< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Uitspraak



Arrest d.d. 27 februari 2002

Rolnummer 9900418

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. N.V. [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. V.O.F. [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appelant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 4],

wonende te [woonplaats],

hierna tezamen te noemen: [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel],

appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden,

procureur: mr J.F Rouwé- Danes,

tegen

[geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel],

procureur: mr V.M.J. Both.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis

uitgesproken op 15 september 1999 door de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 5 oktober 1999 is door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] tegen de zitting van 27 oktober 1999.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden d.d. 15 september 1999 en opnieuw rechtdoende geïntimeerde alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans hem deze te ontzeggen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"In het principaal appèl:

om de hiervoor aangevoerde gronden het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden tussen partijen gewezen op 15 september 1999 te bekrachtigen, zulks met inachtneming van de hierna in te stellen vordering in het incidentele appel, en [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] in het principale appel niet-ontvankelijk te verklaren althans de door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] in het principale appel geformuleerde grieven intergraal te verwerpen, zulks met veroordeling van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] in de kosten van dit hoger beroep ten principale aan de zijde van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] gevallen.

In het incidenteel appèl:

om de hiervoor aangevoerde gronden het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden tussen partijen gewezen op 15 september 1999 partieel te vernietigen en de vorderingen tot vergoeding van schade aan de bruggen en de schade aan de oprijlaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juni 1997 tot aan de dag der algehele voldoening en de vordering ter zake de buitengerechtelijke kosten een en ander zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding d.d. 5 oktober 1999, intergraal toe te wijzen, zulks met veroordeling van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] in de kosten van dit principale appel aan de zijde van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] gevallen."

Door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"de in dit incidentele appèl naar voren gebrachte grieven te verwerpen met veroordeling van incidenteel appel in de kosten van het incidenteel appèl."

Voorts heeft elk van partijen een akte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] heeft in het principaal appel acht grieven voorgedragen. In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] vijf grieven tegen het beroepen vonnis gericht.

De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

1. Behoudens de grieven 1 en 2 in het principaal appel, die het hof thans als eerste zal onderzoeken, zijn de grieven niet gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2 van het beroepen vonnis, zodat in zoverre ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Genoemde grieven 1 en 2 in het principaal appel hebben als onderwerp de aard van de overeenkomst zoals deze tussen partijen is gesloten, alsmede de vraag of deze overeenkomst [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] verplichtte tot het afleveren van de gekochte aarde op het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel].

3. Uit de feiten zoals deze ten processe blijken, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] van [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] heeft gekocht een hoeveelheid van 10 kubieke meter zwarte aarde, waarbij is overeengekomen dat het gekochte zal worden afgeleverd op of nabij het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel], op welke (exacte) plaats van aflevering het hof hieronder nog nader zal terugkomen. Anders dan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] doen, kan het hof in de overeengekomen plaats van aflevering in redelijkheid niets anders lezen dan een contractuele invulling van de plaats van aflevering in het licht van art. 6:41 BW. De stukken bieden geen aanknopingspunt voor de opvatting dat partijen, behalve op de koopovereenkomst, hun wil tevens hebben gericht op de totstandkoming van een overeenkomst van goederenvervoer over de weg zoals geregeld in de artikelen 8:1090 e.v. BW. Mitsdien is van een gemengde overeenkomst geen sprake, terwijl de wettelijke bepalingen met betrekking tot bevrachting, waarop [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] een beroep hebben gedaan, toepassing missen.

4. Voorts verschillen partijen van mening omtrent de exacte plaats van aflevering van het gekochte. Daarbij huldigen [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] de opvatting dat het bij een overeenkomst als de onderhavige gebruikelijk is dat de grond "aan de weg" wordt afgeleverd, en dat de aflevering óp het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel], waartoe de brug werd overgestoken, plaats vond op uitdrukkelijk verzoek van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] (zie onder meer de toelichting op grief 2 in het principaal appel).

[geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] stelt zich op het standpunt (zie reeds diens conclusie van repliek in prima, punt 7) dat de overeenkomst [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] verplichtte tot het afleveren van de grond óp diens erf. In dat laatste standpunt ligt besloten dat, nu uit de stukken niet blijkt dat het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] bereikbaar was anders dan via de litigieuze brug, de overeenkomst [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] verplichtte om het gekochte over de brug te brengen.

5. Het hof acht het voor de beslissing van het geschil niet doorslaggevend of [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] reeds van aanvang af, of eerst naderhand, en wel ten tijde van de aflevering, heeft ingestemd met het afleveren van het gekochte op het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel].

In het midden zal daarom worden gelaten of de overeenkomst van meet af aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] verplichtte tot het afleveren van de aarde óp het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel].

6. De stukken nopen tot de conclusie, zoals ook de rechtbank in hoger beroep onweersproken heeft overwogen onder punt 3 van het beroepen vonnis, dat de vordering zoals [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] deze heeft ingesteld, is gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad, waarbij aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] wordt verweten dat zij door met haar vrachtauto door de aan [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] toebehorende brug te zakken, een inbreuk heeft gemaakt op diens eigendomsrecht.

[geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] heeft in hoger beroep deze grondslag gehandhaafd (zie punt 16 van de memorie van antwoord in het principaal appel), met die toevoeging dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] aldaar spreekt van een "onzorgvuldige" rechtsinbreuk. Het hof zal het gevorderde thans op deze grondslag beoordelen.

7. Uit de stukken komt naar voren dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] aan [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] heeft medegedeeld dat recentelijk een tweetal betonmixers over de brug hadden gereden. Thans daargelaten of deze mededeling, gelijk [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] heeft verdedigd, direct al werd gedaan bij het sluiten van de overeenkomst, dan wel eerst naderhand aan de chauffeur van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] ([chauffeur]), staat vast dat bedoelde mededeling in tijdsorde vooraf ging aan het berijden van de brug door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel], en dat genoemde [chauffeur] van de inhoud van de mededeling op de hoogte was. Een en ander kan niet anders worden geduid dan dat tussen partijen de vraag aan de orde is geweest of de brug de belasting van de met aarde geladen vrachtauto wel aankon. Dit wordt nog versterkt door het onbetwiste feit dat, voorafgaand aan het berijden van de brug, [chauffeur] de brug nog aan een visuele inspectie heeft onderworpen. Uit de stukken valt op te maken dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] bij deze inspectie aanwezig was (memorie van antwoord in het principaal appel punt 9) en daaraan heeft deelgenomen (faxbericht d.d. 27 juni 1997, 2e productie bij genoemde memorie) terwijl gesteld noch gebleken is dat [chauffeur], daarmee uitvoering gevend aan de op [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] rustende plicht tot aflevering óp het erf van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel], vervolgens tégen de wil van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] de brug is opgereden, dan wel dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] alstoen (of op enig eerder tijdstip) met (de chauffeur van) [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] is overeengekomen of deze heeft aangezegd dat de gevolgen van dat berijden voor rekening van laatstgenoemde zouden komen.

8. Bij de beoordeling van hetgeen partijen verdeeld houdt, dient er in het licht van het voorgaande derhalve van te worden uitgegaan dat het berijden van de brug deel uitmaakte van de contractuele plicht die [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] jegens [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] op zich had genomen, alsmede dat de draagkracht van de brug op enig tijdstip voorafgaand aan dat berijden, tussen partijen onderwerp van gesprek is geweest en dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] met het oog daarop heeft meegedeeld dat eerder al twee betonmixers zonder problemen over de brug hebben kunnen rijden. Voorts dient ervan te worden uitgegaan dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] bij het berijden van de brug aanwezig was, en zich daartegen niet heeft verzet. Het is tegen deze achtergrond dat het hof thans zal hebben te oordelen over de grondslag waarmee [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel], als weergegeven in rechtsoverweging 6, zijn vordering heeft onderbouwd.

9. In een situatie als de onderhavige waarin [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] binnen het samenstel van feiten en omstandigheden zoals hierboven geschetst, met een beladen vrachtauto een brug moet berijden die toebehoort aan [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel], kan dat enkele berijden dat heeft geleid tot het inzakken van de brug niet zonder meer worden geduid als een door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] gepleegde inbreuk op het eigendomsrecht van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] die leidt tot aansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen. Om tot die conclusie te kunnen geraken, moet het gedrag van [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] als onzorgvuldig jegens [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] kunnen worden aangemerkt, zoals - als uit het voorgaande blijkend - thans ook het standpunt van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] is. Immers, de door [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] gestelde onrechtmatigheid betreft een kwalificatie van de gedraging van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] en niet van het gevolg daarvan, en niet reeds de enkele mogelijkheid van het instorten van de brug als verwezenlijking van een aan de gedraging van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] inherent gevaar doen haar gedrag onrechtmatig zijn, doch zodanige gedraging is

eerst onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van dat instorten zo groot is, dat [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] zich dientengevolge naar maatstaven van zorgvuldigheid van de gedraging had behoren te onthouden.

10. Van een in de vorige rechtsoverweging bedoelde onzorgvuldigheid is naar het oordeel van het hof geen sprake. Daarbij slaat het hof er met name acht op dat door [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] is meegedeeld dat (ook) betonmixers zonder probleem over de brug hebben kunnen rijden, dat de chauffeur van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] direct voorafgaand aan het berijden van de brug, deze nog op zichtbare gebreken heeft geïnspecteerd, en dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] bij deze inspectie en het berijden van de brug aanwezig was, terwijl alstoen van enig bezwaar zijnerzijds tegen dat berijden niet is gebleken. In het licht van al deze omstandigheden rustte niet op [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] een zorgvuldigheidsplicht tot het meer nauwgezet beoordelen wat de draagkracht van de brug of tot het afzien van zodanig berijden wanneer bedoelde beoordeling niet (direct) mogelijk zou zijn, maar behoort het voor rekening van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] te blijven dat de hem toebehorende brug, in weerwil van diens mede uit de eerdere mededelingen daaromtrent aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] blijkende verwachting daaromtrent, over onvoldoende draagkracht bleek te beschikken toen [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] daarover in het bijzijn van [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] reed. Mitsdien kan het handelen van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel], gelet op alle omstandigheden van het geval, niet als onzorgvuldig jegens [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] worden aangemerkt.

11. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen partijen - en in hun navolging de rechtbank - te berde hebben gebracht omtrent het te verwachten draagvermogen van de brug indien [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] daarover niet met een drieassige, doch met een vier- of vijfassige vrachtauto zou zijn gereden, nu zulks voornamelijk is gebaseerd op aannames en veronderstellingen en [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] heeft weersproken dat de brug zou hebben stand gehouden als zij daarover met een méérassige vrachtauto zou hebben gereden. Gelet op het voorgaande kan evenmin doorslag geven het antwoord op de vraag of [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel], bij het doen van mededeling aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] over het feit dat eerder al betonmixers over de brug hebben gereden, daarbij aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] een (juiste) opgave heeft gedaan over het gewicht alsmede over het aantal assen van deze betonmixers, nog daargelaten dat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] stelt daaromtrent aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] geen enkele mededeling te hebben gedaan (memorie van antwoord punt 33).

12. In hetgeen hierboven is neergelegd met betrekking tot het ontbreken van onzorgvuldigheid van het aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] verweten handelen, ligt tevens besloten dat - ook al zou, anders dan hierboven is geoordeeld, sprake zijn van onrechtmatig handelen door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel]- zulks niet tot haar aansprakelijkheid zou kunnen leiden nu toch het handelen niet aan haar toerekenbaar moet worden geacht. Immers, in confesso is dat partijen, nadat [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] aanvankelijk een kleinere hoeveelheid aarde had willen kopen, tot de (ver)koop van 10 m3 aarde zijn overgegaan omdat - gelijk [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] reeds bij inleidende dagvaarding heeft gesteld en door [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] vervolgens is beaamd - de levering van een volgeladen vrachtauto met circa 10 kuub zwarte aarde slechts een geringe meerprijs zou opleveren. Daaruit leidt het hof af dat tussen partijen direct al overeenstemming bestond dat de aflevering in één keer zou plaatsvinden. Het vorenoverwogene draagt bij aan het oordeel dat aan [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] in de gegeven omstandigheden niet het verwijt treft dat zij bij het aldus op de overeengekomen wijze nakomen van haar contactuele plicht, door de aan [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] toebehorende brug is gezakt.

De slotsom:

13. Het voorgaande noopt tot de conclusie dat aan het door [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] gevorderde een toereikende grondslag ontbreekt. De grieven in het principaal appel, voorzover deze in essentie strekken ten betoge dat het door [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] gevorderde dient te worden afgewezen, treffen dientengevolge in zoverre doel. Een nadere inhoudelijke bespreking van deze grieven en de daarin aangevoerde grondslagen die in de visie van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] zouden moeten leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis, kan mitsdien thans achterwege blijven.

14. Tevens noopt het voorgaande tot het oordeel dat hetgeen [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] in het incidenteel hoger beroep heeft gevorderd, te weten de integrale toewijzing van al hetgeen hij heeft gevorderd, niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, zodat een inhoudelijke bespreking van de in het incidenteel appel voorgedragen grieven achterwege kan blijven.

15. Het beroepen vonnis zal door het hof worden vernietigd. [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] zal als in in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

16. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel:

vernietigt het beroepen vonnis d.d. 15 september 1999;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de door [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] ingestelde vorderingen;

veroordeelt [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten in principaal en geintimeerden in incidenteel appel] gevallen, als volgt:

in prima: € 299,49 (ƒ 660,--) aan verschotten en € 780,50 voor salaris;

in appel: € 324,02 (ƒ 714,05) aan verschotten en € 1157,14 voor salaris;

en in het incidenteel appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde in principaal en appellant in incidenteel appel] in de kosten van deze instantie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant in principaal en geintimeerde in incidenteel appel 2] begroot op nihil aan verschotten en € 385,71 voor salaris.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Streppel, fungerend-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als waarnemend griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 februari 2002.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature