Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de leerplichtambtenaar) een verzoek van appellant om extra schoolverlof van 24 oktober 2005 tot en met 29 november 2005 voor zijn [dochter] afgewezen.

Uitspraak



200608700/1.

Datum uitspraak: 23 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/2046 van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: de leerplichtambtenaar) een verzoek van appellant om extra schoolverlof van 24 oktober 2005 tot en met 29 november 2005 voor zijn [dochter] afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft de leerplichtambtenaar het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam van 20 april 2006, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 oktober 2006, verzonden op 31 oktober 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 maart 2007 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. M. Spek, advocaat te Den Haag, en de leerplichtambtenaar, vertegenwoordigd door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 , voor zover thans van belang, zijn degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.

   Ingevolge artikel 5, aanhef en onder c zijn de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland is ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.

   Ingevolge artikel 11, aanhef en onder g, voor zover thans van belang, zijn de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij is ingeschreven, geregeld bezoekt, indien de jongere door andere gewichtige omstandigheden verhinderd is de school te bezoeken.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, voor zover thans van belang, kan een beroep op vrijstelling wegens andere gewichtige omstandigheden bedoeld in artikel 11 onder g slechts worden gedaan, indien het hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, indien het de leerplicht betreft, verlof heeft verleend, dat de jongere de school tijdelijk niet bezoekt.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel kan het hoofd ten aanzien van de zelfde jongere wegens de in het eerste lid bedoelde omstandigheden voor ten hoogste tien dagen per schooljaar verlof als bedoeld in dat lid verlenen. Indien het verlof ten aanzien van dezelfde jongere wordt gevraagd voor meer dan tien dagen per schooljaar, besluit de ambtenaar van de woongemeente van de jongere, het hoofd gehoord.

2.2.    Op 8 december 2005 is bij de leerplichtambtenaar een verzoek ingekomen van appellant om extra schoolverlof voor zijn [dochter] van 24 oktober 2005 tot en met 29 november 2005, te weten 27 dagen, wegens ernstige ziekte van zijn schoonmoeder die woonachtig is in Iran. De directeur van de school heeft aangegeven dat hij grote bezwaren heeft tegen de gang van zaken. De aanvraag is na het genoten verlof ingediend, omdat vooraf de te verwachten duur van het verlof onbekend was en het evenmin duidelijk was of het om gewichtige omstandigheden ging.

   Bij besluit van 1 februari 2006 heeft de leerplichtambtenaar het verzoek van appellant afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat hij na zorgvuldige afweging en in overleg met het hoofd van de school tot de conclusie is gekomen dat de gewichtige omstandigheden voldoende zijn aangetoond voor een verlofperiode van maximaal tien dagen, doch dat gelet op het onderwijsbelang van [dochter] een verlof van 27 schooldagen niet gerechtvaardigd is.

   In de beslissing op bezwaar van 4 mei 2006 heeft de leerplichtambtenaar zich op het standpunt gesteld dat ernstige ziekte van een familielid in de tweede graad op zichzelf aan het begrip "andere gewichtige omstandigheden" voldoet. In een dergelijke situatie kan op grond van de richtlijnen die zijn vastgesteld door de Raad van Overleg - een overlegorgaan waarin koepelorganisaties van schoolbesturen van Rotterdam zitting hebben - (hierna: de richtlijn) door de directeur van de school maximaal twee schooldagen verlof worden verleend. Indien het noodzakelijk is om af te reizen naar het buitenland dient het verlof beperkt te blijven tot maximaal tien dagen buiten de schoolvakantie. Volgens de leerplichtambtenaar heeft hij, mede gelet op dat beleid, terecht geoordeeld dat zich hier niet een zodanig bijzondere geval voordoet, dat het bezoek aan oma in Iran door [dochter] langer dan tien schooldagen zou moeten duren. Daarbij heeft de leerplichtambtenaar in aanmerking genomen dat uit de door appellant overgelegde brief van de huisarts van zijn schoonmoeder blijkt dat twee weken na afloop van de herfstvakantie geen sprake meer was van levensgevaar maar van een stabieler ziektebeeld. Naast het belang van de school en de leerling heeft de leerplichtambtenaar ook algemene onderwijskundige belangen bij het besluit betrokken, waarbij hij streeft naar een uniform beleid ten aanzien van alle betrokken scholen en het voorkomen van precedentwerking.

2.3.    Bij de toepassing van artikel 14, derde lid, van de Leerplichtwet hanteert de leerplichtambtenaar mede de richtlijn als vaste gedragslijn. Volgens de richtlijn moet het verlof wegens andere gewichtige omstandigheden bij voorkeur binnen een periode van maximaal tien dagen per schooljaar blijven. Bij ernstige ziekte van bloedverwanten in de tweede graad wordt voor maximaal twee schooldagen verlof verleend. De richtlijn vermeldt voorts dat het, indien het gaat om familieomstandigheden die voorkomen in het land van herkomst, zo kan zijn dat het aantal van twee dagen niet toereikend is. In dat geval kan toestemming worden gegeven om het verlof met enkele dagen te verlengen, waarbij de grens van tien dagen per schooljaar moet worden bewaakt. Nu de leerplichtambtenaar bij de toepassing van artikel 14, derde lid, van de Leerplichtwet, gelet op de formulering van deze bepaling, een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt en hij dient te beoordelen of verlof voor een periode van meer dan tien dagen kan worden toegekend, valt niet in te zien dat de door de leerplichtambtenaar gehanteerde vaste gedragslijn daarmee in strijd komt. Evenmin valt in te zien dat in de door de leerplichtambtenaar te verrichten beoordeling met individuele omstandigheden geen rekening kan worden gehouden.

2.4.    Gelet op de door appellant overgelegde medische verklaring is de Afdeling van oordeel dat de leerplichtambtenaar zich in het onderhavige geval op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanige andere gewichtige omstandigheid op grond waarvan langer dan tien dagen verlof zou moeten worden verleend. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. De door appellant bij brief van 30 maart 2007 overgelegde verklaring van de Directeur van kinderverblijf en schoolvoorbereiding Mino van 16 december 2006, inhoudende dat [dochter] in Iran van 29 oktober 2005 tot 23 november 2005 naar school is geweest - nog daargelaten dat deze verklaring reeds bij de aanvraag had kunnen worden overgelegd -, kan daaraan niet afdoen, reeds omdat geen sprake is van een andere gewichtige omstandigheid als hiervoor bedoeld. Voor zover is bedoeld te betogen dat de leerplichtambtenaar desondanks verlof had moeten verlenen, omdat [dochter] volgens voormelde verklaring buiten Nederland op een school was ingeschreven en deze school geregeld heeft bezocht, wordt overwogen dat dit betoog betrekking heeft op vrijstelling van de verplichting dat een leerling op een school is ingeschreven als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c, van de Leerplichtwet. Dat valt echter buiten het onderwerp van dit geding, nu de aanvraag van appellant betrekking heeft op verlof voor [dochter] om de school waar zij staat ingeschreven tijdelijk niet te bezoeken.

2.5.    Het betoog van appellant dat artikel 247, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de ouders niet verplicht om hun kinderen naar school te laten gaan faalt, nu deze bepaling niet zover strekt dat de ingevolge de Leerplichtwet geldende leerplicht geen betekenis zou hebben. Voor zover appellant heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 4 mei 2006 in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de artikelen 5 en 9 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind , faalt dit evenzeer. Voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat het besluit een inbreuk maakt op het gezinsleven van appellant en zijn dochter, is deze inbreuk gerechtvaardigd met het oog op de waarborging van het recht van [dochter] op en haar belang bij het ontvangen van primair onderwijs.

2.6.    Gelet op het vorenoverwogene, heeft de leerplichtambtenaar kunnen besluiten het gevraagde verlof niet te verlenen. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit van 4 mei 2006 in stand kan blijven.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van den Brink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk                         w.g. Van den Brink

Voorzitter                            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007

435


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature