< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering door disproportionele toepassing dwangmiddelen. Geen niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie, wel bewijsuitsluiting/strafvermindering.

Vrijspraak van geweld en/of betrokkenheid overlijden en/of wegmaken lijk van vermiste vrouw, zwanger van een tweeling. Ervan afgezien dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat zij is overleden, is er voor de strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij dat overlijden onvoldoende wettig en zeker ook onvoldoende overtuigend bewijs.

Veroordeling ter zake heling, overtreding Opiumwet en Wet wapens en munitie.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 127342-03

Datum uitspraak: 11 juli 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en feitelijk verblijvend op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni en 1, 3 en 4 juli 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd, zoals is omschreven in de dagvaarding en de twee vorderingen wijziging telastelegging toegewezen ter terechtzittingen van 30 juni 2008 en 3 juli 2008, dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 17 juni 2003 tot en met 1 augustus 2003 te Amsterdam en/of Zaandam, in de gemeente Zaanstad en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, D.P. Rosiek en/of haar ongeboren tweeling (die op 18 juni 2003 middels een keizersnede geboren zou worden) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, op die Rosiek en/of haar (ongeboren) tweeling zodanig geweld heeft toegepast, tengevolge waarvan voornoemde Rosiek en/of haar ongeboren tweeling is/zijn overleden;

Artikel 289/287 jo 82a jo 47 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 17 juni 2003 tot en met 1 augustus 2003 te Amsterdam en/of te Zaandam, in de gemeente Zaanstad en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, aan D.P. Rosiek en/of aan haar ongeboren tweeling (die op 18 juni 2003 middels een keizerssnede geboren zou worden) opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel hebben/heeft toegebracht, door opzettelijk (zodanig) geweld tegen voornoemde Rosiek en/of vorenbedoelde tweeling toe te passen dat tengevolge daarvan voornoemde die Rosiek en/of die tweeling zijn/is overleden;

art 302/303 lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 17 juni 2003 tot en met 1 augustus 2004 te Amsterdam en/of te Zaandam, in de gemeente Zaanstad en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan D.P. Rosiek en/of aan haar ongeboren tweeling (die op 18 juni 2003 middels een keizerssnede geboren zou worden) opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (zodanig) geweld tegen voornoemde Rosiek en/of vorenbedoelde tweeling hebben/heeft toegepast tengevolge waarvan die Rosiek en/of die tweeling pijn en/of letsel hebben bekomen en/of zijn/is overleden;

art 302/303 jo 45 en 47 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 17 juni 2003 tot en met 1 augustus 2003 te Amsterdam en/of te Zaandam, in de gemeente Zaanstad en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, tegen D.P. Rosiek en/of tegen haar ongeboren tweeling (die op 18 juni 2003 middels een keizerssnede geboren zou worden), zodanig geweld hebben/heeft toegepast en/of zodanig hebben/heeft gehandeld dat ten gevolge daarvan die Rosiek en/of die tweeling pijn en/of letsel hebben/heeft bekomen en/of hun/haar gezondheid opzettelijk is benadeeld en/of zij zijn/is overleden;

300 lid 3 jo 47 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 17 juni 2003 tot en met 1 augustus 2003 te Amsterdam en/of te Zaandam, in de gemeente Zaanstad en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig jegens D.P. Rosiek en/of tegen haar ongeboren tweeling (die op 18 juni 2003 middels een keizerssnede geboren zou worden) hebben/heeft gehandeld en/of zodanig geweld hebben/heeft gebruikt, dat het aan hun/zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde Rosiek en/of vorenbedoelde tweeling zodanig letsel hebben/heeft bekomen, dat die Rosiek en/of die tweeling aan de gevolgen daarvan zijn/is overleden;

artikel 307 jo 47 Wetboek van Strafrecht

2. hij in of omstreeks de periode 17 juni 2003 tot en met 1 augustus 2003 te Amsterdam en/of Zaandam, in de gemeente Zaanstad, en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om de moord, althans de doodslag op D.P. Rosiek en/of haar ongeboren tweeling of de oorzaak van het overlijden van die D.P. Rosiek en/of haar ongeboren tweeling, dan wel het dood ter wereld komen van die tweeling te verhelen, (onder water) het/de lijk(en) van D.P. Rosiek en/of haar (ongeboren) tweeling heeft/hebben begraven en/of verbrand en/of vernietigd en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt;

Artikel 151 jo 47 Wetboek van Strafrecht

3. hij enig tijdstip in of omstreeks de periode van 26 november 2001 tot en met 31 december 2001 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer fl. 30.000,-) en/of een of meer horloge(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan D.P. Rosiek en/of [persoon 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die Rosiek, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte en/of zijn mededader die Rosiek (dreigend) een pistool, in elk geval een vuurwapen, althans een dergelijk voorwerp, heeft/hebben getoond, althans heeft/hebben gedreigd van een pistool/vuurwapen/voorwerp gebruik te maken en/of gezegd hebben/heeft;"schiet Deborah maar neer", althans woorden van dergelijke aard of strekking;

Artikel 310 jo 312 Wetboek van Strafrecht

4. hij in of omstreeks de periode van 26 november 2001 tot en met 12 maart 2002 te Amsterdam en/of te Zaandam, in gemeente Zaanstad, en/of elders in Nederland en/of te Thailand, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer fl 30.000,-) en/of een of meer horloge(s) en/of een kluis heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Artikel 416 jo 47 Wetboek van Strafrecht

5. hij op of omstreeks 04 februari 2004 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een of meer hoeveelheden van (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1`lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

Artikel 3 jo 11 Opiumwet jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht

6. hij op of omstreeks 21 mei 2006 te Zwaag, in de gemeente Hoorn, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta, kaliber 9 mm parabellum) en/of een pistool (type Model GT 23, kaliber .22 L.R.), en/of munitie van categorie III, te weten 74, althans een of meer, kogelpatro(o)n(en) (kaliber 9 mm met het merkopschrift Carb imi en/of Luger Lapua), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging onder feit 6 gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 26 Wet Wapens en Munitie

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie/artikel 359a Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft op gronden als weergegeven in de door haar overgelegde pleitnota betoogd – kennelijk op de voet van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) –

dat het openbaar ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van verdachte. Zij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat het opsporingsonderzoek in deze zaak een ernstige schending oplevert van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor verdachte in zijn belangen is geschaad. Door een aantal ernstige, onherstelbare, verzuimen heeft het OM gehandeld in strijd met een behoorlijke procesgang, cq. (on-)geschreven regels van behoorlijke opsporing. De cumulatie van deze ernstige verzuimen, hierna weergegeven, moet leiden tot de sanctie van niet-ontvankelijkheid, aldus de verdediging. Subsidiair dient volgens de verdediging, indien de rechtbank het OM ontvankelijk zou verklaren, hetgeen hiervoor is aangevoerd tot bewijsuitsluiting te leiden.

De verdediging stelt als volgt.

1) De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag van de Rechten van de mens (hierna: EVRM) is geschonden. Tussen het eerste verhoor als verdachte op 26 augustus 2003 en de aanvang van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 30 juni 2008, zijn vier jaren en 10 maanden verstreken, hetgeen niet gerechtvaardigd kan worden door de ingewikkeldheid van de zaak of de proceshouding van de verdediging of verdachte, maar geheel te wijten is aan de manier waarop door het OM in deze zaak het onderzoek is geleid.

2) Er is sprake van een disproportioneel onderzoek, hoofdzakelijk gericht op verdachte, waarbij op grote schaal diverse ingrijpende dwangmiddelen zijn ingezet jegens verdachte. Zo zijn bijvoorbeeld vrijwel ononderbroken gedurende bijna vijf jaren telefoons van verdachte getapt, opeenvolgende auto’s van verdachte geobserveerd en van peilbakens voorzien, de opeenvolgende woningen van verdachte, soms meermalen, doorzocht en heeft nog in 2008 een omvangrijke zogenaamde undercover-operatie plaatsgevonden waarbij vertrouwelijke gesprekken zijn opgenomen. Voor deze dwangmiddelen bestond onvoldoende juridische aanleiding, nu het OM de getuige [getuige 1] kende en reeds in een vroeg stadium diens onbetrouwbaarheid kon constateren, zodat na de in 2003/2005 aangetroffen bloedsporen geen nieuw belastend materiaal jegens verdachte was gevonden op grond waarvan doorrechercheren werd gerechtvaardigd.

Aldus heeft het OM gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, door gedurende een onredelijk lange termijn door te gaan met een strafrechtelijk onderzoek, waarbij door de veelheid van de op verdachte toegepaste dwangmiddelen, de krachtens artikel 8 EVRM gewaarborgde privacy van verdachte ernstig is geschonden.

3) Genoemd onzorgvuldig onderzoek getuigt van een tunnelvisie bij het OM, waardoor geen sprake was/is van objectieve waarheidsvinding. Het onderzoek is onvolledig, want eenzijdig gericht geweest op het vinden van de bevestiging van een vroegtijdig getrokken conclusie van het OM dat verdachte verantwoordelijk is voor de verdwijning van D.P. Rosiek (hierna: Rosiek). Zo is op andere potentiële daders niet (voldoende) doorgerechercheerd en is (opzettelijk) nagelaten potentieel ontlastend onderzoek te doen verrichten.

4) De verhoren van verdachte, alsmede van de getuige [getuige 1] zijn onrechtmatig en onvoldoende betrouwbaar verkregen. Verdachte is meermalen tijdens verhoren op het verkeerde been gezet en ook de relatief lange duur van de verschillende verhoren is van invloed geweest op de consistentie van hetgeen door verdachte is verklaard. Ten aanzien van de verhoren van getuige [getuige 1] is aangevoerd dat, zo begrijpt de rechtbank, op verschillende momenten ongeoorloofde druk is uitgeoefend op deze bijzondere getuige wiens kwetsbaarheid voor de verbalisanten kenbaar moet zijn geweest. Tevens moet worden vastgesteld dat geen adequate verslaglegging heeft plaatsgevonden van de verhoren, nu veel cruciaal materiaal buiten de camera om tot stand is gekomen, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vooropgesteld dient te worden dat in een zaak als deze, waar de vermissing van een hoogzwangere vrouw centraal staat, het OM veel (beleids-)vrijheid toekomt om het opsporingsonderzoek te leiden en dwangmiddelen toe te passen. Deze vrijheid vindt zijn begrenzing onder meer in het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit beginsel is normatief voor de vraag of een dwangmiddel toegepast mag worden en tevens voor de wijze van uitvoering. Indien het OM na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van een dwangmiddel had kunnen overgaan, bijvoorbeeld omdat dit disproportioneel is, is dit beginsel geschonden.

Er zijn in deze zaak bijna vijf jaren verstreken tussen de aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn en de afronding van de behandeling van de zaak met een eindvonnis. Dit tijdsverloop is onwenselijk lang, doch levert geen schending op van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM , gelet op de bijzondere verwikkelingen in deze zaak. Door de nieuwe vondst van een bloedspoor in maart 2005 en daarna de nieuwe verklaringen van getuige [getuige 1] in september/oktober 2006, zijn vertragingen opgetreden, aangezien het OM in deze gebeurtenissen aanleiding zag en ook kon zien voor nader onderzoek. Dit was, gelet op het grote belang om de verdwijning van Rosiek tot een oplossing te brengen, alsmede de ernst van het feit waarop de verdenking zag, gerechtvaardigd. Zodra verdachte door de rechtbank op vrije voeten werd gesteld in mei 2007 omdat de ernstige bezwaren niet in voldoende mate waren toegenomen, heeft het OM getracht de zaak spoedig op zitting aan te brengen. Door roosterperikelen aan de kant van de rechtbank, alsmede, daarna, het overdragen van de zaak (door ziekte) aan een nieuwe raadsman, zijn wederom vertragingen opgetreden, die echter niet aan het OM te wijten zijn.

De rechtbank volgt de verdediging evenmin in haar betoog dat de verhoren van verdachte en getuige [getuige 1] als onrechtmatig moeten worden bestempeld. Niet is gebleken dat ten aanzien van verdachte, een kennelijk weerbare ex-politieman die verdacht werd van een ernstig strafbaar feit, in strijd met het pressieverbod van artikel 29 Sv is gehandeld. Evenmin is dit gebleken omtrent de verhoren van [getuige 1]. Uit de verhoren, die uitmondden in verklaringen met een sterk wisselende inhoud ten aanzien van de voor verdachte belastende feiten alsook het telkens weer intrekken dan wel bijstellen van diezelfde verklaringen, valt een ongeoorloofde druk niet af te leiden. Integendeel, [getuige 1] voelde zich kennelijk vrij te verklaren wat hem op dat moment inviel. Wel zijn de verklaringen van [getuige 1] als onbetrouwbaar aan te merken, waarover hierna meer. Overigens zijn de voor verdachte meest belastende verklaringen tot stand gekomen in ogenschijnlijk stressvrije situaties. Zo ging [getuige 1] praten tegen DVO-medewerkers gedurende gedetineerdentransporten of tegenover een maatschappelijk medewerkster in het huis van bewaring. Deze verklaringen werden vervolgens tegenover verhorende politie-agenten (al dan niet met videoregistratie) ingetrokken en/of afgezwakt. Ten tijde van het videoverhoor van 3 oktober 2006, waaromtrent psycholoog [persoon 2] heeft geconcludeerd dat van ongeoorloofde druk op de getuige sprake was, heeft de getuige niets willen verklaren over verdachte en heeft daarin volhard.

De rechtbank volgt de verdediging ook niet in haar stellingen omtrent de eenzijdigheid van het onderzoek. De rechtbank verwijst naar de hiervoor aangegeven ruime beleidsvrijheid van het OM bij het geven van leiding en sturing aan het opsporingsonderzoek. Niet is gebleken dat serieuze aanwijzingen, buiten verdachte gelegen, in onvoldoende mate aandacht hebben gekregen. Het onderzoek lijkt buitengewoon uitvoerig en grondig te zijn geweest, richting verdachte, maar ook bijvoorbeeld naar Rosiek of andere betrokken personen. Niet is gebleken dat het OM opzettelijk heeft nagelaten potentieel ontlastend onderzoek te doen verrichten of dat op andere potentiële daders niet (voldoende) is doorgerechercheerd. Het eventueel bestaan van een beperkte blik van het OM op de zaak heeft niet daarin geresulteerd. Wel is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak in de eindfase het opsporingsonderzoek te ver is doorgeschoten richting verdachte en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad.

Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

In december 2004 kwam de getuige [getuige 1] – een bekende van verdachte, die in zijn kennissenkring vertoefd had – naar buiten met de verklaring, kort gezegd, dat verdachte hem had verteld Rosiek bij Pampus in het IJsselmeer te hebben gegooid. Zoektochten in het IJsselmeer leverden niets op. In september/oktober 2006 wijzigde de getuige deze verklaring en verklaarde hij dat verdachte hem indertijd had opgedragen hiermee naar buiten te komen, maar dat het echte verhaal inhield dat, kort gezegd, verdachte Rosiek in zijn kelderbox had gedood en daarna begraven in het Twiske te Zaandam. Getuige [getuige 1] verklaarde daarbij te kunnen aanwijzen waar het lichaam lag. Het was een opmerkelijk gegeven dat [getuige 1] verklaarde dat hij het ‘IJsselmeer-verhaal’ in opdracht van verdachte naar buiten had gebracht. Dit had het OM op zichzelf al argwanend kunnen maken. Immers, verdachte zou zichzelf daarmee bewust hebben belast. Verdachte was reeds in april 2004 op vrije voeten gekomen en had er derhalve geen enkel belang bij dat (wederom) de aandacht op hem gevestigd zou worden. Naast dit opmerkelijke gegeven werd in de loop van 2007 duidelijk dat de nieuwe verklaring van [getuige 1] ten aanzien van de delictgerelateerde onderdelen op geen enkele wijze ondersteuning vond. Zoektochten in het Twiske, onder meer samen met [getuige 1], leverden niets op. Ook andere door [getuige 1] in zijn nieuwe verhaal als betrokken aangewezen personen werden gehoord en auto’s werden op sporen onderzocht. Er kwam niets relevants naar voren. Verdachte werd dan ook in mei 2007 door de rechtbank uit de voorlopige hechtenis ontslagen.

Dat op grond van de nieuwe verklaring van [getuige 1] nader onderzoek werd gelast in het Twiske valt wel te billijken, gelet op het grote belang van het vinden van Rosiek en het daarbij passende streven elke kans aan te grijpen op het achterhalen van de waarheid omtrent haar verdwijning. Niet echter kan geoordeeld worden dat deze nieuwe verklaring van [getuige 1], nadat deze geen enkele bevestiging hadden verkregen, een verder toepassen van dwangmiddelen jegens verdachte op de wijze en in de omvang als is geschied, nog langer kon rechtvaardigen. Geconstateerd kan worden dat, nu de verklaringen van [getuige 1] niets opleverden, sedert het aantreffen van de bloedsporen in 2003/2005 geen nieuw bewijs-materiaal jegens verdachte was aangetroffen op grond waarvan verder doorrechercheren toen nog kon worden gerechtvaardigd. De rechtbank oordeelt dan ook dat het OM, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet - want disproportioneel - tot (verdere) toepassing van dwangmiddelen jegens verdachte had kunnen besluiten (te denken valt aan de taps die doorliepen tot 3 mei 2008, alsmede de opnamen van vertrouwelijke gesprekken in januari en maart 2008 in het kader van de undercover-operatie). Daar doet niet aan af dat voor elke individuele actie een machtiging van de rechter-commissaris was verkregen. De officier van justitie is degene die het overzicht heeft over het totale onderzoek en daar de verantwoordelijkheid voor draagt.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank de sanctie van niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging van het OM te zwaar en derhalve niet passend. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank het meest voor de hand dat de resultaten van het onderzoek na mei 2007 die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde, ware het niet dat in die periode geen bewijs jegens verdachte is vergaard. Derhalve dient voornoemd vormverzuim, ter compensatie van verdachte, ingeval van een veroordeling, tot strafvermindering te leiden.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vrijspraken feiten 1, 2 en 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Motivering ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank acht het telastegelegde onder feit 1, in al zijn geledingen, en onder feit 2 wettig noch overtuigend bewezen.

Ervan afgezien dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat Rosiek en haar indertijd ongeboren tweeling zijn overleden, is er voor de strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij dat overlijden onvoldoende wettig en zeker ook onvoldoende overtuigend bewijs.

Om te beginnen dienen de verklaringen van getuige [getuige 1] als volstrekt onbetrouwbaar en derhalve onbruikbaar voor het bewijs terzijde te worden gesteld. Hiervoor is daar al het en een en ander over opgemerkt bij het behandelen van het niet-ontvankelijkheidsverweer.

Zijn verklaringen wisselden op ongeloofwaardige wijze van inhoud, terwijl hij ze ook telkens weer introk. Ook de indruk die getuige [getuige 1] op zitting maakte – hij verklaarde onder meer dat hij de inhoudelijke verklaringen niet had afgelegd, dan wel dat hij niet wist waarom hij ze had afgelegd – droegen niet bepaald bij aan een ander oordeel.

Uit het zeer uitgebreide onderzoek komt dan ook feitelijk als enig hard bewijs naar voren de in de kelderbox van verdachte gevonden bloedsporen met het DNA profiel van Rosiek. Het betreft drie sporen, waarvan is komen vast te staan dat die het DNA profiel van Rosiek bevatten, te weten een bloedveeg aan de binnenzijde van de toegangsdeur (ABW656), een bloedveeg op de linkermuur onder de lichtschakelaar (AFA 888) en een stroompatroon bloed op de kopse kant van de deur (ARA 807), al dan niet onderdeel van eerstgenoemde bloedveeg.

De ouderdom van de bloedvlekken kon niet worden vastgesteld. Evenmin kon worden vastgesteld dat het bloed van een zwangere Rosiek afkomstig was. In de boxgangen zijn geen sporen van Rosiek aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het ontoelaatbaar speculatief om op basis van drie relatief geringe bloedsporen van Rosiek, waarvan de ouderdom niet is komen vast te staan, en waaruit geen duidelijke toedracht van de gebeurtenissen is af te leiden, te concluderen tot enig handelen of nalaten van verdachte in de avond en nacht van 17 op 18 juni 2003 met als gevolg het veroorzaken van pijn, letsel en uiteindelijk het overlijden van Rosiek, laat staan het verbergen van het lijk van Rosiek en haar ongeboren tweeling.

Weliswaar zijn er bij spoor ABW 656 naast het profiel van Rosiek nog enkele kenmerken gevonden van het profiel van verdachte, maar dat doet aan het oordeel van de rechtbank niet af, daargelaten dat de deskundigen het omtrent de bewijswaarde daarvan niet eens zijn.

Verdachte zegt dat hij niet weet hoe die bloedvlekken daar zijn gekomen. Hij is voor zover hij kan nagaan niet met Rosiek in die kelderbox geweest en heeft voor de aanwezigheid van die bloedvlekken geen verklaring, mede omdat hij – naar zijn zeggen – de enige is die in het bezit is van de sleutels van de box.

Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij niet weet hoe de sporen daar komen niet mede als bewijs kan dienen. Op zich kan een kennelijk leugenachtige verklaring bijdragen aan het bewijs, maar de enkele verklaring de aanwezigheid van de sporen niet te kunnen verklaren voldoet niet aan de aan een dergelijke verklaring te stellen eisen.

Datzelfde oordeel treft de overige door de officieren van justitie als (steun)bewijs aangevoerde inconsistenties in de verklaringen van verdachte (met name betreffende zijn laatste ontmoeting met Rosiek voor haar verdwijning). Deze nemen nergens de gedaante aan van een kennelijk leugenachtige verklaring. Daarvoor waren ze of te onbelangrijk, of kon het tegendeel niet vastgesteld worden, of lieten ze zich eenvoudig op een ander manier verklaren.

Overige bewijzen zijn er niet.

Ten overvloede zij opgemerkt dat de gedragingen van verdachte na de vermissing (waaronder het op een laat tijdstip nabrengen van de beide tassen met spullen, het niet direct aangifte doen van vermissing, het aanwezig zijn in de woning van Rosiek zes dagen na haar verdwijning) aanvankelijk wellicht aanwijzingen opleverden voor zijn betrokkenheid, maar gaandeweg door zeer uitgebreid onderzoek en de verklaringen van verdachte dienaangaande substantieel aan belang inboetten voor het doen postvatten van de overtuiging dat verdachte betrokken zou zijn geweest bij de vermissing van Rosiek.

Motivering ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 3 telastegelegde feit en spreekt hem daarvan vrij.

De rechtbank stelt vast dat niet de (medeplichtigheid aan de) diefstal van de kluis van [persoon 1] is telastegelegd, maar de diefstal met bedreiging van geweld van de kluisinhoud van Rosiek (die de kluis had gestolen). Daarvoor is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden.

De zogenaamde Rosiektapes, met daarop door Rosiek heimelijk opgenomen telefoongesprekken tussen verdachte en Rosiek, geven onvoldoende betrouwbare informatie om daarop een veroordeling te baseren. Rosiek spreekt hierop over een geldbedrag dat op gewelddadige wijze door verdachte van haar afhandig zou zijn gemaakt, maar geeft hieraan wisselend invulling, zo praat ze soms ook over “geleend” geld . Ook is het de rechtbank bij de beluistering van de tapes opgevallen dat Rosiek in de gesprekken erop aanstuurt dat verdachte zichzelf belast, hetgeen hij dan overigens niet doet. Hij ontkent tegenover haar het dreigen met een pistool. Daar waar verdachte op die tapes beschuldigingen van Rosiek jegens hem niet weerspreekt of beantwoordt met een mompelend “ja, ja, ja”, heeft hij een aannemelijke verklaring gegeven, te weten dat hij Rosiek daarmee rustig wilde houden.

Dat Rosiek ook tegenover [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte met een vriend geld van haar heeft afgepakt, maakt dit relaas niet betrouwbaarder, komende van dezelfde bron.

Tot slot is de omstandigheid dat verdachte kort na de diefstal van de kluis in Thailand is geweest en kennelijk over een hoeveelheid contant geld kon beschikken, onvoldoende om als bewijs van de diefstal te kunnen gelden.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4, 5 en 6 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

4. omstreeks 26 november 2001 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een kluis voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het een door diefstal verkregen goed betrof;

5. op 04 februari 2004 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

6. op 21 mei 2006 te Zwaag, in de gemeente Hoorn, wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta, kaliber 9 mm parabellum) en een pistool (type Model GT 23, kaliber .22 L.R.), en munitie van categorie III, te weten 74 kogelpatronen (kaliber 9 mm met het merkopschrift Carb imi en Luger Lapua), voorhanden heeft gehad.

3.3. Nadere overweging ten aanzien van bewezenverklaring feit 5

De rechtbank overweegt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte 4,9 kilogram hasjiesj aanwezig heeft gehad, daar politiedeskundige drs. [persoon 4] in zijn verslag d.d. 9 februari 2004 (blz. 2269) heeft gerapporteerd dat het materiaal in de tassen (die onder verdachte in beslag zijn genomen) hennep is, zijnde een ander middel vermeld op lijst II van de Opiumwet.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officieren van justitie hebben bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hen onder 1 (voor zover betreffende, kort gezegd: mishandeling en dood door schuld), alsmede 3, 4, 5 en 6 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van het beslag hebben de officieren van justitie als volgt gevorderd, waarbij wordt verwezen naar de nummers op de beslaglijst, van welke een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht:

- Onttrekking aan het verkeer: nummers 9, 10 en 59.

- Teruggave aan verdachte: nummers 2 t/m 8, 12, 16, 45 t/m 59, 69 en 71 t/m 73.

- Teruggave aan de familie van Deborah Rosiek: nummers 20, 33 t/m 37, 39, 40, 42 t/m 44, 68 en 70.

- Deponeren: nummer 41.

7.1. Geen straf of maatregel

Ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, in beginsel passend.

Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank echter een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek geconstateerd, dat niet meer kan worden hersteld. Op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv is verlaging van de straf aangewezen ter compensatie van het door het verzuim veroorzaakte nadeel. Mitsdien zal geen straf aan verdachte worden opgelegd.

Ten aanzien van het beslag

De rechtbank beslist – in afwijking van hetgeen door de officieren van justitie is gevorderd – niet tot de maatregel van onttrekking aan het verkeer van de politiepasjes (nummer 9) en de foto’s van Rosiek (nummers 10 en 59), aangezien niet wordt voldaan aan één van de voorwaarden genoemd in de artikelen 36c of 36d van het Wetboek van Strafrecht, immers staan deze goederen in geen relatie tot de bewezenverklaarde of soortgelijke feiten. Omdat genoemde goederen toebehoren aan verdachte, dienen ze aan hem te worden teruggegeven.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart het onder 1, 2 en 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 4, 5 en 6 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 4, 5 en 6 meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

4. Medeplegen van opzetheling.

5. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie .

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van: nummers 2 t/m 10, 12, 16, 45 t/m 59, 69, 71 t/m 73 van de beslaglijst, van welke een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

Gelast de teruggave aan [persoon 5], de moeder van D.P. Rosiek, van: nummers 20, 33 t/m 37, 39 t/m 44, 68, 70 van de beslaglijst, van welke een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.

Daar het beslagene onder nummer 41 (de zogenaamde ‘Rosiektapes’) onderdeel uitmaakt van het dossier, wordt dit pas teruggegeven aan [persoon 5] indien dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.C. Lauwaars, voorzitter,

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. Zaagsma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2008.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature