Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontruiming bedrijfsruimte, geen indeplaatsstelling huurder.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaak/rolnr.: 4868847 VV EXPL 16-23

vonnis in kort geding van 23 maart 2016

inzake

de [eiseres]

[eiseres] ,

gevestigd te [woonplaats 1] ,

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] , advocaat te [woonplaats 1] ,

tegen

de [gedaagde],

gevestigd te [adres 1] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. [naam 1] , advocaat te [woonplaats 2] .

Partijen worden hierna [naam 3] [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 3 maart 2016, met producties;

b. de aantekeningen van de griffier van het verhandelde ter zitting van 10 maart 2016,

met daaraan gehecht de door partijen overgelegde pleitnotities.

2 Het geschil

2.1

[naam 3] [eiseres] vordert, bij wege van voorlopige voorziening,

[gedaagde] te veroordelen:

a. de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte gelegen aan de [adres 2] binnen 14 dagen na betekening van het vonnis althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze goederen niet het eigendom van [naam 3] [eiseres] zijn, en met afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking aan haar te stellen;

b. [gedaagde] te veroordelen om -bij wijze van voorschot- aan haar te betalen de huur over december 2015 tot en met februari 2016 ten bedrage van € 29.628,83, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;

c. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten.

2.2

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [naam 3] [eiseres] in de proceskosten.

2.3

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1

De navolgende feiten staan in rechte tussen partijen vast:

a. [naam 3] [eiseres] heeft met [gedaagde] op 25 november 2013 een huurovereenkomst gesloten ter zake de (ver)huur van de bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) gelegen aan de [adres 2] . In het gehuurde is een restaurant gevestigd, genaamd [naam 2] .

b. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 december 2013 en eindigend op 30 november 2018.

c. In artikel 4.5 van de huurovereenkomst is bepaald: “De door huurder te verrichten betalingen aan verhuurder zijn in één bedrag bij vooruitbetaling verschuldigd in achtereenvolgende betaalperioden als weergegeven in artikel 4.6 en moeten v óór of op de eerste dag van de periode waarop de betalingen betrekking hebben volledig zijn voldaan.”

d. De maandelijkse verschuldigde huurprijs en servicekosten bedraagt thans € 7.407,21 inclusief btw.

e. Van de huurovereenkomst maken deel uit de ‘Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’, versie 2013.

f. Artikel 18.2 van de ze Algemene bepalingen luidt: “Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,-- per maand.”

g. Bij verstekvonnis van 6 augustus 2014, gewezen onder zaaknummer 3260820 CV EXPL 14-5962, heeft de kantonrechter [gedaagde] , kort weergeven, veroordeeld tot betaling aan [naam 3] [eiseres] B.V. van a) een bedrag van € 14.673,26 aan achterstallige huur over de maanden juni 2014 en juli 2014, alsmede b) een bedrag van

€ 5.250,-- aan verbeurde contractuele boetes, te vermeerderen met een contractuele boete van

€ 250,-- per dag vanaf respectievelijk 8 juli en 16 juli 2014 voor elke dag dat gedaagde in verzuim is met de betaling van de huur over juni en juli 2014, c) een bedrag van € 1.076,92 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.400,52. Begin februari 2015 heeft [gedaagde] aan dit vonnis voldaan.

h. Bij vonnis van 10 februari 2016, gewezen onder zaaknummer 4643527 CV EXPL 15-9761, heeft de kantonrechter [gedaagde] , kort weergegeven, veroordeeld tot betaling aan [naam 3] [eiseres] van a) een bedrag van € 28.030,78 aan achterstallige huur over de maanden augustus 2015 tot en met november 2015 b) een bedrag van € 3.600,-- aan verbeurde contractuele boetes, te vermeerderen met een contractuele boete van € 300,-- per maand voor elke maand dat zij na 5 november 2015 in verzuim is met betaling van de huur van augustus, september, oktober en november 2015 en c) een bedrag van € 1.155,31 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.454,23. [gedaagde] heeft niet aan dit vonnis voldaan.

3.2

[naam 3] [eiseres] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst, nu [gedaagde] niet aan het vonnis van 10 februari 2016 heeft voldaan en de huur over de maanden december 2015, januari, februari en maart 2016 niet heeft betaald. Volgens [naam 3]

[eiseres] bedraagt de huurachterstand van [gedaagde] thans € 57.659,61. Mede gelet hierop heeft zij een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering tot ontruiming, nu van haar niet kan worden gevergd het gehuurde nog langer aan [gedaagde] ter beschikking te stellen.

3.3

[gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat [naam 3] [eiseres] niet althans onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarin haar spoedeisend belang ten aanzien van de ontruiming van het gehuurde is gelegen. Verder heeft [gedaagde] er een wezenlijk belang bij dat de vordering tot ontruiming wordt afgewezen, nu zij thans bezig is om haar onderneming over te dragen aan een derde.

De kantonrechter overweegt als volgt.

3.4

Waar [naam 3] [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat zij

acht maanden geen huur heeft ontvangen, terwijl de exploitatiekosten doorlopen en zij een aflossingsverplichting op een hypothecaire lening van € 67.200,-- per jaar heeft, acht de kantonrechter het spoedeisend belang aanwezig.

3.5

Ten aanzien van de gevorderde veroordeling tot betaling van een bedrag van

€ 29.628,83 is de kantonrechter van oordeel dat dit bedrag als erkend kan worden toegewezen. Weliswaar heeft [naam 3] [eiseres] onder het petitum vermeld dat dit bedrag bestaat uit de onbetaald gelaten huur over december 2015, januari 2016 en februari 2016, maar uit onderdeel 17 van de dagvaarding blijkt voldoende dat het tevens betrekking heeft op de huur over maart 2016. Waar in artikel 4.5 van de huurovereenkomst is bepaald dat de huur bij vooruitbetaling is verschuldigd en vóór of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft, volledig moet zijn voldaan, was de huur over maart 2016 ten tijde van de dagvaarding opeisbaar en aldus toewijsbaar.

3.6

Van toewijzing van de vordering tot ontruiming kan slechts sprake zijn indien de vordering in een aanhangig te maken bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van

een voorziening zoals gevorderd en van [naam 3] [eiseres] niet langer kan worden gevergd de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten. Tegen deze achtergrond dient een belangenafweging plaats te vinden.

3.7

Op de zitting heeft [naam 3] [eiseres] gesteld dat zij er belang bij heeft het gehuurde zo spoedig mogelijk aan een andere exploitant te kunnen verhuren, zodat de huurachterstand niet verder oploopt. Zolang zij geen ontruimingstitel heeft en [gedaagde] het pand als huurder bezet houdt is dat echter niet mogelijk. [gedaagde] heeft evenwel aangevoerd dat in de belangenafweging moet worden betrokken dat het bij toewijzing van de vordering tot ontruiming niet mogelijk is de onderneming aan een derde over te gedragen.

3.8.

Weliswaar heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat zij de onderneming (op korte termijn) wenst over te dragen aan de heer Froom dan wel ‘Wereldkeuken [eiseres] B.V.’ maar aan dit belang kent de kantonrechter geen zwaar gewicht toe, nu [naam 3]

[eiseres] niet althans onvoldoende weersproken heeft gesteld dat deze partij in het kader van een eventuele indeplaatsstelling onvoldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering en deze partij (vooralsnog) niet als opvolgend huurder dan wel als nieuwe exploitant zal worden geaccepteerd. Gelet hierop en nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] aan een andere exploitant de onderneming op korte termijn kan overdragen en [naam 3]

[eiseres] deze zal accepteren, dient, naar het oordeel van de kantonrechter het belang van [naam 3] [eiseres] bij ontruiming van het gehuurde -met het oog op het niet verder oplopen van de huurachterstand en het kunnen blijven voldoen aan haar aflossingsverplichting- zwaarder te wegen.

3.9

De kantonrechter zal dan ook de door [naam 3] [eiseres] gevorderde ontruiming van het gehuurde toewijzen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op

14 dagen na betekening van dit vonnis. Voor de door [naam 3] [eiseres] ter zitting verzochte termijn van 2 dagen ziet de kantonrechter onvoldoende grond.

3.10

[gedaagde] dient te worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden tot op heden begroot op € 1.418,75, bestaande uit € 77,75 aan dagvaardingskosten, € 941,-- aan griffierecht en € 400,-- aan salaris gemachtigde van het [naam 3] [eiseres] .

3.11

De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu niet, althans onvoldoende is gesteld of onderbouwd dat na het vonnis kosten zullen worden gemaakt, anders dan de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van dit vonnis.

4 De beslissing bij wege van voorlopige voorziening

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] de door haar gehuurde bedrijfsruimte gelegen aan de [adres 2] binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze goederen niet het eigendom van [naam 3] [eiseres] zijn, en met afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking aan [naam 3] [eiseres] te stellen;

veroordeelt [gedaagde] om aan [naam 3] [eiseres] te betalen een bedrag van

€ 29.628,83, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [naam 3]

[eiseres] tot op heden begroot op € 1.418,75, waaronder € 400,-- aan salaris voor de gemachtigde van [naam 3] [eiseres] ;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature