Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van de administratie - "de bonnen" - van de grondexploitatie door het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam van project blok 2.07, gedeeltelijk afgewezen.

Uitspraak



201203755/1/A3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2012 in zaak nr. 11/1099 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van de administratie - "de bonnen" - van de grondexploitatie door het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam van project blok 2.07, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door J. van de Geer, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, advocaat werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

2. [appellant] heeft verzocht om inzage in de administratie - "de bonnen" - van de grondexploitatie door het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam van project blok 2.07. De grondexploitatie van project blok 2.07 bestaat uit een opsomming van bedragen. Het verzoek ziet naast bewijzen van deze inkomsten en uitgaven ook op offertes van aannemers, woningbouwcorporaties WBR en Woonbron, OMO en besluiten van commissies, gemeenteraad, deelgemeente Delfshaven en het college, aldus [appellant] in zijn brief van 17 maart 2010.

3. Het college heeft de genoemde gegevens - deels geanonimiseerd - verstrekt. De documenten zijn aan [appellant] toegezonden. In het besluit op bezwaar heeft het college het standpunt ingenomen dat het voldoende aan het verzoek van [appellant] is tegemoetgekomen. Er zijn volgens het college niet meer stukken die vallen onder de reikwijdte van het verzoek dan die reeds al dan niet geanonimiseerd zijn verstrekt. Nu [appellant] in zijn verzoek echter om inzage in de gegevens heeft gevraagd en niet om toezending van de stukken is het bezwaar in zoverre gegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] ter zitting desgevraagd heeft gesteld dat hij nog wenst te ontvangen:

1. De overeenkomst tussen de gemeente Rotterdam en Woonbron waarin is opgenomen dat van de zijde van de gemeente tweeëneenhalf maal meer beheervergoeding zal worden betaald aan Woonbron dan was overeengekomen in de overeenkomst uit 1998;

2. De stukken, betrekking hebbende op het uit het Stadsvernieuwingsfonds betaalde bedrag van 2,2 miljoen euro, waaruit blijkt hoe dat bedrag is samengesteld (subsidies, kosten en dergelijke).

Zoals [appellant] ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard, heeft de rechtbank het geschil in beroep terecht tot deze documenten beperkt.

5. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat stukken bedoeld onder 1. niet bij hem aanwezig zijn geloofwaardig geacht. Door [appellant] is niet aannemelijk gemaakt dat een beheerovereenkomst van na 1998 wel onder het college berust, aldus de rechtbank. Met betrekking tot stukken bedoeld onder 2. is de rechtbank van oordeel dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat deze stukken niet vallen onder reikwijdte van het verzoek van [appellant].

6. Voor zover [appellant] met zijn beschrijving van de procedurele gang van zaken tijdens de zitting bij de rechtbank heeft beoogd te betogen dat zijn standpunt en visie daar onvoldoende aan de orde zijn gekomen, merkt de Afdeling op dat de omstandigheden dat tijdens de behandeling van de zaak bleek dat een te laat ingediend stuk toch in het dossier zat en dat het college ter zitting nadere stuken heeft ingediend, niet kunnen leiden tot het oordeel dat de gang van zaken tijdens de rechtbankzitting onregelmatig is geweest. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals volgt uit het proces-verbaal van het verhandelende ter zitting bij de rechtbank, [appellant] wilde dat de te laat ingediende stukken door de rechtbank werden meegenomen bij de beoordeling en hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de rechtbank te verzoeken het onderzoek ter zitting te schorsen. Ook de omstandigheden dat de behandeling van de zaak om interne redenen eerder was uitgesteld en dat [appellant], naar hij stelt, ter zitting zijn pleitnota niet mocht overleggen, maar slechts een mondelinge toelichting mocht geven, leiden niet tot het oordeel dat [appellant] door de rechtbank onvoldoende in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het ongeloofwaardig is dat stukken bedoeld onder 1. niet bij het college aanwezig zijn. Hij acht het zeer onwaarschijnlijk dat de gemeente Rotterdam tweeëneenhalf maal meer beheerkosten heeft betaald zonder dat daar schriftelijke afspraken over zijn te vinden.

7.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 met zaak nr. 200801830/1 waaruit volgt dat wanneer een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan diegene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van het college dat een meer recentere overeenkomst dan reeds verstrekt tussen de gemeente Rotterdam en Woonbron met betrekking tot de beheerkosten niet onder hem berust niet ongeloofwaardig voorkomt. Daarbij acht de Afdeling evenals de rechtbank van belang dat het college in de zoektocht naar een dergelijk stuk Woonbron heeft benaderd en de door Woonbron overgelegde stukken aan [appellant] heeft verstrekt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een beheerovereenkomst van na 1998 onder het college berust.

8. Voorts betoogt [appellant] met betrekking tot stukken bedoeld onder 2. dat de rechtbank heeft miskend dat deze stukken wel vallen onder de reikwijdte van zijn verzoek. Het college heeft volgens [appellant] zijn verzoek om informatie te beperkt opgevat. Niet alleen aan bedragen onderliggende facturen en boekingen vallen hieronder, ook de aan een factuur of boeking onderliggende stukken, aldus [appellant].

8.1. Dit betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat stukken bedoeld onder 2. niet onder het verzoek van [appellant] vallen. Het stuk waarin de betaling uit het Stadsvernieuwingsfonds van het betrokken bedrag is opgenomen is aan [appellant] verstrekt. Dit betreft een bewijs van inkomsten van het project. Het verzoek van [appellant] ziet naast bewijzen van inkomsten en uitgaven echter ook op offertes van aannemers, woningbouwcorporaties WBR en Woonbron, OMO en besluiten van commissies, gemeenteraad, deelgemeente Delfshaven en het college. Het besluit van het college om een betaling uit het Stadsvernieuwingsfonds te doen is daarom eveneens aan [appellant] verstrekt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hiermee geheel aan het verzoek van [appellant] is voldaan. Enige verdergaande door [appellant] gewenste informatie ten aanzien van dit bedrag valt buiten de reikwijdte van het voorliggende verzoek.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Nell

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

597.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature