< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld, vrijwillige terugtred, psychische overmacht, psychologische rapportage, schending van fundamentele rechten, zorgvuldige voorbereiding, angststoornis, verminderde toerekeningsvatbaarheid

Uitspraak



Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 22 mei 2006

Parketnummer: 17/880276-05

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, HvB De Blokhuispoort, Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 8 mei 2006.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Kolkman, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BESPREKING VERWEER

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 1. telastegelegde feit aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het voorgenomen misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk en niet als gevolg van externe factoren. De raadsvrouw stelt dat de verdachte en zijn mededader onafhankelijk van externe factoren de overval niet hebben doorgezet.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn mededader bij het slachtoffer [slachtoffer 1] en zijn echtgenote [slachtoffer 2] aan de deur waren en dat zij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangesproken. Blijkens de aangifte van [slachtoffer 1] heeft hij verdachte en zijn mededader kort te woord gestaan en gezegd: "als jullie voor geld komen moet je hier niet zijn." Voorts heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij de mannen heeft afgescheept en zag dat verdachte en zijn mededader afdropen.

Naar het oordeel van de rechtbank miskent het verweer dat een besluit waartoe men door omstandigheden wordt gedwongen -zoals in het onderhavige geval- niet kan gelden als een omstandigheid van de wil van de dader afhankelijk als bedoeld in art. 46b Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2. en 3. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 29 november 2005 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen in of uit een woning geld en/of een of meerdere andere goederen van verdachtes en verdachtes mededaders gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken tezamen en in vereniging met zijn mededader

- zich door middel van het dragen van een muts en baard heeft verkleed/vermomd als kerstman en

- zich heeft begeven naar een woning aan het [naam straat] (perceel nummer 7) en

- (onder meer) twee messen en tie-rips en twee bivakmutsen en een rol tape heeft meegenomen en

- gewapend met die messen bij die woning (gelegen aan of bij het [naam straat]) heeft aangebeld en

- nadat was opgedaan aan die [slachtoffer 2] (onder meer) heeft verteld dat zij van de jongerenvereniging kwamen en die [slachtoffer 2] gevraagd of zij kerstcadeautjes wilden maken en/of gezegd dat verdachte en verdachtes mededader kerstcadeautjes kwamen brengen, althans mededelingen en/of vragen van gelijke leugenachtige aard of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 30 november 2005 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en een dvd-speler en autosleutels en een auto en een (grote) hoeveelheid huisraad/inboedel, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader die [slachtoffer 3] (onder meer)

- tegen de grond heeft geduwd en

- met een mes heeft bedreigd en

- de woorden heeft toegevoegd: "Ik steek je dood" en "We willen meer geld" en "Wil je dood" en

- op de handen heeft gestaan en

- tegen het lichaam heeft geschopt en

- met een mes in het lichaam heeft gestoken en

- aan armen en benen heeft vastgebonden en

- tape over de ogen heeft geplakt;

3.

hij op 30 november 2005 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en

beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer 3] in zijn woning (gelegen aan of bij de [naam straat], aldaar)

- tegen de grond geduwd en

- gedurende enige tijd mishandeld en/of bedreigd en

- aan diens kleding en/of lichaam door die woning getrokken en

- tape over de ogen geplakt en

- aan armen en benen vastgebonden en

- op het toilet van die woning neergezet en

- aldaar achtergelaten, en aldus

die [slachtoffer 3] gedurende enige tijd (ongeveer twee uren) verhinderd die woning te verlaten.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. primair

Poging tot diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2.

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3.

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Het beroep is onder andere gebaseerd op de verklaringen van de verdachte dat hij uit angst niet in durfde te gaan tegen zijn mededader. De verdachte moest voor zijn gevoel mee gaan naar de woning van het slachtoffer en mee naar binnen gaan. De angst bij de verdachte komt onder andere voort uit de wijze waarop de mededader met de verdachte is omgegaan. Zo zou de mededader de verdachte ooit hebben bedreigd met een mes. Verder stoelt de raadsvrouw haar verweer op een rapport van de psycholoog betrekking hebbend op de persoon van de verdachte, waarin wordt gesteld: "hij zag de wederrechtelijkheid van zijn handelen weliswaar in, maar kon vanwege de bestaande angststoornis - die ook bestond ten tijde van het delict - zijn handelen niet in overeenstemming brengen met het verstandelijk inzicht."

De rechtbank vat dit verweer op als gedaan met betrekking tot de onder 2 en 3 telastegelegde feiten. In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat het gelet op het psychologische rapport aannemelijk is dat verdachte angst koesterde voor zijn mededader. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte geheel was overgeleverd aan de angst voor zijn mededader en niet in staat was aan het initiatief van zijn mededader voldoende psychische weerstand te bieden. Ter zitting is onder meer vast komen te staan dat de verdachte - ten tijde van de onder 2 en 3 telastegelegde feiten - bij een aantal gelegenheden wel weerstand heeft geboden aan zijn mededader. Zo heeft verdachte verklaard dat hij tijdens de overval heeft geweigerd te voldoen aan de opdracht van zijn mededader om het slachtoffer te slaan.

Voorts overweegt de rechtbank dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin hij opnieuw is geconfronteerd met zijn reeds bestaande angst voor zijn mededader. Immers, de verdachte is de dag na het onder 1 bewezenverklaarde feit -op 30 november 2005- vanuit zijn ouderlijk huis afgereisd naar Gorredijk, de plaats waar hij met zijn mededader had afgesproken, wetende dat het de bedoeling was om een overval te gaan plegen. Vervolgens is hij aldaar met zijn mededader gekomen tot het plegen van de onder 2 en 3 telastegelegde feiten.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank dan ook het beroep op psychische overmacht.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ook overigens niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het voorlichtingsrapport en de psychologische en psychiatrische rapportage;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1. primair, 2. en 3. telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede de bijzondere voorwaarde van verplicht toezicht door de reclassering;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft samen met een ander geprobeerd een bejaard echtpaar te beroven. Voorts heeft hij, samen met dezelfde mededader, een man van 75 jaar in zijn woning beroofd van geld en andere goederen en hem geruime tijd van zijn vrijheid beroofd gehouden door hem te boeien en te knevelen en hem te dwingen in het toilet van zijn woning te verblijven. In het kader van de beroving hebben de daders het slachtoffer bedreigd en geweld op hem toegepast. Verdachte heeft met deze buitengewoon verwerpelijke handelingen een grove schending van fundamentele rechten van het slachtoffer gepleegd, zoals het recht op integriteit van het lichaam, het huisrecht en het recht op eigendom. Extra strafverzwarend acht de rechtbank dat de daders hun plan zorgvuldig hebben voorbereid, daaronder begrepen de aanschaf van een vermomming en van handboeien en tape alsmede het meebrengen van een mes. Voorts laat de rechtbank in negatieve zin meewegen dat zij voor de overval speciaal van Den Haag, waar zij het plan hebben beraamd, naar Gorredijk zijn gereisd om hun plan uit te voeren, alwaar woningen zijn uitgezocht waar uitsluitend alleenstaande bejaarde personen wonen. De rechtbank acht de omstandigheid dat verdachte en zijn mededader zich op geen enkele wijze hebben bekommerd om de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor het beroofde slachtoffer en dat zij deze man hulpeloos in zijn woning hebben achtergelaten, eveneens strafverzwarend. Onder deze omstandigheden lijkt alleen een langdurige gevangenisstraf recht te doen aan de samenleving en in het bijzonder aan de slachtoffers.

Voorts is van belang dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit. Als strafverminderde omstandigheid weegt de rechtbank mee dat aannemelijk is geworden dat de rol van verdachte, met name met betrekking tot het op het slachtoffer uitgeoefende geweld, minder was dan die van zijn mededader. De rechtbank heeft tevens de inhoud van het omtrent verdachte opgestelde psychologische rapport van 23 maart 2006 in aanmerking genomen. De conclusie van dit rapport luidt als volgt.

1. Verdachte is een afhankelijke, intellectueel benedengemiddelde man met een ziekelijke stoornis in de zin van een angststoornis NAO (niet anderszins omschreven). Hiervan was ook sprake ten tijde van het telastegelegde.

2. Bovengenoemde angststoornis is van dien aard dat het telastegelegde hem in verminderde mate moet worden toegerekend. Hij zag de wederrechtelijkheid van zijn handelen weliswaar in, maar kon vanwege de bestaande angststoornis zijn handelen niet in overeenstemming brengen met dat verstandelijke inzicht.

3. Verdachte is een suggestibele man die zich te snel laat leiden door de opvatting van anderen, in positieve maar ook in negatieve zin. In een sociale context die positief en normdragend is, is de kans op recidive niet groot. In een omgeving die normoverschrijdend is, zal betrokkene gemakkelijk meegaan in normoverschrijdend gedrag. Ter ondersteuning van zijn zwakke identiteit, angst (voor medeverdachte) en beïnvloedbaarheid wordt begeleiding/behandeling noodzakelijk geacht.

4. Ter preventie van recidive wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd waarbij de voorwaarde bestaat uit een ambulante begeleiding/behandeling onder langdurig toezicht door de reclassering.

De rechtbank kan zich -mede gelet op de inhoud van het proces-verbaal en het verhandelde ter zitting- verenigen met de conclusie en het advies van het psychologisch rapport en maakt deze tot de hare.

Gelet op de geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte in combinatie en samenhang met voornoemde strafverminderende omstandigheden, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank betrekt in dat oordeel evenzeer de hoogte van de aan de mededader in eerste aanleg opgelegde straf van 48 maanden gevangenisstraf maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Ook zal, mede gelet op het advies van de psycholoog, een deel van de straf voorwaardelijk worden opgelegd om begeleiding en behandeling mogelijk te maken. Om langdurig toezicht van de reclassering mogelijk te maken en om verdachte voor langere tijd te dwingen op het goede pad te blijven, zal de proeftijd op drie jaren worden bepaald.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14 a (oud), 14b (oud), 14c, 14d, 45, 47, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1. primair, 2. en 3. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, te Leeuwarden;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor deze reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Bracht, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. J.B.J. van der Leij, rechters, bijgestaan door mr. C.T. Brontsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2006.

Mr. Van der Leij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature