< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Het hof is verbaasd over de berekenende handelwijze van de verdachte, omdat zij als jonge vrouw zonder criminele antecedenten zelf aan het begin heeft gestaan van de zoektocht naar een huurmoordenaar voor [slachtoffer], de vader van haar kinderen, en daarin andere personen zonder enig relevant strafrechtelijk verleden heeft weten mee te slepen. Als medepleger van de moord op [slachtoffer] heeft zij veel leed berokkend aan de familie en kennissen van [slachtoffer] en niet in het minst aan haar kinderen, die hun vader voortaan moeten missen.

De vorenstaande overwegingen vormen de kern van hetgeen voor het hof bepalend is voor de aard en hoogte van de aan verdachte op te leggen straf.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Parketnummer: 20-008638-05

Uitspraak: 26 oktober 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

25 maart 2005 in de strafzaak met parketnummer 03-008115-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

wonende te [adres],

thans verblijvende in PI Breda Penitentiaire Inr. voor Vrouwen te Breda.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen, met verbetering van de opgelegde straf, en de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met inbegrip van de beslissingen omtrent het beslag, en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering, de opgelegde straf en de strafmotivering.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.

De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Op te leggen straf of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Bij vonnis in eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van

12 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Tegen dit vonnis zijn de officier van justitie en de verdachte in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf. Hij heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren geëist, met aftrek conform het bepaalde in art. 27 Wetboek van Strafrecht.

Van de zijde van de verdachte is bepleit een lagere straf op te leggen dan de door de rechtbank opgelegde straf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht (moord), en dan ook nog op een wijze (een huurmoord) die buiten het criminele milieu zelden voorkomt.

Niet alleen heeft zij een ander benaderd voor het vinden van een huurmoordenaar en is zij aldus initiatiefneemster geweest van de moord op [slachtoffer], maar zij was vervolgens ook persoonlijk betrokken bij de gesprekken hierover en heeft zelf het overeengekomen geldbedrag aan haar mededader uitbetaald. Verder was de verdachte persoonlijk aanwezig bij de uitvoering van het moordplan. Zijzelf fungeerde in het plan immers als lokaas, terwijl ze de feitelijke liquidatie van [slachtoffer] aan een ander overliet.

Het hof rekent het de verdachte voorts zwaar aan dat, hoewel tussen de eerste gesprekken inzake het uit de weg ruimen van [slachtoffer] (december 2002) en het moment waarop de moord werd gepleegd (12 maart 2003) er voor de verdachte ruimschoots gelegenheid is geweest om alsnog van het voorgenomen plan af te zien, verdachte van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Het hof stelt vast dat verdachte in die periode van enkele maanden er juist voor heeft gekozen om met haar mededaders plannen te ontwikkelen over de wijze waarop de moord uiteindelijk zou moeten plaatsvinden. Ook heeft zij nog druk op haar mededaders uitgeoefend toen de daadwerkelijke uitvoering van het moordplan volgens haar te lang op zich liet wachten.

Het hof is verbaasd over de berekenende handelwijze van de verdachte, omdat zij als jonge vrouw zonder criminele antecedenten zelf aan het begin heeft gestaan van de zoektocht naar een huurmoordenaar voor [slachtoffer], de vader van haar kinderen, en daarin andere personen zonder enig relevant strafrechtelijk verleden heeft weten mee te slepen. Als medepleger van de moord op [slachtoffer] heeft zij veel leed berokkend aan de familie en kennissen van [slachtoffer] en niet in het minst aan haar kinderen, die hun vader voortaan moeten missen.

De vorenstaande overwegingen vormen de kern van hetgeen voor het hof bepalend is voor de aard en hoogte van de aan verdachte op te leggen straf.

Van de zijde van de verdachte is het volgende naar voren gebracht, op grond waarvan aan verdachte in haar visie een lagere straf dient te worden opgelegd dan de door de rechtbank opgelegde straf. Gesteld is dat verdachte, nadat zij het overeengekomen geldbedrag van ? 15.000,-- aan de huurmoordenaar had betaald, op 10 maart 2003 heeft getracht het moordplan af te blazen. De huurmoordenaar zou haar toen hebben aangegeven dat dit niet meer kon omdat hij reeds geld in verband met de moord zou hebben uitgegeven. Wat daar ook van zij, het hof stelt vast dat de verdachte hierna haar activiteiten ter voorbereiding en uitvoering van het moordplan gewoon heeft voortgezet, terwijl er ook op dat moment nog mogelijkheden voor haar waren om van het gehele plan af te zien.

Van de zijde van de verdachte is voorts nog aangevoerd dat zij tot haar handelen is gekomen naar aanleiding van de vele bedreigingen die [slachtoffer] jegens haar heeft geuit. Het hof stelt in dit verband vast dat uit de processtukken blijkt dat [slachtoffer] absoluut geen onbeschreven blad was en dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] vanaf 1995 met regelmaat momenten heeft gekend waarin ruzies met soms fysiek geweld en bedreigingen door [slachtoffer] aan de orde waren. In dit verband heeft de verdachte in hoger beroep nog gewezen op een mishandeling door [slachtoffer] in 1999 toen zij enkele maanden zwanger was van haar zoon [naam]. Deze bedreigingen en geweldplegingen waren in die totale en lange periode evenwel geenszins reden voor de verdachte om definitief met [slachtoffer] te breken. Sterker nog, uit de verklaring van [getuige 1] (p. 749) blijkt dat de verdachte op de vraag "Waarom ga je toch niet weg bij de vent?" haar heeft geantwoord dat ze van een bijstandsuitkering niet kon rondkomen als vrouw met twee kinderen. [getuige 1] verklaart verder dat verdachte smeet met geld. Verdachte profiteerde nadrukkelijk van het geld van [slachtoffer]. Gelet op het vorenstaande acht het hof het niet aannemelijk, dat de genoemde bedreigingen en geweldplegingen in deze totale periode voor verdachte de grondslag waren voor het beramen en uitvoeren van het moordplan.

Verder heeft de verdachte aangevoerd dat haar angst zowel voortkwam uit de omstandigheid dat [slachtoffer] haar bedreigde omdat ze haar relatie met hem had beëindigd en verdachte intussen een nieuwe relatie was aangegaan als uit de omstandigheid dat ze geld van [slachtoffer], dat in haar woning in de ijskast werd bewaard, op een bepaald moment niet meer terug kon geven. Deze bedreiging werd nog kracht bijgezet doordat haar bekend was geworden dat [slachtoffer] een 'knepper' (vuurwapen) had aangeschaft.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[getuige 2] heeft verklaard (p. 810) dat het [slachtoffer] niet interesseerde dat verdachte een nieuwe vriend had. Volgens [getuige 2] zou [slachtoffer] alleen pissig zijn geweest omdat het geld weg was. Ook [getuige 4] heeft verklaard (p. 622) dat [slachtoffer] hem vertelde dat de verdachte een nieuwe vriend had, maar dat dit hem ([slachtoffer]) niet interesseerde. Daarnaast kent het hof gewicht toe aan de verklaring van [getuige 1] (p. 634) die aangeeft dat [slachtoffer] vertelde dat het feit dat verdachte de relatie met [slachtoffer] had verbroken, [slachtoffer] niet zoveel interesseerde. [slachtoffer] wilde het netjes regelen met haar, de moeder van zijn kinderen. Hij wilde haar en de kinderen het huis laten en haar verder nog geld meegeven. Verder wijst het hof nog op de verklaring van [getuige 3], de partner van de broer van [slachtoffer], die erop wijst (p. 661) dat [slachtoffer] altijd heeft gezegd dat hij zijn geld terug wilde hebben en dat hij verdachte verder met rust zou laten.

Bovendien stelt het hof vast dat op het moment dat de eerste gesprekken over de voorgenomen huurmoord plaatsvonden, [slachtoffer] nog niet op de hoogte was van de nieuwe relatie van verdachte met [betrokkene].

Gelet op bovengenoemde omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat bedreigingen door [slachtoffer] op grond van het verbreken van de relatie met [slachtoffer] en (de keuze van) een nieuwe vriend niet aannemelijk zijn geworden.

In verband met 'concretisering' van de bedreiging aan verdachte door de mededeling dat door [slachtoffer] een 'knepper' (vuurwapen) was aangeschaft overweegt het hof als volgt. Pas op 8 maart 2003 - en derhalve enkele dagen voor de moord en enkele maanden nadat de voorbereidingsgesprekken al een aanvang hadden genomen - geeft [slachtoffer] telefonisch aan genoemde [getuige 3] door dat hij zijn geld van verdachte terug wilde en zich daarom een 'knepper' had aangeschaft. [getuige 3] belde dit door aan de moeder van de verdachte, die op haar beurt verdachte hiervan telefonisch in kennis stelde. Het hof stelt vast dat het hier louter om een mededeling gaat die niet is gevolgd door een daadwerkelijke bedreiging van verdachte met een vuurwapen door [slachtoffer].

Ten aanzien van de angst van verdachte doordat zij het genoemde geld niet meer aan [slachtoffer] kon teruggeven overweegt het hof als volgt.

Uit de verklaring van [getuige 2] (p. 809) volgt dat hij eind 2002 tegen verdachte heeft gezegd dat hij haar wilde helpen wanneer zij financiële problemen had. De verdachte heeft hem toen medegedeeld dat zij nog een bedrag van ? 62.000,- had liggen dat de politie bij de huiszoeking over het hoofd had gezien. Verder blijkt dat verdachte in november 2002 een bedrag van ? 7.500,- voor [slachtoffer] had ontvangen in verband met de verkoop van een auto. Daarnaast heeft [getuige 5] verklaard (p. 2001) dat zij eind februari 2003 de verdachte heeft aangeboden het door de verdachte aan haar geleende geld terug te betalen, waarop de verdachte te kennen gaf dat dit niet zo'n haast had. Uit de verklaring van [getuige 6] (broer van het slachtoffer) blijkt dat [slachtoffer] hem had verteld dat verdachte een bedrag van ? 10.000,- mocht houden (p. 370). Bovendien heeft [getuige 6] verklaard (p. 379) dat [slachtoffer] tegen de verdachte had gezegd dat zij het geld maar aan hem ([getuige 6]) moest geven. Ook van deze mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

Uit de verklaring van de broer van verdachte, [getuige 7], volgt dat de verdachte hem had ver-teld dat zij het geld van [slachtoffer] had verstopt en dat zij dat niet terug wilde geven (p. 592/593). Volgens [getuige 7] had de verdachte tegen zijn moeder of zus verteld dat zij het geld niet aan [slachtoffer] wilde teruggeven omdat [slachtoffer] haar had bedreigd.

Uit het vorenstaande leidt het hof in de eerste plaats af dat verdachte voorafgaand aan de betaling van de ? 15.000,-- aan de huurmoordenaar over voldoende financiële middelen beschikte of - in ieder geval - kon beschikken om [slachtoffer] terug te betalen. In de tweede plaats blijkt, dat verdachte er kennelijk bewust voor heeft gekozen het geld niet terug te geven. Sterker nog, ze heeft ? 15.000,- aangewend voor de huurmoord op [slachtoffer]. Het hof is van oordeel, dat indien verdachte al reden had te vrezen voor geweld van [slachtoffer], omdat zij hem het geld niet kon teruggeven, zij deze vrees aan zichzelf te wijten had, nu zij ervoor verantwoordelijk was dat het geld niet aan [slachtoffer] werd teruggegeven of kon worden teruggegeven. Bedoelde angst kan reeds daarom niet als een strafverminderende factor worden aangemerkt.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte derhalve in elk geval een financieel motief gehad voor haar afschuwwekkende handelwijze inzake de voorbereiding en uitvoering van de moord op [slachtoffer]. Of dit motief het enige of voornaamste motief van verdachte, die tijdens de detentie van [slachtoffer] een relatie was aangegaan met een jongere partner, is geweest, kan in het midden worden gelaten, nu een en ander niet afdoet aan hetgeen het hof hierboven heeft overwogen over de ernst van het bewezen verklaarde, welke ernst in de kern bepalend is voor de aard en de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf.

Het hof zal de verdachte een lagere vrijheidsstraf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, rekening houdend met het blanco strafblad van verdachte, met de omstandigheid dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is en met de persoonlijke omstandigheden voorzover daarvan is gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenis-straf geheel in mindering zal worden gebracht;

bevestigt het vonnis voor al het overige.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mrs. J.M.W.M. van den Elzen en W.E.C.A. Valkenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 26 oktober 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature