeel van Smallingerland in de aanlevering van huishoudelijk afval kan overnemen is er geen aanleiding om, in weerwil van het vorenstaande, de stellingen van Afvalsturing op dit punt niet te honoreren.

5.20. Smallingerland heeft overigens nog tot haar verweer aangevoerd dat uit de cijfers van Afvalsturing tot nu toe helemaal niet blijkt dat zij schade zou hebben geleden als gevolg van de opzegging van de overeenkomst. Dit verweer treft geen doel, reeds vanwege de omstandigheid dat het er bij de vaststelling van de omvang van de schade om gaat dat wordt vastgesteld hoe het beeld eruit zou hebben gezien indien de overeenkomst níet was opgezegd.

5.21. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat Smallingerland gehouden is om schadevergoeding aan Afvalsturing te betalen voor de schade die Afvalsturing lijdt als gevolg van de opzegging van de overeenkomst voor de levering van huishoudelijk afval door Smallingerland. Voor het koppelen van deze verplichting aan - zoals gevorderd - een termijn van vijf jaar wordt evenwel geen aanleiding gezien. De rechtbank is van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid niet vergen dat Smallingerland wordt verplicht om gedurende zo'n lange termijn de volledige schade van Afvalsturing te vergoeden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat in art. 33 lid 5 van de gemeenschappelijke regeling weliswaar wordt uitgegaan van een termijn van vijf jaar, maar daarbij is sprake van een termijn van ten hoogste vijf jaar, terwijl geen verplichting bestond om gedurende die termijn de volledige schade als gevolg van de uittreding te vergoeden. Ook de regeling die HVC volgens Afvalsturing hanteert kent niet de verplichting om gedurende vijf jaar de volledige schade te vergoeden. Gelet op alle omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat, in combinatie met een opzegtermijn van ruim negen maanden (en waarbij Afvalsturing al een paar maanden daarvoor serieus rekening moest gaan houden met een opzegging door Smallingerland), een termijn van tweeënhalf jaar voldoende moet worden geacht om de schade, die Afvalsturing heeft geleden door de opzegging en die niet wordt weggenomen door de in acht genomen opzegtermijn, te compenseren.

5.22. Nu Afvalsturing heeft gevorderd om verwijzing naar de schadestaatprocedure zal dienovereenkomstig worden beslist, mede gelet op het feit dat het debat tussen partijen geen aanleiding geeft om de daadwerkelijke omvang van de schade reeds in dit geding te begroten. Smallingerland heeft weliswaar gesteld dat de onderhavige kwestie zich niet leent voor een schadestaatprocedure omdat - zo begrijpt de rechtbank althans - pas in het kader van die procedure zal worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake zal zijn van aanzienlijke schade die op grond van de redelijkheid en billijkheid zal moeten worden vergoed, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat thans al vast dat die schade aanzienlijk zal zijn, zodat dit verweer wordt gepasseerd.

5.23. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat uitsluitend de meer subsidiaire vordering toewijsbaar is en dat de overige vorderingen afgewezen dienen te worden. Wat betreft de ingangdatum van de gevorderde rente over de schadevergoeding (1 augustus 2007) overweegt de rechtbank dat mede van de wijze van schadebegroting afhankelijk zal zijn per welke datum wettelijke rente is verschuldigd. De rechtbank zal deze vordering daarom thans afwijzen. Dit laat onverlet dat, nu de wettelijke rente een schadepost betreft, deze opgevoerd kan worden in de schadestaat en op dat moment alsnog kan worden gevorderd dat deze dient in te gaan per 1 augustus 2007 nu Afvalsturing dit reeds in het onderhavige (hoofd)geding heeft gevorderd.

de levering van gft-afval

5.24. Afvalsturing heeft na eisvermeerdering een afzonderlijke vordering opgeworpen met betrekking tot de levering van gft-afval, welke vordering zij als volgt heeft onderbouwd. De Friese gemeenten dienden niet alleen het (grijze) huishoudelijk afval aan Afvalsturing aan te bieden, maar ook het binnen de gemeenten vrijkomende gft-afval. In overleg en met instemming van de Friese gemeenten, waaronder Smallingerland, heeft Afvalsturing voor de verwerking van het gft-afval een tweetal overeenkomsten gesloten, een met VAM (thans Essent) en een met Heidemij (thans Orgaworld). Laatstgenoemd contract is van Smallingerland overgenomen. De overeenkomsten hadden allebei een looptijd tot 1 januari 2008, hetgeen ook bij de gemeenten bekend was. In 2006 heeft Smallingerland veel minder gft aangeleverd dan in de periode ervoor omdat zij dit (ook) aan een derde leverde. Afvalsturing heeft hierdoor schade geleden omdat zij minder gft-afval naar Essent en Orgaworld kon afvoeren dan met deze twee verwerkers was afgesproken. Afvalsturing stelt zich op het standpunt dat Smallingerland, los van de vraag of de overeenkomst tot levering van huishoudelijk afval per 1 augustus 2007 mocht worden opgezegd, in ieder geval tot 1 januari 2008 gehouden was om gft-afval aan haar te leveren, gelet op de looptijd van de contracten met Essent en Orgaworld en de omstandigheid dat bepaalde hoeveelheden gft-afval waren afgesproken die alleen maar konden worden gehaald als ook Smallingerland (al) haar gft-afval aan Afvalsturing zou aanleveren. Nu zij vanaf 2006 minder gft-afval heeft aangeleverd en na 1 augustus 2007 in het geheel niet meer, is sprake van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van Smallingerland, aldus Afvalsturing.

5.25. Smallingerland heeft erkend dat zij in 2006 tuinafval rechtstreeks aan derden heeft aangeboden in plaats van aan Afvalsturing. Volgens Smallingerland was zij ook niet verplicht om tuinafval aan Afvalsturing aan te bieden omdat het hierbij om apart ingezameld tuinafval ging, dat volgens haar niet onder de definitie van gft viel. Zij heeft hierbij verwezen naar paragraaf 2.1 van een concept-memo van Afvalsturing van 19 juni 2007 (getiteld "Notitie beheer GFT-afval"), waaruit dit volgens haar zou volgen. Afvalsturing heeft dit op haar beurt bestreden. Volgens Afvalsturing is bedoeld memo geschreven met het oog op een door Afvalsturing gehouden aanbesteding en een contract dat daaruit is gevolgd met Orgaworld per 1 januari 2008. In dát contract is een definitie van gft-afval opgenomen, waarnaar paragraaf 2.1 verwijst, aldus Afvalsturing.

5.26. De rechtbank overweegt allereerst dat, voor zover de gestelde schade betrekking heeft op de periode ná 1 augustus 2007, de vordering in zoverre dubbelop is. Afvalsturing vordert immers, zoals zij bij gelegenheid van de pleidooien ook heeft erkend, de schade van het wegvallen van de levering van gft-afval ook al in het kader van het opzeggen van de overeenkomst voor de levering van huishoudelijk afval (zie nr. 70 van haar conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie). In zoverre bestaat er derhalve geen grond voor toewijzing van de vordering op dit punt.

5.27. Wat betreft de vraag of Smallingerland toerekenbaar tekort is geschoten jegens Afvalsturing door ook al vóór 1 augustus 2007 geen, althans minder, gft-afval aan te leveren terwijl dergelijk afval wel binnen haar grondgebied vrijkwam, overweegt de rechtbank dat bij gelegenheid van de pleidooien Afvalsturing onbestreden heeft gesteld dat Smallingerland ervoor heeft gekozen om aan haar inwoners geen afzonderlijke inzamelbak voor tuinafval te geven. Al het groene afval werd derhalve in dezelfde groene container gedeponeerd, zodat van separate inzameling van tuinafval geen sprake was. Reeds om die reden faalt het beroep van Smallingerland op de inhoud van de memo, wat er verder ook moge zijn van de vraag of apart ingezameld tuinafval al dan niet vóór 2008 ook al was uitgezonderd van de definitie van gft-afval.

5.28. Nu tussen partijen niet in geschil is dat Smallingerland vóór 1 augustus 2007 was gehouden om ook het gft-afval aan Afvalsturing ter verwerking aan te bieden, moet worden geoordeeld dat Smallingerland (toerekenbaar) tekort is geschoten jegens Afvalsturing door niet al het binnen haar grondgebied vrijkomende gft-afval aan Afvalsturing aan te bieden. Evenmin is in geschil dat als zodanig is voldaan aan de vereisten voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding. Smallingerland heeft evenwel de berekening van deze vordering door Afvalsturing (zie productie 36 bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie) betwist omdat de opgestelde becijfering een deugdelijke onderbouwing ontbeert. Dit verweer treft wel doel. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van Afvalsturing had gelegen een gespecificeerde schadeopstelling in het geding te brengen en dat zij niet kon volstaan met het overleggen van de hiervoor bedoelde productie. De vordering zal op die grond worden afgewezen.

5.29. Nu Afvalsturing wat betreft het belangrijkste geschilpunt tussen partijen in het gelijk zal worden gesteld, zal Smallingerland als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding. Deze kosten worden tot op heden begroot op een bedrag van € 2.545,85 voor verschotten (€ 70,85 voor de dagvaarding en

€ 2.475,00 voor vast recht) en € 12.844,00 voor salaris van de advocaat (4 punten in tarief VIII). Weliswaar valt op grond van de liquidatietarieven een verklaring voor recht onder het bereik van tarief II van de liquidatietarieven, maar dit uitgangspunt lijdt uitzondering als er

- zoals in het onderhavige geval - duidelijke aanwijzingen zijn voor toepassing van een ander tarief.

5.30. De vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over de proceskosten-veroordeling zal worden afgewezen nu de verplichting tot vergoeding van de proceskosten niet voortspruit uit een handelsovereenkomst. De rechtbank zal in plaats daarvan de wettelijke rente ex art. 6:119 BW toewijzen vanaf - zoals gevorderd - de veertiende dag na de betekening van het vonnis.

in reconventie

5.31. De vorderingen in reconventie zijn (zowel primair als subsidiair) gebaseerd op de stelling dat het besluit tot statutenwijziging van 22 juni 2007 strekte tot het opleggen van extra verplichtingen aan aandeelhouders, hetgeen op grond van art. 2:81 BW slechts mogelijk is indien zo'n besluit met algemene stemmen wordt genomen. Nu Smallingerland, Dantumadeel, Dongeradeel en Frankeradeel hebben tegengestemd, is het genomen besluit in strijd met de wet en dus nietig op grond van art. 2:14 lid 1 BW, althans vernietigbaar uit hoofde van art. 2:15 lid 1 sub a en b BW, aldus Smallingerland. Volgens haar is het besluit ook in strijd met art. 2:8 BW omdat het om zeer vergaande statutaire verplichtingen (leveringsverplichting, desintegratievergoeding) voor de aandeelhouders gaat, waardoor de verhandelbaarheid en de waarde van de aandelen wordt beperkt, ook al zouden deze verplichtingen niet gelden voor Smallingerland zoals Afvalsturing stelt.

5.32. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat aan Smallingerland kan worden toegegeven dat in de literatuur met betrekking tot dit onderwerp overwegend van unanimiteit wordt uitgegaan, waarbij vaak wordt verwezen naar de paragrafen 19 en 30 van de departementale richtlijnen op dit punt (zie bijvoorbeeld Asser-Maeijer 2-III, tweede druk, nr. 98). De rechtbank is evenwel van oordeel dat noch de tekst, noch de parlementaire geschiedenis nopen tot de uitleg van art. 2:81 BW in de door Smallingerland voorgestane zin. Uit de bewoordingen van art. 2:81 BW kan het vereiste van unanimiteit in ieder geval niet worden afgeleid, nu daaruit slechts lijkt te volgen dat aan een aandeelhouder niet zonder diens instemming extra verplichtingen kunnen worden opgelegd. Ook uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat tot het opnemen van extra verplichtingen in de statuten alleen met unanimiteit kan worden besloten. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 22 juni 2007 niet in strijd is met art. 2:81 BW en op die grond nietig moet worden geacht, althans vernietigd moet worden. Consequentie hiervan is dat, nu Smallingerland tegen het besluit heeft gestemd, zij niet is gebonden aan de statutenwijziging, maar degene die de aandelen van haar mocht overnemen, wél. Weliswaar valt niet zonder meer uit te sluiten dat de waarde van de aandelen van Smallingerland hierdoor zal dalen, maar de rechtbank deelt het standpunt van Afvalsturing dat dit niet een belang is dat art. 2:81 BW beoogt te beschermen. Ter zijde overweegt de rechtbank dat nog valt te bezien of dit effect daadwerkelijk zal optreden nu in art. 4 van de statuten van Afvalsturing is vastgelegd dat uitsluitend publiekrechtelijke lichamen houders van aandelen kunnen zijn, terwijl het voor de hand ligt om te veronderstellen dat uitsluitend leveranciers van (huishoudelijk) afval geïnteresseerd zijn in (de overname van) aandelen in Afvalsturing. Van een echte vrije verhandelbaarheid lijkt in zoverre dan ook geen sprake te zijn.

5.33. De rechtbank kan Smallingerland voorts niet volgen in haar standpunt dat de onderwerpen, waarop de wijzigingen betrekking hebben, zich uitsluitend lenen voor vastlegging in contracten met individuele aandeelhouders. Binnen een naamloze of besloten vennootschap zijn de daarbij betrokkenen immers vrij om - binnen de wettelijke grenzen - te bepalen hoe de onderlinge verhoudingen en de verhouding tot de vennootschap zullen zijn geregeld en welke verplichtingen zijn verbonden aan het deelnemerschap (vergelijk in zoverre ook Kamerstukken II, 2006-2007, 31058, nr. 3, art. 192 lid 1). Onder deze omstandigheden moet het mogelijk worden geacht om ook verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard in de statuten op te nemen, althans voor zover het gaat om verplichtingen die redelijkerwijs aan het aandeelhouderschap kunnen worden verbonden. Gelet op de aanleiding voor de onderhavige statutenwijziging (zie het voorstel voor statutenwijziging, productie 56 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie) is de rechtbank van oordeel dat de door Smallingerland aangevallen statuten deze toets kunnen doorstaan.

5.34. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de vorderingen van Smallingerland, zowel de primaire als de subsidiaire, moeten worden afgewezen. Smallingerland zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding. Nu het hier een zelfstandige vordering in reconventie betreft zal de rechtbank voor het salaris van de advocaat 3 punten (2 voor de conclusies en 1 voor het pleidooi, nu in conventie reeds 2 punten voor het pleidooi is toegekend) in tarief II toekennen, ofwel een bedrag van € 1.356,00. Voorts zal - conform de vordering van Afvalsturing - worden bepaald dat Smallingerland hierover vanaf de veertiende dag na het wijzen van dit vonnis de wettelijke rente is verschuldigd, met dien verstande dat net als in de conventie ook hier geen plaats is voor het toekennen van de wettelijke handelsrente.

6. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

veroordeelt Smallingerland om aan Afvalsturing te vergoeden de door Afvalsturing als gevolg van de opzegging van de in dit geding bedoelde overeenkomst geleden en nog te lijden schade over een periode van tweeënhalf jaar te rekenen vanaf 1 augustus 2007, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt Smallingerland in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Afvalsturing begroot op een bedrag van € 15.389,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Smallingerland in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Afvalsturing begroot op € 1.358,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de veertiende dag na het wijzen van dit vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Molema, voorzitter, mr. C.M. Telman en mr. H.K. Scholtens en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.?


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature