< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank Utrecht heeft de kindercardioloog Paul H. veroordeeld voor dood door schuld van de 7 maanden oude baby Charlotte en voor het bezit van kinderporno.

Uitspraak



RECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummers : 16/028638-02; 16/100293-02 (ttz. gev.)

Datum uitspraak : 30 november 2004

Tegenspraak

Raadsman: mr. A.M.F. van Veghel

G/T: Nee

VERKORT VONNIS

van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 november 2004 en 16 november 2004.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 november 2004 de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van die dagvaardingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. Bewijsoverwegingen in de zaak onder parketnummer 16/028638-02

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende:

2.1 Ten aanzien van de vaststaande feiten

a. Charlotte is op 31 juli 2000 geboren met een zeer zeldzame hartafwijking: een dubbele aortaboog met een vernauwing in beide bogen.

b. Nadat bij een operatie op 21 augustus 2001 de dubbele boog is verwijderd en de vernauwing is opgeheven, vindt bij Charlotte op 16 oktober 2000 een ballondilatatie plaats omdat de vernauwing is teruggekeerd.

c. Bij een controle van Charlotte op 12 december 2000 blijkt er wederom sprake te zijn van een vernauwing.

d. Tijdens het chirurgisch overleg op 21 december 2000 is met betrekking tot een volgende ingreep bij Charlotte, gelet op haar anatomie (de afstand tussen de coarctatie en de trunctus) besloten om zo lang mogelijk tijd te rekken; bij meer klachten over te gaan tot redilatatie en bij voorkeur geen stent te plaatsen. Aan dit overleg nemen onder anderen deel de kinderhartchirurg [getuige 1], de cardiothoracaalchirurg [getuige 2], alsmede [getuige 3], [getuige 4] en verdachte, allen kindercardioloog.

e. Tijdens een controle op 19 februari 2001 komt verdachte tot de conclusie dat het slechter met Charlotte gaat en besluit hij bij Charlotte een ingreep te plannen.

f. In diverse gesprekken heeft verdachte tegenover de ouders van Charlotte zijn voorkeur voor plaatsing van een stent bij Charlotte uitgesproken. In een gesprek vóór 1 maart 2001 heeft verdachte tegen de ouders van [Charlotte] gezegd dat, indien mogelijk, een stent geplaatst zou worden, maar dat die mogelijkheid tijdens de ingreep zou worden bekeken en dat de kans daarop 10% was. Verdachte heeft op geen enkel moment aan de ouders van Charlotte kenbaar gemaakt dat het plaatsen van een stent een risicovolle ingreep was; hadden zij dit geweten dan hadden zij daarvoor nooit toestemming gegeven.

g. Verdachte heeft op enig moment in februari 2001 overleg gehad, al dan niet in hypothetische vorm, met de meest ervaren kindercardioloog [getuige 5] over de plaatsing van een stent bij Charlotte. [getuige 5] heeft daarbij aangegeven "Keep all options open”.

h. Op het programma van de hartcatheterisatiekamer d.d. 1 maart 2001 staat als geplande interventie van Charlotte een "ballondilatatie" genoteerd, met verdachte en [getuige 5] als interventie-cardiologen.

i. Charlotte is op 28 februari 2001 opgenomen in het ziekenhuis. Op dat moment blijkt dat Charlotte in de twee weken voorafgaand aan haar opname wel goed is gegroeid. De ouders van Charlotte hebben dit aan verdachte voorgelegd met de vraag of de operatie - mede gelet op het besluit van 21 december 2000 - niet uitgesteld kon worden. Verdachte heeft toen even gedacht Charlotte naar huis te sturen, maar heeft toch besloten tot een catheterisatie.

j. Op 28 februari 2001 heeft [getuige 5] verdachte laten weten niet bij de interventie aanwezig te zullen zijn in verband met een ruzie tussen beiden op het persoonlijke vlak.

k. De ingreep vindt plaats op 1 maart 2001. Verdachte wordt daarbij geassisteerd door [getuige 6], kinderarts in opleiding, die enige dagen daarvoor door verdachte is gevraagd om "een paar extra handen" te zijn. De ingreep bij Charlotte is haar eerste hartcatheterisatie. Bij de ingreep zijn ook aanwezig de anesthesie-verpleegkundige [getuige 7] en de anesthesioloog [getuige 8], die tijdens de ingreep enige tijd door zijn collega [getuige 9] is afgelost.

l. Tijdens de ingreep concludeert verdachte op grond van een bij die gelegenheid gemaakte angiografie dat er voldoende ruimte is tussen de coarctatie en de trunctus om een stent te plaatsen. Verdachte overlegt daarover vervolgens met de in de controlekamer bij de hartcatheterisatiekamer aanwezige (kinder)cardiologen [getuige 3] en [getuieg 4] en de cardio-chirurgen [getuige 1]en [getuige 2]. Op grond van bedoelde angiografie zijn ook [getuige 2]en [getuige 1] van mening dat de afstand tussen vernauwing en halsslagader groter is dan eerder. Zij hebben vervolgens het besluit tot plaatsing van een stent niet tegengesproken omdat, bezien vanuit hun specialisme, het bezwaar tegen plaatsing van een stent is vervallen. Daarop heeft verdachte een stent bij Charlotte geplaatst.

m. Verdachte heeft voor 1 maart 2001 geen overleg gehad met de functielaboranten over de benodigde materialen, maar heeft op het moment van de beslissing tot stentplaatsing gevraagd naar het materiaal. Verdachte kiest voor een P188 stent, aangezien deze stent bij groei opgerekt kan worden. Het lukt verdachte niet de stent door een 6F sheath (F = French = 0,33 mm) op te voeren. Verdachte neemt dan een 8F sheath, maar deze is te lang voor de ballon. Daarom kort verdachte vervolgens de sheath in, waarbij [getuige 4] hem aangeeft dat hij dat ter voorkoming van bramen het beste kan doen met een mesje op de onderzijde van een metalen bakje. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist dat risico's werden genomen op het moment dat hij besloot de sheath af te snijden, omdat de afgesneden sheath niet kan worden bijgewerkt of minder scherp kan worden gemaakt. [getuige 1] vond het niet slim dat verdachte de sheath afsneed en maakte tegenover [getuige 2] de opmerking: "Nou die durven."

n. Bij het opvoeren van de sheath constateert verdachte dat deze niet voorbij de bifurcatie wil. Derhalve heeft hij de stent vervolgens verder onbeschermd opgevoerd.

o. Nadat verdachte de stent heeft geplaatst, vraagt hij aan [getuige 6] de sheath te verwijderen. Zij slaagt daarin niet omdat deze vast zit. Daarop verwijdert verdachte zelf de sheath. Daarbij moet hij meer kracht zetten dan gebruikelijk en nadat de sheath is verwijderd constateert hij dat aan het uiteinde van de sheath een braam/vouw zit. Verdachte merkt dan op dat hij mogelijk iets heeft beschadigd. Daarbij was hij niet bang voor het doorsnijden of scheuren van een vat, maar dacht hij alleen aan een beschadiging van de intima van het bloedvat. Om die reden heeft hij (in het HCK-verslag, alsmede mondeling ten overstaan van [getuige 6]) aangegeven dat de volgende dag een echo van het grote bloedvat (arteria iliaca) gemaakt moest worden in verband met een verhoogd risico op trombose.

p. [getuige 8] en [getuige 7] dragen Charlotte aan het personeel van de verkoeverkamer over. Daarbij is aan de daar werkzame verpleegkundige [getuige 10] meegedeeld dat zij bij Charlotte extra moet letten op nabloedingen.

q. Op de verkoeverkamer is Charlotte aangesloten op de monitor, saturatie- en hartbewaking en op de bloeddrukbewaking. Op het moment dat de saturatie bij Charlotte wegvalt, roept [getuige 10] [getuige 8] erbij, die om ongeveer 15.00 uur op de verkoeverkamer

komt. Intussen hoort verdachte die op dat moment op de hartcatheterisatiekamer een volgende patiënt behandelt, dat het slecht gaat met Charlotte. Verdachte verzoekt dan aan [getuige 2] om naar haar te kijken en wijst hem daarbij op de mogelijkheid van een bloeding. [getuige 2] en [getuige 8] voelen beiden een bobbel ter grootte van een sinaasappel in de buikholte van Charlotte. Het is dan rond 15.00 uur.

r. [getuige 2] verzoekt dan de kinderchirurg [getuige 11] naar Charlotte te kijken. Deze constateert om ongeveer 15.45 uur dat Charlotte in een shock is, onvoldoende bloeddruk heeft, grauw ziet en een zwelling links in de buik heeft. Naar zijn mening is de bloeding al spontaan getamponneerd en moet Charlotte worden gestabiliseerd door bloed -op juiste temperatuur- en vocht toe te dienen. Nadat Charlotte om 16.25 uur is overgebracht naar de Intensive Care ziet [getuige 11] haar opnieuw en dan besluit hij tot een spoedoperatie omdat Charlotte niet gestabiliseerd kan worden.

s. Op de IC wordt Charlotte beademd via de machine. Het kind verkeert in een diepe shock. [getuige 8] probeert een centrale lijn in te brengen hetgeen na 20 minuten lukt. Na toediening van bloed en adrenaline stabiliseert Charlotte weer. Om 17.00 uur besluit [getuige 11] na toestemming van de ouders tot een spoedoperatie en laat hij de OK in gereedheid brengen. Echter, voor het zover is, treedt een hypotensie op waarna om 17.38 uur gestart wordt met reanimatie. Na een half uur wordt besloten de reanimatie te staken in verband met het uitblijven van succes. Charlotte overlijdt om 18.00 uur.

2.2 Ten aanzien van de deskundigenverklaringen

t. Prof. Dr. J. Hess, Dr. M. de Moor en Prof. Dr. D.A. Legemate zijn door de rechter-commissaris als deskundigen benoemd. De deskundige Hess heeft op 16 februari 2004 aan de hand van een hem voorgelegde vragenlijst over de ingreep bij Charlotte gerapporteerd en op 6 juni 2004, naar aanleiding van nadere vragen daarover een aanvullend rapport uitgebracht. Deze rapporten zijn op verzoek van de verdediging voorgelegd aan de deskundige De Moor die heeft gerapporteerd, welk rapport op 11 oktober 2004 bij het kabinet van de Rechter-Commissaris is ingekomen. De deskundige Legemate heeft op 15 september 2004 gerapporteerd over de gang van zaken tijdens de nazorgfase. De deskundigen Hess en Legemate zijn ter terechtzitting van 15 november 2004 als deskundigen gehoord.

u. De deskundigen Hess, - in zijn rapporten respectievelijk ter terechtzitting van 15 november 2004 -, en De Moor - in zijn rapportage - hebben als hun deskundig oordeel gegeven, voor zoveel van belang en zakelijk weergegeven:

- ingrijpen bij Charlotte was wel noodzakelijk, maar NIET spoedeisend (Hess);

- er bestond geen levensbedreigende situatie (Hess en De Moor);

- degene die de ingreep verricht, is in strikte zin daarvoor verantwoordelijk (Hess en De Moor), en daarnaast zijn ook de seniorartsen die naar de hartcatheterisatiekamer werden geroepen, verantwoordelijk (De Moor);

- het hangt af van de 'couleur locale' hoe een besluitvorming plaats vindt (Hess);

- vooral op het gebied van stentimplantaties is een specifieke deskundigheid qua indicatiestelling en uitvoering vereist en stentimplantaties in de aorta bij kinderen van deze leeftijd zijn op zijn minst omstreden en risico's zijn onbekend (Hess);

- het risico van complicaties bij stentimplantaties is zeer waarschijnlijk (Hess);

- in de hele wereld zijn nauwelijks gevallen bekend van stentimplantaties bij kinderen beneden één jaar oud en het resultaat op langere termijn is eveneens niet in te schatten (Hess);

- een stent groeit niet mee en kan enkel verwijderd worden door het bloedvat waarin de stent is geplaatst, te verwijderen (Hess);

- een dergelijke zeer gecompliceerde ingreep zou slechts door twee zeer ervaren en kundige artsen gedaan moeten worden (De Moor);

- in 2001 was stentplaatsing bij een kind beneden de 12 maanden misschien mogelijk, maar slechts in buitengewone omstandigheden en in een levensbedreigende situatie zonder alternatief, met voorafgaande planning van de ingreep en uitgevoerd door ervaren mensen (De Moor);

- een 8F sheath mag in deze kleine arterie nooit geplaatst worden (Hess en De Moor), want het gebruik van een 8F-sheath bij een kind van 6 kg betekent dat men een sheath gebruikt die groter is dan de femorale arterie en hoogstwaarschijnlijk veel schade veroorzaakt (De Moor);

- met het plaatsen van een grotere stent met het oog op de toekomst gaat men uit van veronderstellingen waardoor men in een grijze zone terechtkomt (Hess);

- in alle gevallen is het gebruik van een P188 stent niet te rechtvaardigen in deze situatie (Hess en De Moor) en de gebruikte ballon (Tyshak) had niet voor stentimplantatie gebruikt mogen worden (Hess en De Moor);

- het resultaat van de ingreep is erg slecht: de ligging van de stent is te proximaal, is te lang, knikt de aorta en interfereert met de afgang naar de halsvaten (Hess en De Moor);

- het afsnijden van de sheath is niet lege artis (Hess en De Moor);

- na de ingreep had aan het bloedingsrisico gedacht had moeten worden (Hess en De Moor);

- direct na de ingreep had een echo van de buik en retriperitoneale ruimte moeten plaatsvinden op grond van de door verdachte opgemerkte vaatproblemen (Hess);

- indien eerder een echo gemaakt was, zou de diagnose bloeding gesteld zijn en de kinderchirurg was dan zeker eerder geconsulteerd geweest (Hess);

- verdachte had zo weinig ervaring met en oordeelkundig inzicht in deze ingrepen dat hij zich zelfs niet bewust was van de beschadiging die hij mogelijk veroorzaakt had en als gevolg van dit gebrek aan inzicht was hij niet in staat gerechtvaardigde zorgen over de ingreep door te geven aan het team dat de zorg over het kind na de hartcatheterisatie overnam (De Moor);

-verdachte had een verschrikkelijke afloop kunnen verhinderen door het nemen van adequate voorzorgsmaatregelen, het doen van passend onderzoek en dergelijke (De Moor);

- een echo was nuttig geweest, maar nog belangrijker, met de voor de ingreep verantwoordelijke cardioloog naast het bed, zou het mogelijk zijn geweest om gebaseerd op zijn ingreep, daarna snelle en passende beslissingen te nemen: het inzicht van de operateur is de belangrijkste verbindende schakel (De Moor);

- een echo op de hartcatheterisatiekamer was van essentieel belang geweest, de shock is niet meer gecompenseerd en er ontstond een vicieuze cirkel die niet meer te stuiten was, er is een 'point of no return' (Hess);

- er is sprake van een bijna onafwendbare situatie: de recoarctatie bij [Charlotte] is behandeld met een stentimplantatie die uiteindelijk tot de dood gevoerd heeft en het niet tijdig onderkennen/overwegen van een massieve retroperitoneale bloeding ten gevolge van een vaatlaesie voert dan tot de fatale afloop (Hess).

v. De deskundige Legemate heeft in zijn rapport en ter terechtzitting als zijn deskundig

oordeel gegeven, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

-het is de taak van de interventiecardioloog de overdracht mondeling dan wel schriftelijk te verrichten;

-de monitoring op de recovery is adequaat geweest: om 15.00 uur werd geconstateerd dat er mogelijk iets aan de hand was en zijn er adequate handelingen ingezet, waarbij met name het toedienen van het bloed om 15.15 uur onder deze omstandigheden zeer adequaat is geweest;

- [getuige 11] is om 15.45 uur geconsulteerd, hetgeen aan de late kant is, temeer daar al om 15.00 uur een ernstige afwijking werd geconstateerd en om 15.10 uur een ernstige bloeddrukdaling;

- [getuige 11] heeft toen een echo aangevraagd;

- het is een uitzonderlijk moeilijke situatie om op te anticiperen;

- het is de meest rigoureuze optie om direct te gaan opereren, maar men neemt eerst andere stappen: ondanks opvullen bleef de situatie instabiel en een spoedoperatie was geïndiceerd toen opnieuw een lage bloeddruk ontstond;

- de uitslag van de echografie op de recovery-afdeling duidt op een ernstige bloeding, hetgeen in combinatie met de slechte bloeddrukken en saturatie tekenen van een ernstige verbloedingsshock zijn waarvan het twijfelachtig is of dit door 'tamponnade' spontaan tot staan zal komen, temeer daar de ernst van het letsel in de bekkenslagader niet precies bekend is (klein gaatje of grote scheur, gezien de problemen met de sheath denk ik (d.i. Legemate, Rb) eerder aan het laatste);

-een keten van gebeurtenissen heeft geleid tot het overlijden van Charlotte: de twee belangrijkste elementen zijn de beschadiging van de arterie tijdens de interventie en de conservatieve behandeling van de nabloeding;

-de beschadiging van de arterie heeft niet onafwendbaar geleid tot het overlijden van Charlotte, de nabloeding en de inschattingsfout (achteraf) met betrekking tot de ernst van de bloeding hebben daaraan mede bijgedragen.

2.3 Ten aanzien van hetgeen primair ten laste is gelegd: doodslag op [Charlotte]

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de beoordeling, of verdachte [Charlotte] opzettelijk van het leven heeft beroofd, zich toespitst op de vraag of bij verdachte voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in deze het overlijden van [Charlotte] - aanwezig was.

Bij de beoordeling daarvan moet het volgende voorop worden gesteld.

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld

aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de

gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de

omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de

omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip

"aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen

moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een

kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het

gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard

(op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de

verdachte aanwezig is, dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer

volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard (HR 25 maart

2003, NJ 2003, 552).

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte in de uitoefening van zijn beroep als arts in het

onderhavige geval bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg (het overlijden van Charlotte)

heeft aanvaard, acht de rechtbank hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard omtrent

hetgeen hem voor ogen stond met de stentplaatsing. Verdachte heeft te kennen gegeven dat hem

met deze ingreep het herstel van Charlotte voor ogen stond. Hij wilde met de stentplaatsing

bereiken dat Charlotte zo lang mogelijk van medische ingrepen verschoond zou blijven en eerst

dan weer behandeld zou hoeven worden op het moment dat de geplaatste stent als gevolg van

het natuurlijk groeiproces van Charlotte verder zou moeten worden opgerekt. De rechtbank acht

deze verklaring van verdachte geloofwaardig. Verdachte heeft hiertoe immers ook overleg

gevoerd, zowel tijdens het chirurgenoverleg van 21 december 2000, alsook daarna met zijn

collega dr. Sreeram (al dan niet in hypothetische vorm) en tijdens de ingreep op 1 maart 2001

met de daarbij aanwezige cardiologen en cardio-chirurgen. Wat ook de kwaliteit van dit overleg

mag zijn geweest, genoemde omstandigheden kunnen niet leiden tot de vaststelling dat

verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (op de koop toe genomen) dat Charlotte

als gevolg van het op deze wijze plaatsen van een stent en de daarmee verband houdende

handelwijze van verdachte zou kunnen komen te overlijden.

Het onder parketnummer 16/028638-02 primair ten laste gelegde feit - de doodslag – kan

derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte dient daarvan dan ook te

worden vrijgesproken.

2.4 Ten aanzien van hetgeen subsidiair ten laste is gelegd: dood door schuld

De raadsman heeft het verweer gevoerd, dat aan verdachte geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de in de tenlastelegging weergegeven handelwijze, nu hij medisch zorgvuldig heeft gehandeld en slechts op een viertal punten ruimte bestaat om de zorgvuldigheid nader te toetsen, te weten de afweging om de ingreep na keuze voor plaatsing van een stent voort te zetten, de keuze voor een P188-stent en een 8 French sheath, de afweging de ingreep door te zetten met een afgesneden sheath, alsmede de inschatting alleen aan een beschadiging van de intima te denken en niet ook aan een ernstige slagaderlijke bloeding.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Voorop wordt gesteld dat het aannemen van bewuste schuld in een situatie als deze een gemis van díe voorzichtigheid vereist, die in de gegeven omstandigheden van ieder voor zijn handelen verantwoordelijk persoon mag worden gevergd. Deze moet daarbij hebben voorzien of hebben kunnen voorzien tot welke gevolgen zijn handelen of nalaten kon leiden. Hij moet voldoen aan de eisen die mogen worden gesteld aan personen die voor wat betreft onder meer opleiding en ervaring vergelijkbaar zijn. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat van een specialist, die meer dan gewoon bekwaam is op een bepaald medisch gebied, bij de uitoefening van zijn beroep een grotere voorzichtigheid mag worden verlangd, waaronder met name een extra bedachtzaamheid ten aanzien van gebeurtenissen die behoren te worden vermeden. Dit geldt vooral wanneer het menselijk leven in het geding is.

Op grond van hetgeen hiervoor onder de 2.1 met betrekking tot de feiten is overwogen komt de rechtbank tot het volgende oordeel over de schuld van verdachte, waarbij zij de hiervoor onder 2.2 weergegeven conclusies van de deskundigen Hess en De Moor met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van de ingreep, alsmede de conclusies van de deskundige Legemate met betrekking tot de gang van zaken op de verkoeverkamer tot de hare maakt.

Verdachte heeft bij [Charlotte] een stent van een onjuist formaat, met een verkeerde soort ballon, via een sheath met een voor Charlotte te grote diameter ingebracht, terwijl geen sprake was van een noodsituatie of spoedindicatie en zonder daarbij de assistentie in te roepen van de in het UMCU meest ervaren kindercardioloog of een andere op dit vlak ervaren deskundige.

Bovendien heeft verdachte, toen tijdens de ingreep op basis van ad hoc-overleg bleek dat de anatomische bezwaren tegen plaatsing van een stent waren vervallen, geen overleg met de ouders gevoerd/laten voeren over de vraag of zij met de plaatsing van een stent instemden, waarvoor temeer aanleiding bestond nu verdachte de ouders van Charlotte niet al in een eerder stadium over de daaraan verbonden risico’s heeft geïnformeerd. Aldus heeft verdachte hen de mogelijkheid ontnomen om de ingreep te doen beëindigen. Bovendien staat vast dat verdachte er niet voor heeft gezorgd dat de juiste materialen voor de plaatsing van een stent op de hartcatheterisatiekamer aanwezig waren. Als verdachte dit tijdens de ingreep constateert, zet hij niettemin de ingreep voort. Daartoe heeft hij niet alleen - in strijd met hetgeen als medisch verantwoord wordt beschouwd - de te lange 8F sheath afgesneden in de wetenschap dat daaraan extra risico’s verbonden zijn, maar ook voert hij de stent verder onbeschermd op wanneer blijkt dat de sheath niet verder gaat dan de bifurcatie.

Verdachte heeft aldus op verschillende momenten na de opname van [Charlotte] op 28 februari 2001 en met name ook tijdens de ingreep op 1 maart 2001 de keuze gehad om de ingreep uit te stellen, respectievelijk alleen de geplande ballondilatatie uit te voeren, danwel de ingreep tussentijds te beëindigen en deze uit te voeren op een later tijdstip waarop de juiste materialen wel beschikbaar zouden zijn en overleg met de ouders zou hebben plaatsgevonden. Nu geen noodsituatie of een spoedindicatie bestond heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank telkens een keuze gemaakt die gelet op de daarmee gepaard gaande risico’s - waarvan verdachte zich gelet op zijn professie bewust had moeten zijn - onverantwoord was.

Verdachte heeft voorts, ondanks het feit dat hij bij het verwijderen van de sheath meer kracht moest zetten dan te doen gebruikelijk en voorts na de verwijdering een braam heeft geconstateerd op de sheath, deze bijzonderheden niet specifiek vermeld, noch op het overdrachtsformulier, noch mondeling overgedragen aan de anesthesioloog, die verantwoordelijk was voor de nazorg. Hij heeft volstaan met de mondelinge mededeling aan de verpleegkundige op de hartcatheterisatiekamer dat hij mogelijk de intima van het bloedvat had beschadigd en dat hij derhalve een risico op trombose aannam. De complicatie van een slagaderlijke bloeding is door verdachte op dat moment in het geheel niet overwogen en hij heeft dit bij de overdracht van Charlotte aan de verkoeverkamer ook niet gemeld. Ook op het moment dat duidelijk is dat bij Charlotte sprake is van een inwendige bloeding meldt hij niets over zijn ervaringen bij het verwijderen van de sheath. Gelet op met name het gebruik van een 8F sheath bij een zuigeling van 7 maanden, het moeizaam verwijderen van de sheath en de daarop na verwijdering geconstateerde braam, bezien in samenhang met de opleiding, kennis en ervaring van verdachte als kindercardioloog had verdachte de mogelijkheid van deze complicatie naar het oordeel van de rechtbank moeten onderkennen en had hij daarop zijn handelwijze met het oog op het bieden van toereikende nazorg in verband daarmee behoren af te stemmen, ten minste door die informatie expliciet aan de verkoeverkamer over te dragen. Verdachte heeft dit evenwel niet gedaan.

Het voorgaande voert de rechtbank tot de conclusie dat verdachte met miskenning van zijn verantwoordelijkheid als arts (kindercardioloog) grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld en nalatig is geweest.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het overlijden van Charlotte aan verdachte kan worden toegerekend.

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat tussen de handelwijze van verdachte en het overlijden van Charlotte geen causaal verband bestaat.

Daartoe heeft hij, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Los van het al dan niet volledig zijn van de inlichtingen en aanwijzingen van verdachte aan de afdeling anesthesie/het personeel van de verkoeverkamer, had de complicatie zoals die is opgetreden na de plaatsing van de stent niet onafwendbaar tot het overlijden van Charlotte hoeven leiden, mits omstreeks 15.00 uur, toen op de verkoeverkamer volstrekt helder was dat er sprake moest zijn van een ernstige bloeding met die wetenschap direct besloten was tot een spoedoperatie om de bloeding tot staan te brengen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van een aparte en zelfstandige schakel gelegen tussen het handelen van verdachte en het overlijden van [Charlotte], zodat daarmee het causaal verband is verbroken.

De rechtbank stelt voorop dat ook ten aanzien van culpose delicten zoals het onderhavige geldt, dat niet vereist is dat de dader als enige schuld heeft. Ook anderen kunnen fouten hebben gemaakt die aan de toedracht hebben bijgedragen. Schuld van de één sluit schuld van de ander niet uit. Tevens is niet vereist dat de gemaakte fout de enige of belangrijkste oorzaak van het gevolg is geweest.

Op grond van hetgeen onder de bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten is overwogen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de plaatsing van een stent bij Charlotte uiteindelijk tot haar dood heeft geleid. De rechtbank constateert dat volgens de deskundige Legemate de conservatieve behandeling van de nabloeding en het feit dat ten aanzien van de ernst daarvan een inschattingsfout is gemaakt, hebben bijgedragen aan dit fatale gevolg. Daaruit volgt, met name in aanmerking genomen dat verdachte de situatie heeft geschapen waarin een en ander kon plaatsvinden, en dat aan die conservatieve behandeling en inschattingsfout, waaronder begrepen het achterwege blijven van een (spoed)operatie, niet een zodanig gewicht toekomt dat daardoor de gewraakte handelwijze van verdachte als rechtens relevante oorzaak wegvalt. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het voorgaande tot de slotsom dat het overlijden van Charlotte ondanks bedoelde behandeling en inschattingsfout in redelijkheid aan de gewraakte handelwijze van verdachte kan worden toegerekend. Ook het op dit punt gevoerde verweer wordt derhalve verworpen.

3. Ten aanzien van het onder parketnummer 16/100293-02 primair ten laste gelegde:

Onder parketnummer 16/100293-02 is primair ten laste gelegd –kort gezegd- het een gewoonte maken van het verspreiden, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren en/of voorhanden hebben van kinderpornografisch materiaal. Onomstreden is, dat in dit geval uitsluitend het voorhanden hebben van dit materiaal bewezen kan worden. De vraag is, of de strafverzwarende omstandigheid van “het een gewoonte maken” op dit deel van de tenlastelegging van toepassing is.

De raadsman heeft onder meer met een beroep op de wetsgeschiedenis van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht en de betekenis in dat wetboek van het begrip “een gewoonte maken van” aangevoerd, dat deze strafverzwarende omstandigheid bij het in voorraad hebben slechts in combinatie met de bewezenverklaring van de andere, in het eerste lid van die bepaling strafbaar gestelde gedragingen kan worden bewezen verklaard en betoogd, dat verdachte daarom van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht dit verweer gegrond. Niet alleen de wetsgeschiedenis maar ook de strekking van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht brengen mee, dat het commercieel te gelde maken van kinderpornografische afbeeldingen als strafverzwarende omstandigheid wordt beschouwd. In het onderhavige geval is sprake van het in voorraad hebben zonder enig commercieel motief. Derhalve kan de strafverzwarende omstandigheid niet bewezen worden verklaard en dient verdachte van het onder parketnummer 16/100293-02 primair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

4. De bewezenverklaring

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair is ten laste gelegd.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder parketnummer

16/100293-02 onder subsidiair is ten laste gelegd.

Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair en onder parketnummer

16/100293-02 onder subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair en onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair en onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- Ten aanzien van parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig beroep

- Ten aanzien van parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair:

Een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in voorraad hebben, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- Verdachte is, als kindercardioloog, bij de ingreep van [Charlotte] ernstig tekort geschoten. De rechtbank rekent verdachte met name aan dat hij zonder medische noodzaak een stent is gaan plaatsen bij [Charlotte], terwijl een stentplaatsing de slechtste optie was. Verdacht heeft daartoe onvoldoende kwalitatief overleg gevoerd, zich onvoldoende geïnformeerd, zich niet laten bijstaan door de meest ervaren kindercardioloog, noch vooraf gecontroleerd of de juist materialen voorhanden waren. Verdachte heeft zijn eigen capaciteiten schromelijk overschat. Voorts heeft verdachte een sheath afgesneden toen het juiste materiaal voor een stentplaatsing niet voorhanden bleken. Daarbij is een braam en/of knik ontstaan, met als gevolg een slagaderlijke bloeding in het lichaam van [Charlotte]. Verdachte heeft zich onvoldoende notie gegeven van het feit dat een slagaderlijke bloeding kon ontstaan, terwijl hij hier wel aan had moeten denken. Het is aan de grove schuld van verdachte te wijten dat [Charlotte] aan de gevolgen van deze complicatie is overleden.

- Door zijn verwijtbaar en vermijdbaar handelen heeft verdachte onherstelbaar leed toegebracht aan met name de ouders van [Charlotte]. Zij zullen het verdriet om het verlies van hun eerste kindje een leven lang met zich meedragen.

- Op grond van functie, maatschappelijke status, beroep of rol in het maatschappelijke en sociale leven worden in het strafrecht aan sommige personen verhoudingsgewijs hogere eisen gesteld dan aan anderen in vergelijkbare omstandigheden. De bijzondere 'hoedanigheid' of 'kwaliteit' rechtvaardigt in die gedachtengang een hogere standaard van verantwoordelijkheid in rechte. Van een behoorlijk functionerend arts mag verwacht worden dat hij de juiste diagnose stelt en de juiste maatregelen neemt en overigens immer met grote zorgvuldigheid en bedachtzaamheid handelt. Door zijn optreden - en nalaten - heeft verdachte niet conform de aan hem in redelijkheid te stellen eisen gehandeld.

- Binnen het Wilhelmina Kinderziekenhuis te Utrecht heeft de onderhavige zaak een waar sneeuwbaleffect ten gevolge gehad. De rechtbank is gebleken dat er ten tijde van het bewezenverklaarde feit sprake was van een gebrekkige infrastructuur binnen het WKZ op meerdere terreinen. Protocollen ontbraken, er was sprake van onderlinge ruzies, gebrek aan collegialiteit, onvoldoende leiding en toezicht, waardoor personen, onder meer de kindercardiologen, een verantwoordelijkheid kregen toebedeeld die niet paste bij hun niveau van bekwaamheid of vaardigheden.

De rechtbank houdt rekening met deze situatie en de rol die deze omstandigheden hebben gespeeld bij het functioneren van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair bewezenverklaarde feit:

Verdachte heeft meer dan 250.000 afbeeldingen voorhanden gehad van kinderen –ook in de leeftijd van 0 tot en met 2 jaar- waarmee de meest vergaande seksuele handelingen worden verricht. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij de productie daarvan veel en vaak onherstelbaar leed aan de (zeer) jeugdige slachtoffers wordt aangedaan. De productie van kinderpornografie blijft in stand doordat de makers ervan de wetenschap hebben dat er een markt voor hun producten is.

- Verdachte is sinds de grote hoeveelheid kinderpornografie bij hem ontdekt werd, vrijwillig in therapie gegaan bij De Waag.

- De bizarre combinatie van de bewezenverklaarde feiten heeft in de media tot veel aandacht geleid. Enerzijds beseft de rechtbank dat verdachte daar extra nadeel van heeft ondervonden en thans nog ondervindt en zal daar dan ook rekening mee houden. Anderzijds blijkt hieruit ook de grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij. Patiënten en hun ouders stellen vertrouwen in een arts en zijn beroepsgroep. Een gebeurtenis als de onderhavige roept onzekerheid op en de persoonlijke integriteit komt in het geding. Daarvan heeft verdachte zich geheel geen, althans onvoldoende rekenschap gegeven.

- Ten aanzien van de persoon van verdachte merkt de rechtbank op dat ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten het verdachte heeft ontbroken aan de mogelijkheid tot zelfcorrectie. Verdachte had de ingreep bij [Charlotte] kunnen afbreken op meerdere momenten, maar heeft dit niet gedaan. Verdachte had zijn ongebreidelde verzameldrift van kinderpornografie kunnen stoppen, maar heeft dit niet gedaan.

- Verdachte is zijn werk als kindercardioloog en daarmee zowel zijn maatschappelijke positie als bron van inkomsten kwijtgeraakt.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 november 2002, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, respectievelijk d.d. 5 november 2002, 18 december 2003 en 26 oktober 2004, alle opgemaakt door de heer H. van Lunen, reclasseringswerker.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch en psychologisch rapport, respectievelijk d.d. 25 november 2002, 25 maart 2003, 30 mei 2003 en 10 juni 2003 van prof. dr. J.J. Baneke, klinisch & forensisch psycholoog en drs. F.R. Kruisdijk, psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/100293-02 - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zodat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder parketnummer 16/028638-02 onder primair en onder parketnummer 16/100293-02 onder primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest;

Thans dient het volgende te worden besproken.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder parketnummer 16/100293-02 subsidiair bewezenverklaarde (de zedenzaak) gesteld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Hij heeft daartoe onder verwijzing naar het tijdsverloop sedert de aanvang van de vervolging tot de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting aangevoerd dat er sprake is van een opzettelijke en bewuste schending van de redelijke termijn door het openbaar ministerie, aangezien zij deze zaak 'op de plank' heeft laten liggen totdat de zaak met parketnummer 16/028638-02 zittingsklaar was. Daarmee dient rekening te worden gehouden bij bepaling van de strafmaat, aldus de raadsman.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM van gt aan op het moment waarop vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan deze de verwachting heeft ontleend - en in redelijkheid ook de verwachting kon ontlenen - dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.

De rechtbank stelt vast dat in de zedenzaak de termijn ex artikel 6 EVRM is aangevan gen op 15 augustus 2002. Dit is het moment waarop het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris is geopend en vervolgens de huiszoeking bij verdachte heeft plaatsgevonden.

Op 27 mei 2004 heeft de rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek gesloten. Op 5 juli 2004 is verdachte de kennisgeving verdere vervolging in persoon betekend.

Gelet op de omvang van de aangetroffen hoeveelheid beeldmateriaal en het te verrichten onderzoek, met inbegrip van het gerechtelijk vooronderzoek, en de omstandigheid dat zaken tegen een verdachte om begrijpelijke en te billijken proceseconomische gronden gelijktijdig/gevoegd worden berecht, heeft het openbaar ministerie voldoende voortvarendheid betracht bij het aanbrengen van de zaak.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden en verwerpt het op de voet van artikel 359a Wetboek van Strafvordering gevoerde strafmaatverweer.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Ontzetting van rechten:

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank ten aanzien van het onder parketnummer 16/028638-02 subsidiair bewezenverklaarde van oordeel dat verdachte niet op korte of langere termijn opnieuw in soortgelijke fouten mag vervallen. Het is om die reden dat de rechtbank het ongewenst acht dat verdachte nog op enigerlei wijze als arts werkzaam zal zijn, zodat een onvoorwaardelijke ontzetting uit het beroep van arts voor de maximaal mogelijke duur geboden wordt geacht, welke ontzetting ook door de ernst van het bewezen verklaarde feit gerechtvaardigd wordt.

Onttrekking aan het verkeer:

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 12 boeken (nudistenboeken Helios);

- 10 boeken (A4 formaat, nudistenboeken);

- 1 computer (merk Paradigit, kleur grijs), inclusief de D-schijf;

- 1 tas (sporttas, kleur zwart, inhoud: seksattributen);

- 1 videoband (in rode boodschappentas);

- 5 boeken (A4, losbladige boeken);

- 1 koffer (merk Medtronic, kleur rood, inhoud verschillende boekjes,

zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 2 fotoboeken;

- 2 cd-roms (nr. 259 en 294);

- 2 computeronderdelen (merk: ADR, type: On stream 30; serienummer: ADR5002630A048, backup van c-schijf),

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Teruggave inbeslaggenomen goederen:

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- kopie rapport commissie Büller;

- medisch dossier [Charlotte] ( 2 opname statusmappen blauw, 2 cd's medische informatie),

acht de rechtbank het Universitair Medisch Centrum Utrecht degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen aan genoemde rechtspersoon gelasten.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 14d, 28, 36b, 36c, 57, 240b (oud), 307 en 309 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/028368-02 onder primair en onder parketnummer 16/100293-02 onder primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair en onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair en onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder parketnummer 16/028638-02 onder subsidiair en onder parketnummer 16/100293-02 onder subsidiair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 18 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

-de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

-de veroordeelde (één of meer van) na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

-dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen bij De Waag, zolang voornoemde reclasseringsinstelling zulks nodig acht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder parketnummer 16/028368-02 onder subsidiair bewezenverklaarde feit voorts tot een gehele ontzetting van zijn recht tot het uitoefenen van het beroep van arts voor de duur van 6 (ZES) jaren.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 12 boeken (nudistenboeken Helios);

- 10 boeken (A4 formaat, nudistenboeken);

- 1 computer (merk Paradigit, kleur grijs) inclusief de D-schijf;

- 1 tas (sporttas, kleur zwart, inhoud: seksattributen);

- 1 videoband (in rode boodschappentas);

- 5 boeken (A4, losbladige boeken);

- 1 koffer (merk Medtronic, kleur rood, inhoud verschillende boekjes.

Gelast de teruggave van 2 fotoboeken, 2 cd-roms (nr. 259 en 294) en 2 computeronderdelen (merk: ADR, type: On stream 30; serienummer: ADR5002630A048, backup van c-schijf),

aan verdachte.

Gelast de teruggave van het kopie rapport commissie Büller en het medisch dossier [Charlotte] (2 opname statusmappen blauw, 2 cd's medische informatie) aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, I.P.H.M. Severeijns en H. Manuel, rechters, bijgestaan door

mr. A. van Beek als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 november 2004.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature