< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Ne bis in idem / ambtshalve toets / geloofwaardigheid / internetbron.

Nu het beroep in de eerdere asielprocedure door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard als gevolg van een vormverzuim, heeft er niet eerder een rechterlijke beoordeling van het asielrelaas van eiser plaatsgevonden en is er van een ‘ne bis in idem’-situatie geen sprake. Weliswaar stond de weg naar de rechter de eerste keer open en heeft eiser verzuimd hiervan gebruik te maken, doch de rechtbank kent het ‘ne bis in idem’-beginsel niet een zodanig verstrekkende werking toe dat ook deze gevallen niet inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. Verweerder heeft in het onderhavige geval gesteld gebruik te hebben gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid en de (tweede) asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb . Nu verweerder echter feitelijk inhoudelijk het asielrelaas heeft getoetst en niet heeft volstaan met een enkele verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit dekt de vlag van artikel 4:6 Awb niet de lading en moet het ervoor worden gehouden dat verweerder geen toepassing aan artikel 4:6 Awb heeft gegeven. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangevoerd dat eisers verklaringen met betrekking tot de gevolgen van het nuttigen van alcohol strijdig zijn met algemene bronnen. Verweerder heeft in dit verband in het voornemen, waarvan de overwegingen in het besluit zijn herhaald en ingelast, en ter zitting verwezen naar de internetbron Wikipedia.org. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft kunnen volstaan met de stelling dat hetgeen eiser op dit punt naar voren heeft gebracht niet strookt met de algemene informatie, nu verweerder uitsluitend heeft verwezen naar voornoemde internetbron. Voornoemde bron kan naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere motivering van verweerder, niet als betrouwbare bron worden aangemerkt. Informatie van internet is niet zonder meer betrouwbaar en/of volledig zonder na te gaan wie die informatie heeft geplaatst en of derden deze informatie kunnen wijzigen. Beroep gegrond.

Uitspraak



Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000)

reg. nr.: AWB 05/8898 BEPTDN

V.nr.: 070.206.8780

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum] 1974, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J.A. Younge, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 1 augustus 2004 heeft eiser een (tweede) aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 20 december 2004 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 13 januari 2005 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 1 februari 2005 heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 28 februari 2005 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 7 april 2005. Op 12 april 2005 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 25 januari 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Soltaninejad, tolk in de Dari-taal.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag van eiser dient te worden afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb . Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De aanvraag van eiser wordt onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking afgewezen. Hetgeen in de zienswijze namens of door eiser naar voren is gebracht leidt niet tot een ander oordeel. De overwegingen uit het voornemen worden overgenomen en dienen als ingelast te worden beschouwd.

Eiser heeft vage, summiere, tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen afgelegd over de video van het feest en de gestelde bedreiging door zijn (schoon)vader. Eiser heeft meerdere data genoemd waarop dit feest zou hebben plaatsgevonden en hij heeft geen eenduidige datum genoemd waarop bekend is geworden bij zijn familie dat hij alcohol heeft gedronken. Eiser heeft voor deze discrepanties geen afdoende verklaring gegeven. Voorts heeft eiser geen verklaring van een medisch specialist overgelegd, waaruit zou blijken dat medische problemen (mogelijk) van invloed zijn geweest op zijn verklaringen.

Verder heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij telefonisch contact met zijn schoonvader heeft gehad, terwijl hij in het volgend gehoor ontkent zelf met zijn schoonvader te hebben gesproken en dat zijn echtgenote van de doodsbedreiging heeft vernomen van zijn schoonvader. De verklaring die eiser voor deze inconsistentie heeft gegeven - dat hij de telefoon heeft aangenomen en deze aan zijn echtgenote heeft gegeven toen hij hoorde dat het haar vader was - is ontoereikend, nu eiser hiermee pas in de zienswijze is gekomen en deze stelling niet al in een eerder stadium naar voren is gebracht. Ook overigens blijft het onduidelijk of eiser nu wel of niet met zijn schoonvader heeft gesproken, zodat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet tot een ander oordeel kan leiden.

Voorts is eisers verklaring met betrekking tot zijn schoonvader tegenstrijdig met de informatie uit algemene bronnen (Wikipedia.org). Blijkens deze informatie is het nuttigen van alcohol volgens de wetgeving van de islam geen zonde waarop de doodstraf zou staan, maar is dit een mild vergrijp. De gestelde bedreiging is enkel gebaseerd op het gestelde strenge geloof van zijn schoonvader. Het is niet geloofwaardig dat de schoonvader hem met de dood zou bedreigen vanwege het nuttigen van alcohol, nu niet is gebleken dat eiser een vete of ruzie met zijn schoonvader heeft. Bovendien is in Afghanistan geen enkel incident bekend van een doodstraf ten gevolge van het nuttigen van alcohol, zelfs niet ten tijde van het Talibanregime. De medische historie van de Medische Opvang Asielzoekers in AZC Schagen kan niet als een rechtens relevant novum worden beschouwd, nu hieruit niet blijkt dat er sprake is van een ziekte die een gerechtvaardigd beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aannemelijk maakt. Alleen onder uitzonderlijke omstandigheden kan uitzetting wegens dwingende redenen van humanitaire aard, gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM . Verweerder verwijst in dit verband naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraken van 11 april 2003 (200301121/1) en van 18 december 2002 (200205419/1).

Voorts blijft overeind staan dat eiser vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over het bezichtigen van de videoband door de familie in Afghanistan. De verklaring in de zienswijze dat hij niet precies weet wanneer de familie in Afghanistan de videoband heeft gezien, omdat hij niet bij de ontvangst ervan aanwezig is geweest, is niet voldoende.

1.2 Verweerder heeft voorts in het verweerschrift aangevoerd dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over het onthouden van schorsende werking niet wordt gevolgd. Aan eiser is schorsende werking onthouden op grond van artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Er is immers in de onderhavige zaak sprake van een herhaalde aanvraag.

1.3 Verweerder heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat de onderhavige aanvraag in het kader van 4:6 van de Awb is beoordeeld. Ook indien de rechtbank zou overwegen dat er in casu sprake is van nova, blijft overeind dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is en dat de aanvraag dient te worden afgewezen.

2. Eiser legt aan zijn beroep ten grondslag dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb . Hiertoe heeft eiser - samengevat - het volgende aangevoerd. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat op grond van de door hem naar voren gebrachte omstandigheden kan worden gesproken van een reëel risico dat hij bij terugkeer naar Afghanistan zal worden onderworpen aan een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM .

Aan het ingestelde beroep is ten onrechte schorsende werking onthouden. Eiser heeft er recht op en belang bij dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten en dat zijn (tweede) asielverzoek inhoudelijk zorgvuldig wordt behandeld. Voorts is van belang dat eiser en zijn echtgenote twee kleine kinderen hebben die de zorg behoeven die de (nood)opvang hen biedt.

Tevens is ten onrechte geen schorsende werking verleend, nu er wel degelijk sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid van de Awb . De feiten en omstandigheden waarop eiser zijn aanvraag baseert waren op het moment van de afwijzende beschikkingen nog niet bekend en konden redelijkerwijs niet bekend zijn, omdat deze feiten en omstandigheden zich nog niet hadden voorgedaan.

Door het gebruik van een Iraniër als tolk zijn er de nodige misverstanden ontstaan en is er sprake van onvolledige vertalingen. Aan eiser is gevraagd of hij de tolk goed had begrepen, maar aan de tolk is niet gevraagd of hij op zijn beurt eiser goed had begrepen.

Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat een beroep is gedaan op de algemene situatie in Afghanistan. Eiser en zijn echtgenote hebben beoogd te betogen dat zij de zorg voor hun kinderen hebben en dat het onduidelijk is wie deze zorg over zou nemen, indien eiser om het leven zou worden gebracht en de kinderen van zijn echtgenote zouden worden afgepakt. De uitleg van de Sharia, de islamitische wetgeving, wordt in familiezaken in Afghanistan standaard toegepast en deze uitleg is in strijd met artikel 8 van het EVRM , nu de kinderen worden gescheiden van hun ouders.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Artikel 4:6 van de Awb geeft voor de bestuurlijke besluitvorming invulling aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk op zo’n aanvraag te beslissen.

3. Voormeld algemeen beginsel geldt ook voor de rechtspraak: buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt het beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb , gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000. Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur, niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts éénmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader derhalve ook, indien het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet heeft toegepast. De regels inzake de toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser op 29 oktober 2001 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 heeft ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 4 februari 2003 afgewezen. Bij beroepschrift van 4 maart 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 9 mei 2003 (AWB 03/14029) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard als gevolg van een vormverzuim van eiser.

5. Nu het beroep in de eerdere asielprocedure door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard als gevolg van een vormverzuim, heeft er niet eerder een rechterlijke beoordeling van het asielrelaas van eiser plaatsgevonden en is er van een ‘ne bis in idem’-situatie geen sprake. Weliswaar stond de weg naar de rechter de eerste keer open en heeft eiser verzuimd hiervan gebruik te maken, doch de rechtbank kent het ‘ne bis in idem’-beginsel niet een zodanig verstrekkende werking toe dat ook deze gevallen niet inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.

6. Eiser heeft aan de tweede asielaanvraag - naar de kern bezien - ten grondslag gelegd dat zijn familie in het bezit is gekomen van een videoband waarop is te zien dat hij op een feestje van zijn vriend alcohol nuttigt en joints rookt. Hierdoor verwacht eiser bij terugkeer naar Afghanistan door zijn familieleden en/of de familieleden van zijn echtgenote te worden gedood.

7. Verweerder heeft in het onderhavige geval gesteld gebruik te hebben gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid en de (tweede) asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb . Nu verweerder echter feitelijk inhoudelijk het asielrelaas heeft getoetst en niet heeft volstaan met een enkele verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit dekt de vlag van artikel 4:6 van de Awb niet de lading en moet het ervoor worden gehouden dat verweerder geen toepassing aan artikel 4:6 van de Awb heeft gegeven.

8. De rechtbank zal derhalve inhoudelijk ingaan op de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000.

Blijkens het in paragraaf C1/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 neergelegde beleid bestaat de geloofwaardigheidstoets dan uit twee vragen:

- is het asielrelaas van de asielzoekers als geheel consistent en geloofwaardig?

- komen de verklaringen overeen met hetgeen overigens bekend is?

10. Verweerder heeft de conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is doen staven op een aantal ongeloofwaardig geachte, tegenstrijdige, inconsistente elementen. De rechtbank ziet als belangrijkste element van hetgeen eiser aan zijn (tweede) asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat eiser vanwege zijn alcoholgebruik op het feest van zijn vriend verwacht te worden gedood door zijn (schoon)familie, omdat dit als een zwaar vergrijp en als een zonde wordt gezien en eiser als afvallige zal worden beschouwd. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangevoerd dat eisers verklaringen op dit punt strijdig zijn met algemene bronnen. Verweerder heeft in dit verband in het voornemen, waarvan de overwegingen in het besluit zijn herhaald en ingelast, en ter zitting verwezen naar de internetbron Wikipedia.org. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft kunnen volstaan met de stelling dat hetgeen eiser met betrekking tot de gevolgen van het nuttigen van alcohol naar voren heeft gebracht niet strookt met de algemene informatie, nu verweerder uitsluitend heeft verwezen naar voornoemde internetbron en geen nader onderzoek naar andere informatiebronnen heeft gedaan naar de consequenties van dit vergrijp. Voornoemde bron kan naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere motivering van verweerder, niet als betrouwbare bron worden aangemerkt. Informatie van internet is niet zonder meer betrouwbaar en/of volledig zonder na te gaan wie die informatie heeft geplaatst en of derden deze informatie kunnen wijzigen.

Voorts is verweerder in onvoldoende mate ingegaan op de stelling van eiser dat hij in Afghanistan als afvallige zal worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie dat het asielrelaas niet geloofwaardig is niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegen motivering nu een belangrijk element in deze motivering niet kan worden gehandhaafd.

11. De punten die overigens door partijen over en weer zijn aangevoerd behoeven, gelet op het vorenoverwogene, geen nadere bespreking.

12. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb . Verweerder dient binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand ( 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 1 februari 2005;

3. bepaalt dat verweerder binnen acht weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. J. Recourt, voorzitter, in tegenwoordigheid van P. Deinum, griffier, en openbaar gemaakt op: 29 juni 2006

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc: PD

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6: 6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature