Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Advies klachtencommissie is bindend advies tussen lid van de vereniging en de vereniging omdat uit de statuten van de vereniging volgt.

Vernietiging van een bindend advies (advies klachtencommissie) in verband met schending fundamentele beginselen van procesrecht.

Onrechtmatige daad vereniging door zonder afweging van alle belangen, maar enkel op basis van het advies van de klachtencommissie tot royement van lid over te gaan.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: 163538 / HA ZA 09-1530

Vonnis van 16 november 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. N.M. Don te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaats],

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [plaats],

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [plaats],

6. de vereniging

VERENIGING VAN INTEGRAAL-THERAPEUTEN,

statutair gevestigd te Amersfoort,

kantoorhoudende te Arnhem,

gedaagden,

advocaat mr. A. Hendrikse te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de VIT genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 16 producties

- de conclusie van antwoord met 12 producties

- de conclusie van repliek met productie 17 en 18

- de conclusie van dupliek met productie 13

- de akte houdende productie tevens vermindering van eis naar aanleiding van productie

- de akte uitlating producties van de zijde van de de VIT

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities.

- de brief van 26 oktober 2011 waarin door Van Doorne advocaten en notarissen wordt medegedeeld dat gedaagde onder 1), de heer [gedaagde sub 1], op 15 oktober 2011 is overleden.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is volledig bevoegd kinder- en jeugdtherapeut en heeft een praktijk voor integratieve kinder- en jeugdtherapie in [plaats]. De praktijk wordt gedreven in de vorm van een eenmanszaak, handelend onder de naam [A] (hierna: [A]).

2.2. [eiseres] is aangesloten bij de Vereniging van Integraal Therapeuten (VIT).

2.3. Bij akte van 19 maart 1993 is de VIT opgericht en zijn de statuten vastgesteld (hierna: de statuten). De VIT is een vereniging met ongeveer 250 leden. Bij de Algemene Ledenvergaderingen (ALV's) zijn gemiddeld zo'n 50 leden aanwezig. De VIT heeft geen vaste krachten in dienst. De leden van het bestuur zijn allen werkzaam als therapeut en vervullen hun werkzaamheden als bestuurslid in hun vrije tijd.

2.4. Artikel 5 van de statuten luidt:

"De vereniging stelt zich ten doel de professionaliteit, kwaliteit, integriteit en diversiteit van (psycho)therapeutisch handelen door haar leden te bevorderen, dit alles in de ruimste zin des woords".

2.5. Artikel 6 van de statuten luidt:

"De vereniging tracht dit doel te bereiken langs wettige weg en wel door:

(...)

3. het instellen van een arbitragecommissie, aan het oordeel waarvan de leden van de vereniging zich verplichten te onderwerpen ter zake van geschillen casu quo klachten ingesteld door patiënten/cliënten dan wel door collega's tevens lid van de vereniging."

2.6. Artikel 7 van de statuten luidt:

"1. de vereniging stelt een Huishoudelijk Reglement, hierna te noemen "HR", vast waarin nader worden uitgewerkt de regels omtrent kwaliteitseisen, arbitrage, lidmaatschap, introductie, verenigingsbijdragen, de werkzaamheden van het bestuur, de vergaderingen, de wijze van uitoefening van het stemrecht, het beheer en gebruik van verenigingseigendommen en verder alle onderwerpen waarvan de regeling haar gewenst of noodzakelijk voorkomt.

In ieder geval wordt nader uitgewerkt het gestelde in artikel 6 eerste en derde lid (...)".

2.7. Artikel 12 van de statuten luidt:

"Het lidmaatschap eindigt:

(...)

5. door ontzetting (royement) bij besluit van het bestuur".

2.8. De VIT kent een klachtencommissie. In de ALV van 3 mei 1997 is het Klachtreglement Vereniging van Integraal Therapeuten aangenomen.

2.9. 1.5.1 Artikel 4 van het Klachtreglement luidt:

"1. De klachtencommissie bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. De leden worden benoemd door het bestuur uit de kring van therapeuten, m.u.v. de voorzitter. Deze is jurist en geen lid van de beroepsorganisatie.

2. Het lidmaatschap van de klachtencommissie is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur.

3. De leden van de klachtencommissie worden, met uitzondering van de voorzitter, benoemd voor een periode van twee jaar en zijn niet herbenoembaar.

4. De voorzitter wordt benoemd voor een periode van twee jaar en is herbenoembaar.

(...)

2.10. 1.6.1 Artikel 5 van het Klachtreglement luidt:

"De klachtencommissie heeft de volgende taken:

1. Het op basis van de behandeling van een klacht komen tot een uitspraak, gericht tot de klager en de aangeklaagde over de gegrondheid van die klacht, een en ander, met inachtneming van het in artikel 18 bepaalde.

2. Het adviseren van de aangeklaagde over door hem te nemen maatregelen naar aanleiding van de behandelde klacht.

(...)".

2.11. 1.9.7. Artikel 14 van het Klachtreglement luidt:

"De klager en de aangeklaagde kunnen zich, indien zij dat wensen, laten bijstaan door een advocaat of een andere adviseur."

2.12. 1.9.8 Artikel 15 van het Klachtreglement luidt:

"(...)

3. De aangeklaagde deelt schriftelijk en met redenen omkleed binnen een maand na ontvangst van het verslag bevattende uitspraak aan de aangeklaagde en aan de klachtencommissie mee, of hij maatregelen neemt naar aanleiding van het oordeel van de commissie en, zo ja, welke.(...)".

2.13. In 2007 behandelde [eiseres] een (toen) elfjarig kind voor poepproblemen. De ouders van het kind waren gescheiden. Tijdens de behandelsessies ontstond bij [eiseres] het vermoeden dat vooral de thuissituatie bij moeder de poepproblemen verergerde of veroorzaakte. Door uitspraken die het kind deed en non-verbale signalen die het kind gaf, ontstond bij [eiseres] de zorg dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.

2.14. Omdat de VIT geen meldcode kindermishandeling heeft, heeft [eiseres] gebruik gemaakt van de meldcode kindermishandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2.15. Allereerst heeft [eiseres] de ouders van het kind uitgenodigd voor een gesprek. Voorafgaand aan dit gesprek heeft [eiseres] contact opgenomen met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna AMK) over de signalen van kindermishandeling en heeft zij met een medewerker van het AMK besproken hoe zij zich zou kunnen opstellen tegenover de moeder van het kind. Vervolgens heeft [eiseres] contact opgenomen met haar intervisiegroep waarin andere kinder- en jeugdtherapeuten zitten en heeft zij haar therapeutische attitude ten opzichte van de moeder van het kind besproken.

2.16. Op 17 oktober 2007 heeft het gesprek tussen [eiseres] en de moeder van het kind plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [eiseres] haar zorgen ten aanzien van het kind en haar observaties ter sprake gebracht. Vervolgens heeft [eiseres] met de moeder besproken dat een onderzoek naar de thuissituatie in het belang van het kind zou kunnen zijn en heeft zij aangegeven dat zij overwoog een melding bij het AMK te doen.

2.17. Op 18 en 19 oktober 2007 heeft [eiseres] in twee andere intervisiegroepen de casus anoniem voorgelegd.

2.18. Op 19 oktober 2007 heeft de moeder bericht dat het kind niet meer zal komen omdat het kind gebaat zou zijn bij rust. Naar aanleiding van dit bericht heeft [eiseres] contact opgenomen met het AMK en de moeder via de e-mail verzocht om een afsluitende sessie met het kind. Er heeft geen afsluitende sessie plaatsgevonden.

2.19. Op 22 oktober 2007 heeft [eiseres] de kwestie besproken met haar voormalige supervisor, die tevens algemeen studiecoördinator van de opleiding tot Kinder- en Jeugdtherapeut is.

2.20. Op 25 oktober 2007 heeft [eiseres] een gesprek gehad met de vader van het kind. Tijdens dat gesprek heeft de vader [eiseres] verzocht een zorgmelding bij het AMK te doen.

2.21. Op 25 oktober 2007 heeft [eiseres] overlegd met mevrouw [gedaagde sub 5], bestuurslid van de VIT, over de mogelijke consequenties van het nalaten van [eiseres] om een behandelovereenkomst op te stellen voor de aanvang van de sessies met het kind.

2.22. Op 30 oktober 2007 heeft [eiseres] schriftelijk melding gemaakt bij het AMK van haar vermoeden van kindermishandeling.

2.23. Op 22 januari 2008 heeft het AMK aan [eiseres] laten weten dat het AMK - bij gebrek aan voldoende gegevens - de kindermishandeling niet kan bevestigen.

2.24. Op 4 mei 2008 hebben de moeder van het kind en haar vriend (hierna: klagers) een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de VIT. De klacht is drieledig:

1. [eiseres] heeft de gemaakte afspraken niet in een behandelovereenkomst vastgelegd,

2. [eiseres] heeft een valse aangifte van kindermishandeling gedaan,

3. de therapeutische behandeling van het kind was onjuist.

2.25. Op 23 oktober 2008 heeft de klachtencommissie de klacht van klagers gegrond verklaard en, ingevolge artikel 15 van het klachtreglement, een advies uitgebracht aan [eiseres]. In het advies staat:

"9. Aanbevelingen

Op grond van artikel 15 van het klachtreglement adviseert de Klachtencommissie aan verweerster om voor de periode van een jaar, met een frequentie van minimaal 1x per maand, onder supervisie van een geregistreerde supervisor van de V.I.T., te werken aan haar attitude als therapeut, gericht op het ontwikkelen van een onpartijdige, neutrale en professionele beroepshouding, met als belangrijke aandachtspunten: bewustwording van de rol die overdracht en tegenoverdracht spelen in een therapeutische relatie en het adequaat reageren op overdracht en tegenoverdracht.

Op grond van artikel 15.3 van het klachtreglement dient verweerster binnen een maand na ontvangst van het onderhavige verslag, aan de Klachtencommissie mee te delen of zij bovenstaande maatregelen genomen heeft, bij gebreke waarvan de Klachtencommissie het bestuur van de V.I.T. zal adviseren om verweerster te royeren als lid van de V.I.T.".

2.26. Bij brief van 14 november 2008 aan de VIT heeft de raadsvrouwe van [eiseres] uiteengezet waarom [eiseres] zich niet in het advies van de klachtencommissie kan vinden en heeft zij verzocht de uitspraak van de klachtencommissie te vernietigen. Een kopie van deze brief heeft [eiseres] aan de klachtencommissie verzonden. De raadsvrouwe van [eiseres] schrijft onder meer:

"(...)

Cliënte kan zich noch verenigen met de door de klachtencommissie gevolgde procedure, noch met de inhoud van het advies van de klachtencommissie (...).

I ten aanzien van de gevolgde procedure

1. Samenstelling van de klachtencommissie

A. Volgens artikel 4 lid 1 van het klachtreglement worden de leden benoemd door het bestuur uit de kring van therapeuten met uitzondering van de voorzitter. Deze is jurist en geen lid van de beroepsorganisatie. De huidige klachtencommissie bestaat uit:

* voorzitter, [B] - jurist

* lid, Dhr. [C] - therapeut en lid VIT

* lid, Mw. [D], jurist

* griffier, Mw. [E], jurist en therapeut en lid VIT.

Eén van de leden, t.w. mw. [D] is advocaat en mediator en geen therapeut.

b. Twee van de leden van de klachtencommissie zijn zakelijk gelieerd, te weten mevrouw [D]. Zij werkt bij het bedrijf SPAconsult van de heer [C]. Deze band staat vermoedelijk een onpartijdige visie en dus uitspraak in de weg.

C. Mevrouw [E] heeft eveneens zitting in de PR-commissie van de de VIT.

d. Volgens artikel 4 lid 3 mogen de leden van de klachtencommissie benoemd worden voor een periode van vier jaar en zijn zij niet herkiesbaar. De heer [C] heeft, vermoedelijk, langer zitting in deze commissie dan de gestelde termijn.

Zelfs voor de schijn van partijdigheid dient een klachtencommissie te waken.

2. Klachtreglement

A. Cliënte heeft in een brief aan de klachtencommissie d.d. 5 juni 2008 verzocht om haar verweerschrift alleen aan ouder van kind toe te zenden en niet aan de partner van ouder, omdat deze volgens cliënte niet als klager beschouwd kon worden.

In haar schrijven van 26 juni jl. meldde de klachtencommissie het verweerschrift toch aan beiden te hebben doorgezonden, zonder melding aan cliënte hierover (...)

Cliënte heeft zich tijdens de hoorzitting d.d. 13 augustus jl. beroepen op artikel 1.2 B (begripsbepalingen) lid 4, van het klachtreglement; klager is de pati ënt, zo nodig vertegenwoordigd in overeenstemming met het Burgerlijke Wetboek. De voorzitter gaf aan dat dit correct was en dat de partner van klaagster eerder als klager beschouwd, in de uitspraak niet meer als klager te beschouwen.

Dit houdt in dat het verweerschrift van cliënte, op onterechte gronden werd doorgezonden aan de partner van klaagster, waardoor de klachtencommissie cliënte mogelijkerwijze heeft geschaad.

Cliënte wijst het bestuur, op artikel 3 lid 7 van het klachtreglement, handelende over een zorgvuldige en vertrouwelijke behandeling en registratie van alle gegevens over klager en aangeklaagde.

Het bestuur dient zich eveneens te realiseren, dat in de klachtencommissie van de de VIT geen kindertherapeut aanwezig was. Wellicht is de klachtencommissie, niet gehinderd door kennis van de kindertherapie-praktijk, tot haar oordeel gekomen.

II Ten aanzien van de inhoud van de uitspraak

Ad 1. Klagers

Mevrouw [F] wordt als klaagster genoemd en de heer [G] (partner van moeder) als klager. Hieruit blijkt dat klachtencommissie van meet af aan ook de partner van klaagster heeft beschouwd, ondanks artikel 1 lid 4 klachtreglement.

Ad 3. De klacht

Voordat genoemde hoorzitting begon, heeft cliënte gemeld, dat het benoemen van "valse aangifte van kindermishandeling" niet correct was, maar een juiste benoeming diende te zijn: een "melding van vermoeden kindermishandeling".

(...)

Echter, in de uiteindelijke uitspraak van de klachtencommissie van 21 oktober jl., wordt steeds gesproken over "valse aangifte".

Ad 6. Het verloop van de behandeling

(...)

Cliënte had alle redenen om een zorgvuldige en vertrouwelijke behandeling van het dossier van [H] in twijfel te trekken, gezien het doorsturen van het verweerschrift aan de partner van klaagster,die door de klachtencommissie onterecht als klager werd beschouwd.

Ad 7. De onderzoeksbevindingen

(...)

In de hoorzitting heeft cliënte duidelijk gesteld, dat kindermishandeling een wijds begrip is en dat lichamelijke signalen slechts een onderdeel kunnen zijn van kindermishandeling.

Hieruit blijkt dat de klachtencommissie geen kennis heeft van het begrip en definitie van kindermishandeling, waaronder zowel lichamelijke als psychische signalen van belang zijn.

(...)

Cliënte heeft op geen enkele wijze geconcludeerd dat er sprake was van kindermishandeling, slechts signalen opgevangen die "een vermoeden tot kindermishandeling" lieten ontstaan. (...)

(...)

Ik wijs u er allereerst op, dat indien het Bestuur van de Vit, de uitspraak van de klachtencommissie in stand laat en haar aanbeveling overneemt, zij verwijtbaar handelt tegen cliënte. Uw reglement voorziet niet in een beroepsmogelijkheid en cliënte zal mede hierdoor schade lijden. De Vit zal alsdan in een civiele procedure worden betrokken wegens onrechtmatig handelen tegen cliënte. De uitoefening van haar vak evenals haar goede naam worden bedreigd. Voor alle geleden en te lijden schade stelt cliënte u op voorhand aansprakelijk.

Verder zal cliënte een mogelijke nadelige uitspraak van het bestuur van de VIT noodzaken tot het voeren van een civiele procedure ter vernietiging van het bindend advies.

Cliënte gaat er echter van uit dat het VIT bestuur het niet zover zal laten komen tegenover een van haar leden en de uitspraak van de klachtencommissie zal vernietigen en de aanbevelingen niet zal overnemen."

2.27. Bij brief van 5 december 2008 heeft de Klachtencommissie het bestuur van de VIT bericht:

"(...)

De Klachtencommissie heeft het betreffende verslag verstuurd naar mevr. [eiseres] op 21 oktober 2008. Vastgesteld wordt dat inmiddels ruim 6 weken zijn verstreken en dat de commissie tot op heden geen bericht van mevr. [eiseres] heeft ontvangen dat zij de aanbevolen maatregelen heeft genomen. Bijgevolg staat aan de commissie geen andere weg open dan thans aan u als Bestuur van de VIT te adviseren om mevr. [eiseres] te royeren als lid van de de VIT."

2.28. Bij brief van 8 december 2008 heeft het bestuur van de VIT de raadsvrouwe van [eiseres] bericht:

"Naar aanleiding van uw brief d.d. 14 november jl. berichten wij u het volgende.

De klachtencommissie opereert onafhankelijk van het bestuur en hetgeen in de commissie wordt besproken wordt niet naar buiten gebracht door de leden van de commissie. De commissie heeft een duidelijke plicht tot geheimhouding. Een en ander is natuurlijk mede bedoeld om de belangen van de therapeut tegen wie de klacht wordt ingediend, te beschermen.

Het bestuur gaat niet over uitspraken van de klachtencommissie, is niet op de hoogte van wat er (met naam en toenaam) speelt in een procedure en hoort zich daar inhoudelijk niet mee te bemoeien.

Overigens behoort u als advocate ervan op de hoogte te zijn dat het bestuur niet de bevoegdheid heeft om zich uit te laten over de inhoudelijke gang van zaken bij een klachtbehandeling.

(...)".

2.29. Bij brief van 23 december 2008 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:

"(...)

In haar aanbevelingen heeft de Klachtencommissie u geadviseerd om voor de periode van een jaar, met een frequentie van minimaal 1x per maand, onder supervisie van een geregistreerde supervisor, tevens lid van de VIT, te werken aan uw attitude van therapeut, gericht op het ontwikkelen van een onpartijdige, neutrale en professionele beroepshouding.

Verder is u meegedeeld dat u op grond van artikel 15.3 van het klachtreglement, binnen een maand na ontvangst van het verslag van de Klachtencommissie, aan de Klachtencommissie diende mee te delen of u bovenstaande maatregelen genomen heeft, bij gebreke waarvan de Klachtencommissie aan het Bestuur van de VIT zou adviseren om u te royeren als lid van de VIT.

Vastgesteld wordt dat inmiddels ruim 8 weken zijn verstreken en dat de commissie tot op heden geen bericht van u heeft ontvangen, dat u de aanbevolen maatregelen heeft genomen.

Hoezeer wij het ook betreuren, het bestuur staat nu geen andere weg open dan het advies van de Klachtencommissie op te volgen, en u per direct te royeren als lid van de VIT."

2.30. Bij brief van 29 januari 2009 heeft [eiseres] het bestuur van de VIT bericht dat zij ingevolge artikel 13.1 lid 3.4 van de statuten beroep instelt tegen de beslissing van het bestuur om haar te royeren. Voorts heeft [eiseres] het bestuur verzocht, hangende de civiele zaak tegen het bestuur van de VIT en in afwachting van de door het bestuur in te lasten extra ALV, het besluit tot royement te schorsen.

2.31. Bij brief van 10 februari 2009 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:

"De klachtencommissie heeft door middel van haar schrijven d.d. 5 december 2008 het bestuur van de VIT geïnformeerd dat zij uitspraak heeft gedaan in een klachtprocedure tegen u gericht. In genoemde brief schreef de klachtencommissie dat zij in haar verslag aan u - naar u verstuurd op 21 oktober 2008 - heeft gemeld dat die klacht door de klachtencommissie gegrond is verklaard en dat de commissie u heeft geadviseerd om voor de periode van een jaar onder supervisie te werken aan uw attitude als therapeut. In hetzelfde verslag heeft de klachtencommissie geschreven dat u op grond van art. 15.3 van het klachtenreglement een maand de tijd had om de klachtencommissie te informeren of u voornemens was om het advies op te volgen en de bedoelde maatregelen te nemen, bij gebreke waarvan de klachtencommissie aan het bestuur van de VIT zou adviseren u te royeren als lid van de VIT. Uit genoemd schrijven blijkt dat u de klachtencommissie niet binnen de gestelde termijn hebt geïnformeerd en dat de klachtencommissie daaruit heeft geconcludeerd dat u de aanbevolen maatregelen niet hebt genomen. De klachtencommissie heeft daarom het bestuur geadviseerd u te royeren als lid van de VIT.

Wij kennen in de VIT een duidelijke scheiding tussen de taken van het bestuur en de taken van de klachtencommissie. De klachtencommissie is immers juist in het leven geroepen om klachten van cliënten tegen de VIT-leden op een deskundige en onafhankelijke manier te behandelen in een klachtenprocedure waarin beide partijen worden gehoord en waarbij de privacy van de cliënten wordt gewaarborgd. Wanneer wij als bestuur de klachten van cliënten zouden moeten beoordelen, zouden de deskundigheid, de onafhankelijkheid, het recht op hoor en wederhoor, alsook de privacy van betrokkenen in het geding komen. Het bestuur gaat ervan uit dat de klachtencommissie haar werk zorgvuldig en naar behoren heeft gedaan. Het door u ingebrachte advies van de heer [I] doet daar niets aan af. Dat advies is geschreven op uw verzoek en op basis van uw informatie en kan dus niet worden beschouwd als een onafhankelijk advies. Wij hebben dan ook besloten om het advies van de klachtencommissie op te volgen.

(...)

Uit uw brief hebben wij begrepen dat u gebruik wilt maken van de mogelijkheid om bij de ALV beroep aan te tekenen tegen het royement. Hoewel uw verzoek hiertoe tot de voorzitter is gericht en niet tot de secretaris (zoals vereist volgens art. 13.2), hebben wij besloten uw verzoek in te willigen. Op grond van de statuten art. 13.3 zal het bestuur een extra ALV bijeen roepen. (...)"

2.32. Tijdens de ALV van 28 maart 2009 is het beroep van [eiseres] behandeld en heeft de ALV besloten dat een onafhankelijk onderzoek zal worden ingesteld naar het handelen van de klachtencommissie en dat het handelen van [eiseres] door een nieuw samen te stellen commissie opnieuw zal worden onderzocht. Tevens heeft de ALV besloten dat het royement gedurende het onderzoek zal worden opgeschort.

2.33. Bij brief van 15 april 2009 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:

"Naar aanleiding van de Algemene Ledenvergadering van 28 maart jongstleden en gehoord hebbend wat ter vergadering met betrekking tot het royement van uw lidmaatschap van de vereniging aan de orde is geweest, heeft het bestuur zich herberaden en haar besluit met betrekking tot uw royement herwogen. Een en ander heeft er toe geleid dat het bestuur heeft besloten om terug te komen op haar besluit van 23 december 2008 met betrekking tot uw royement als lid van de de VIT en dat besluit te vernietigen.

Het voorgaand betekent dat uw lidmaatschap van de Vereniging van Integraal Therapeuten met ingang van 1 oktober 2006 tot lid van de VIT onverkort van kracht is. Dit heeft inmiddels geresulteerd in de vermelding van uw praktijk op de website van de VIT, alsmede in het doorgeven van uw naam aan de aangesloten zorgverzekeraars.

Van bovenstaand bestuursbesluit zal mededeling worden gedaan in de komende ALV op 18 april aanstaande.

(...)".

2.34. Op de ALV van 18 april 2009 heeft het bestuur van de VIT aan de leden meegedeeld dat de besluiten die op de ALV van 28 maart 2009 zijn aangenomen, te weten het onafhankelijke onderzoek naar de behandeling van de klacht door de klachtencommissie en de opschorting van het royement, wettelijk niet mogelijk zijn en daarom niet worden uitgevoerd.

2.35. Op 14 juli 2009 heeft [eiseres] een eigen vereniging opgericht voor kinder- en/of jeugdtherapeuten.

2.36. Per 7 oktober 2009 heeft [eiseres] haar lidmaatschap van de VIT opgezegd.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert - na vermindering van eis - gedaagden hoofdelijk voor het geheel, zodat de betaling van de één de ander bevrijdt, te veroordelen tot:

1. betaling van een bedrag van € 56.147,49 vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2008, althans vanaf de dag der dagvaarding of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag;

2. vernietiging van het advies d.d. 21 oktober 2008 van de klachtencommissie van de Vereniging van Integraal Therapeuten;

3. het doen uitgaan van een rectificerend schrijven aan de leden van de VIT en aan de moeder van het kind waarin wordt uiteengezet dat mevrouw [eiseres] ten onrechte is geroyeerd en dat mevrouw [eiseres] de juiste procedure heeft gevolgd naar aanleiding van haar vermoeden van kindermishandeling, althans van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen strekking;

4. betaling van de kosten van dit geding;

5. betaling van de nakosten advocaat ad € 131,00 bij niet-betekening door de deurwaarder en € 199,00 bij betekening door de deurwaarder, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2. De VIT voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] hieronder één voor één bespreken. Te beginnen met het advies van de klachtencommissie.

Vernietiging van het advies van de klachtencommissie

4.2. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiseres] aldus, dat wordt gevorderd dat het advies van de klachtencommissie door de rechtbank wordt vernietigd. Tussen partijen is in geschil of het advies van de Klachtencommissie in stand dient te blijven dan wel vernietigbaar is.

4.3. De VIT heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [eiseres] ingevolge artikel 3:303 BW niet-ontvan kelijk verklaard dient te worden wegens het ontbreken van belang.

Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het inhoudelijke oordeel van de klachtencommissie alleen kan worden weerlegd in een procedure tussen [eiseres] en klagers.

Voorts stelt de VIT dat voor zover de procedurele bezwaren van [eiseres] tegen (de werkwijze van) de klachtencommissie al niet in een eventuele procedure tussen [eiseres] en de klagers behandeld worden, daarvoor geldt dat de behandeling daarvan in onderhavige procedure geen separaat belang dient. Dergelijke procedurele bezwaren kunnen immers uitsluitend tot aantasting van het oordeel van de klachtencommissie leiden, indien zij inhoudelijk tot een ander oordeel leiden. Dat oordeel wordt al geveld door de rechter in een eventuele procedure tussen [eiseres] en klagers.

Subsidiair heeft de de VIT aangevoerd dat, vanwege proceseconomische overwegingen en vanwege het risico van tegenstrijdige uitspraken, het oordeel over het advies van de Klachtencommissie dient te worden aangehouden totdat in een procedure tussen [eiseres] en de klagers tot in de hoogste instantie is beslist.

4.4. De rechtbank begrijpt de stellingen van de VIT aldus dat de VIT van mening is dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering omdat de inhoudelijke en procedurele beoordeling van het advies van de Klachtencommissie alleen kan plaatsvinden in een procedure tussen [eiseres] en klagers en dat het advies van de Klachtencommissie derhalve geen werking heeft tussen [eiseres] en de VIT.

De rechtbank kan de VIT niet volgen in deze stellingen.

Van een bindend advies is sprake indien vast staat dat partijen zijn overeengekomen om geschillen via de weg van het bindend advies op te lossen.

Een bindend advies is een vaststellingsovereenkomst waarop de artikelen 7:900 BW en verder van toepassing zijn. Gebondenheid van partijen aan het bindend advies is regel. Uit artikel 6 lid 3 van de Statuten volgt dat de vereniging een arbitragecommissie dient in te stellen, aan het oordeel waarvan de leden van de vereniging zich verplichten te onderwerpen ter zake van geschillen dan wel klachten ingesteld door patiënten, cliënten of collega's.

De rechtbank is van oordeel dat ingevolge dit artikel van de statuten, waaraan alle leden van de VIT zich hebben onderworpen, [eiseres] met de VIT is overeengekomen dat geschillen via de weg van een bindend advies door de Klachtencommissie dienen te worden opgelost. Het advies van de Klachtencommissie is derhalve ook als een bindend advies tussen [eiseres] en de VIT te beschouwen en [eiseres] kan derhalve in haar vordering worden ontvangen. De VIT heeft dit zelf ook zo gezien: zij volgt het advies van de klachtencommissie om [eiseres] te royeren.

4.5. [eiseres] stelt dat de klachtencommissie onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zowel de vele procedurele fouten als door de wijze waarop de klacht inhoudelijk is behandeld. Zij vordert vernietiging van het advies van de klachtencommissie op grond van artikel 7:904 BW dan wel artikel 2:15 BW omdat het van wege alle gebreken bij de totstandkoming ervan als inhoudelijk naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar eraan te houden.

4.5.1. Ten aanzien van de procedurele klachten heeft [eiseres] het navolgende aangevoerd. Ondanks dat het klachtenreglement uitdrukkelijk bepaalt dat als klager slechts wordt aangemerkt de cliënt en/of diens wettelijk vertegenwoordiger, heeft de klachtencommissie de partner van de moeder in eerste instantie tevens als klager aangemerkt en hem het verweerschrift toegestuurd. Pas na de mondelinge behandeling is de partner van de moeder niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.2. In strijd met artikel 3 lid 5 van het klachtenreglement heeft de klachtencommissie [eiseres] niet toegestaan zich te doen vertegenwoordigen door een advocaat. Hierdoor heeft de klachtencommissie het recht van [eiseres] om zich behoorlijk te kunnen verdedigen tegen klaagster geschonden.

4.5.3. De klachtencommissie heeft op verzoek van klaagster besloten [eiseres] en klaagster buiten elkaars aanwezigheid te horen, zonder dat [eiseres] hierin is gekend. Hierdoor heeft de klachtencommissie het recht op hoor en wederhoor geschonden.

4.5.4. De klachtencommissie heeft in strijd met artikel 3 lid 6 van het klachtenreglement (klager en aangeklaagde hebben recht op inzage in alle bij de behandeling van de klacht aan de klachtencommissie overgelegde stukken) informatie opgevraagd bij het AMK en de vader van het kind en dit aan het dossier toegevoegd zonder [eiseres] hiervan een kopie te verstrekken. Vervolgens volgt uit paragraaf 13 van het advies van de klachtencommissie dat zij deze informatie heeft gebruikt om tot een oordeel te komen.

4.5.5. De secretaris van de klachtencommissie heeft zich jegens het AMK voorgedaan als griffier van de tuchtraad teneinde inzage in het complete AMK-dossier te verkrijgen.

4.5.6. De klachtencommissie heeft in strijd met artikel 15 lid 2 van het klachtenreglement pas op 21 oktober 2008 zijn advies gegeven, terwijl de klacht op 4 mei 2008 is ontvangen. De termijn van artikel 15 lid 2 is daardoor met twee maanden overschreven, zodat van een behandeling binnen een redelijke termijn geen sprake is geweest.

4.5.7. De klachtencommissie bestond uit vier leden die allen al langer dan twee jaar deel uitmaakten van de klachtencommissie. Een van de leden, de heer [C], is bovendien erelid van de VIT, zodat er in ieder geval een schijn van afhankelijkheid is, terwijl mevrouw [D] werkzaam is in het bedrijf van de heer [C]. Bovendien zijn niet alle drie de overige leden van de klachtencommissie afkomstig uit de kring van therapeuten. Hierdoor ontstaat de indruk dat de klachtencommissie niet onafhankelijk is geweest.

4.5.8. Ten aanzien van de inhoudelijke behandeling van de klacht heeft [eiseres] aangevoerd dat de klachtencommissie heeft miskend dat al hetgeen zij heeft gedaan alvorens over te gaan tot de zorgmelding juist voor haar zorgvuldige handelswijze pleit. [eiseres] stelt het protocol van het Ministerie van VWS zorgvuldig te hebben opgevolgd en haar vermoedens kritisch te hebben getoetst en haar gedachtegang door anderen heeft laten controleren.

4.5.9. Voorts stelt [eiseres] dat het onderzoek van de klachtencommissie zich ten onrechte niet heeft beperkt tot de vraag of [eiseres] zich aan alle (interne) reglementen en protocollen heeft gehouden voordat zij een zorgmelding deed, maar zich ook heeft uitgestrekt tot de inhoudelijke beoordeling van de melding bij het AMK van een vermoeden van kindermishandeling. [eiseres] is van mening dat het niet de taak van de klachtencommissie is om achteraf te onderzoeken of er sprake was van kindermishandeling. Volgens [eiseres] gaat het slechts om de vraag of de therapeut, indien deze aanwijzingen voor een vermoeden heeft verzameld, op correcte wijze stappen heeft ondernomen teneinde het vermoeden te toetsen. Voldoet de therapeut daaraan, dan kan van onzorgvuldigheid geen sprake zijn, tenzij de therapeut aanwijzingen opzettelijk op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd en heeft gecreëerd en derden daarmee op het verkeerde been zou hebben gezet. [eiseres] stelt dat het gaat om de mate van zorgvuldigheid die de therapeut daarbij heeft betracht. Het enkele feit dat het onderzoek van het AMK niet heeft geleid tot een bevestiging van de vermoedde kindermishandeling kan niet leiden tot de conclusie dat [eiseres] door het melden van haar vermoedens onrechtmatig of onzorgvuldig zou hebben gehandeld.

4.6. De VIT heeft aangevoerd dat uit het klachtreglement volgt dat de Klachtencommissie een niet juridisch afdwingbare uitspraak doet, dat de leden van de Klachtcommissie en andere bij de klachtbehandeling betrokkenen een geheimhoudingsplicht hebben, dat [eiseres] haar vragen dan wel bedenkingen omtrent de onpartijdigheid van leden van de Klachtencommissie op voorhand aan de Klachtencommissie had kunnen voorleggen en dat de Klachtencommissie haar uitspraken baseert op de door de beroepsorganisatie vastgestelde kwaliteitseisen en beroepscodes en de Natuurgeneeskundige Ethiek.

Voorts heeft de VIT aangevoerd dat de procedurele bezwaren van [eiseres] alleen al geen doel treffen omdat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het oordeel van de Klachtencommissie daardoor op enige wijze in beïnvloed of anderszins haar belangen zouden zijn geschaad.

Voor het overige heeft de VIT haar recht tot verweer voorbehouden.

4.7. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7:904 BW is een bindend advies slechts vernietigbaar, indien gebondenheid aan dat bindend advies in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Getoetst moet worden of de fundamentele beginselen van procesrecht in acht zijn genomen. De rechter dient zich daarbij terughoudend op te stellen; niet elke onjuistheid in het bindend advies kan tot vernietiging leiden. Van een verkapt hoger beroep is geen sprake. Slechts indien aan het bindend advies ernstige gebreken kleven kan met recht een beroep op vernietiging worden gedaan.

4.7.1. De VIT heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering en dat de procedure moeten worden aangehouden totdat in een procedure tussen [eiseres] en klagers in de hoogste instantie is beslist. Dit standpunt is door de rechtbank verworpen (zie r.o. 4.4.) De VIT heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [eiseres] naar voren gebrachte procedurele en inhoudelijke bezwaren tegen het advies van de Klachtencommissie. De VIT heeft zich het recht voorbehouden om, indien de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling toekwam, verweer te voeren. Het ontgaat de rechtbank echter op grond waarvan de VIT dit voorbehoud heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de processtrategie van de VIT voor haar eigen rekening en risico komt en zal derhalve aan het voorbehoud van de VIT voorbij gaan. Nu de VIT geen verweer heeft gevoerd tegen de door [eiseres] naar voren gebrachte procedurele en inhoudelijke bezwaren, dient de rechtbank deze als vaststaand aan te nemen. Hierbij merkt de rechtbank echter wel op dat het bezwaar van [eiseres] dat de klachtencommissie [eiseres] niet heeft toegestaan zich te doen vertegenwoordigen door een advocaat, niet volgt uit de door [eiseres] ter onderbouwing overgelegde e-mail. De rechtbank zal dit bezwaar dan ook niet meenemen in haar beoordeling.

4.7.2. De vraag die thans beantwoord moet worden is of er zodanig ernstige gebreken aan het advies van de Klachtencommissie kleven dat met recht een beroep kan worden gedaan op vernietiging van het bindend advies. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Door het verweerschrift aan de partner van de vrouw te zenden, heeft de klachtencommissie haar geheimhoudingsplicht geschonden. Door klaagster en [eiseres] buiten elkaars aanwezigheid te horen, zonder [eiseres] hierin te kennen, heeft de klachtencommissie het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Voorts acht de rechtbank het in strijd met de beginselen van procesrecht dat de klachtencommissie op eigen initiatief informatie heeft opgevraagd bij het AMK en de vader van het kind en deze informatie aan het dossier heeft toegevoegd, zonder [eiseres] hiervan een kopie te sturen. Hierdoor heeft [eiseres] zich niet deugdelijk kunnen verweren. Dit is nog kwalijker nu uit het advies van de klachtencommissie volgt dat zij bij het tot stand komen van het advies zich van deze informatie heeft bediend. Ten slotte heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt kunnen innemen dat de klachtencommissie jegens haar de schijn heeft gewekt dat zij niet onafhankelijk is doordat de samenstelling van de klachtencommissie niet conform haar eigen reglement was. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het gezien de wijze van tot stand komen van het bindend advies naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [eiseres] aan het advies te binden.

4.7.3. Ten aanzien van de inhoud van het bindend advies overweegt de rechtbank dat de uitspraak van de klachtencommissie in dit geval het karakter heeft van rechtspraak, zodat aan het advies van de klachtencommissie strengere motiveringseisen worden gesteld. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de taak van een klachtencommissie, die te beoordelen krijgt of een klacht gegrond is, zich dient te beperken tot een onderzoek naar de vraag of de therapeut over wie geklaagd is het onderzoek waarop haar bevindingen berust op voldoende zorgvuldige wijze heeft verricht. Uit het advies van de klachtencommissie volgt dat zij heeft onderzocht op grond van welke signalen [eiseres] haar melding bij het AMK van een vermoeden van mishandeling heeft gebaseerd en dat zij zich daarbij een eigen oordeel over het al dan niet aannemelijk zijn van dat vermoeden heeft gevormd. De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie hierbij de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Dit brengt mee dat ook wat betreft de totstandkoming van de inhoud van het bindend advies het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht om [eiseres] aan het bindend advies gebonden te achten. De rechtbank zal het advies van de klachtencommissie, voor zover deze werking heeft tussen [eiseres] en de VIT, vernietigen. De rechtbank merkt hierbij op dat, voor zover het advies van de klachtencommissie werking heeft tussen [eiseres] en klagers, zij geen oordeel kan geven aangezien klagers geen partij zijn in deze procedure.

Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van de VIT en haar bestuurders

4.8. [eiseres] vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van zowel de VIT als van haar bestuurders. De rechtbank zal hierna beide vorderingen bespreken.

Onrechtmatige daad VIT

4.9. [eiseres] stelt dat het bestuur onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door niet nader te onderzoeken of er een reden was om haar te royeren, door geen hoor en wederhoor toe te passen en door de door de klachtencommissie geadviseerde sanctie klakkeloos toe te passen terwijl daarvoor geen wettelijke grond aanwezig was.

[eiseres] stelt dat het bestuur niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld met betrekking tot het royement, maar dat haar ook de wijze van besturen en het onprofessioneel handelen in deze zaak valt te verwijten.

Hiertoe heeft [eiseres] het navolgende aangevoerd.

Het bestuur heeft de klachtencommissie gebruik laten maken van hetzelfde briefpapier als het bestuur, zodat het vermoeden bestaat dat geen sprake is van een onafhankelijke behandeling van de klacht. Daarnaast heeft het bestuur de brief waarin het royementsbesluit aan [eiseres] wordt medegedeeld verkeerd geadresseerd. Ten slotte wordt op de reactie van [eiseres] op het royementsbesluit pas twee weken later gereageerd. [eiseres] is van mening dat al deze gedragingen, gepleegd in het licht van het royementsbesluit, zeer onzorgvuldig zijn waarvan de VIT een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.10. De VIT stelt voorop dat het royementsbesluit ongedaan is gemaakt, zodat de grondslag voor de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade door het royement ontbreekt. Voorts heeft de VIT aangevoerd dat beide besluiten - zowel het royement als de intrekking daarvan - op goede gronden en zeker niet klakkeloos zijn genomen.

Zij stelt dat de ongemotiveerde weigering van [eiseres] om het advies van de klachtencommissie tot supervisie op te volgen, uiteindelijk leidde tot het royementsbesluit. Voorts stelt de VIT dat [eiseres] het zelf zover heeft laten komen, terwijl zij voor de mogelijke gevolgen gewaarschuwd was.

4.11. De rechtbank kan de VIT niet volgen in haar stelling dat, omdat het royementsbesluit ongedaan is gemaakt, de grondslag voor de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade door het royement ontbreekt. Immers, de vernietiging van het besluit brengt niet met zich mee dat het aanvankelijke besluit tot royement geen gevolgen heeft gehad. Zo heeft [eiseres] aangevoerd dat de verzekering op 30 maart 2009 heeft laten weten behandelingen van haar cliënten niet meer te vergoeden. [eiseres] is verwijderd van de website van beroepsvereniging, waardoor zij geen cliënten meer kreeg door verwezen en aan haar reputatie is ernstige schade toegebracht door het royement.

4.11.1. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 12 lid 5 van de Statuten het lid maatschap kan eindigen door ontzetting (royement) bij besluit van het bestuur. Voorts volgt uit artikel 2:15 lid 1 sub b BW dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden ge ëist.

4.11.2. In dit kader dient de vraag te worden beantwoord of de VIT, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit tot royement van [eiseres] heeft kunnen komen.

In beginsel is er slechts plaats voor een (zeer beperkte) marginale toetsing van het besluit. Naarmate er echter minder basis in de statuten of reglementen voor een beslissing aanwezig is en geen duidelijk samenstel van regels voorhanden is waaraan getoetst dient te worden, is er minder reden voor terughoudendheid bij de beoordeling van het besluit. Indien lichtvaardig wordt besloten tot royement, wordt gehandeld in strijd met de normen van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW , waarmee alsdan de onrechtmatigheid van het royementsbesluit jegens [eiseres] vaststaat.

4.11.3. De rechtbank is van oordeel dat de VIT in ernstige mate onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door het advies van de klachtencommissie over te nemen en zonder daarbij een eigen afweging van alle betrokken belangen te maken. Een dergelijke afweging had wel van het bestuur mogen worden verwacht, zeker gelet op de bezwaren die [eiseres] kenbaar had gemaakt aan het bestuur in haar brief van 14 november 2008. Weliswaar heeft de VIT ter zitting aangevoerd dat zij het advies van de klachtencommissie niet klakkeloos heeft opgevolgd, maar zelf na beoordeling van de zaak tot royement heeft besloten, echter uit de brieven van de VIT van 23 december 2008 en 10 februari 2009 volgt het tegendeel. In beide brieven schrijft de VIT dat zij het advies van de klachtencommissie zal opvolgen en om die reden [eiseres] zal royeren. Gezien de brief van [eiseres] van 14 november 2008 aan de VIT, waarvan een kopie aan de klachtencommissie is verzonden, had de VIT, gelet op haar eigen bestuursverantwoordelijkheid jegens [eiseres], het advies van de klachtencommissie in ieder geval marginaal moeten toetsen. De rechtbank is van oordeel dat het de taak van het bestuur is om in het geval een lid met klachten over de werkwijze en samenstelling van de klachtencommissie komt, te toetsen of het besluit op de juiste wijze en gronden is genomen. Temeer nu, anders dan de VIT stelt, geen beroepsmogelijkheid van de beslissing van de klachtencommissie mogelijk is. De onafhankelijkheid van de klachtencommissie is hiermee niet in het geding.

Nu zulks niet is gebeurd, heeft de VIT het besluit tot royement lichtvaardig genomen en daarmee in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehandeld. Hiermee staat de onrechtmatigheid van het besluit van de VIT vast. Daar komt bij dat de VIT [eiseres] heeft geroyeerd zonder [eiseres] te hebben gehoord, waarmee de VIT het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.

Onrechtmatige daad bestuurders

4.12. [eiseres] stelt dat de handelingen van het bestuur zo ernstig zijn dat de bestuurders daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij stelt dat voor de bestuurders, die allen betrokken moeten zijn geweest bij het tot stand komen van het bestuursbesluit tot royement, duidelijk moet zijn geweest dat een (deugdelijke) grond voor het besluit ontbrak, dat dit besluit daarom door de ALV vernietigd zou kunnen worden en dat [eiseres] schade zou leiden door het royement. Reeds die wetenschap levert op dat de onrechtmatige gedragingen aan de bestuurders persoonlijk toegerekend kunnen worden. Door dit handelen stelden de bestuurders bovendien ook de vereniging bloot aan schadeclaims van [eiseres] en daarmee ook de verenigingskas die wordt gevuld door de leden. Onder die omstandigheden hebben alle bestuurders persoonlijk onrechtmatig gehandeld jegens haar gehandeld, aldus [eiseres].

4.12.1. Door (de bestuurders van) de VIT is betwist dat er sprake is van een persoonlijk en ernstig verwijt.

4.13. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet (voldoende) gemotiveerd is gesteld dat aan (een van) de individuele bestuurder(s) een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Dit is ook niet anderszins gebleken. Het enkele feit dat iemand deel uitmaakt van het bestuur van een rechtspersoon dat onrechtmatig jegens een derde heeft gehandeld, is daarvoor onvoldoende. De bestuurders hebben niet individueel anders gehandeld dan zij als gezamenlijk bestuur hebben gedaan.

Voor zover de bestuurders wisten dat [eiseres] schade zou leiden door het besluit, leidt het enkele feit dat er schade is geleden nog niet tot de conclusie dat sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders.

Schade

4.14. [eiseres] heeft aangevoerd dat zij schade heeft geleden door het onrechtmatige royementsbesluit van de VIT. Zij stelt dat de verzekering op 30 maart 2009 heeft laten weten behandelingen van haar cliënten niet meer te vergoeden. Haar naam is verwijderd van de website van beroepsvereniging, waardoor zij geen cliënten meer kreeg door verwezen. Ten slotte is haar reputatie ernstige schade toegebracht door het royement. [eiseres] stelt dat haar schade als volgt kan worden begroot:

1. inkomensschade vanwege afgenomen wekelijkse therapiesessies

inclusief schade doorverwijzingen € 22.313,00

2. gevolgschade [x] en [y] methodiek

3. economische schade wetenschappelijke toetsing/ licenti[y] € 21.218,00

4. buitengerechtelijke kosten € 14.523,67

5. claim partner van moeder kind € 10.000

De rechtbank zal hierna de afzonderlijke schadeposten bespreken.

Ad. 1. Inkomensschade vanwege afgenomen wekelijkse therapiesessies inclusief schade doorverwijzingen

4.15. [eiseres] heeft ter onderbouwing van deze schadepost het navolgende aangevoerd. De schade ter zake van het afgenomen aantal wekelijkse therapiesessies is benaderd als het verschil tussen de over het jaar 2009 geprognosticeerde omzet van € 54.640,- uitgaande van de veronderstelling dat er geen royement zou hebben plaatsgevonden, en € 28.087,-, zijnde de daadwerkelijke omzet over het jaar 2009. De aldus berekende schade bedraagt € 22.313,-. Dit bedrag is positief beïnvloed doordat in het derde kwartaal van 2009 het uurtarief met € 10,- is verhoogd. De geprognosticeerde omzet over 2009 is berekend door uit te gaan van de omzet inclusief omzetbelasting over de jaren 2006 tot en met het tweede kwartaal van 2009. Voor de omzet over het derde en vierde kwartaal 2009 is uitgegaan van geprognosticeerde omzetten van € 4.500,- en € 8.200,-.

4.16. De VIT betwist de hoogte van de door [eiseres] geleden schade. Zij stelt dat de enorme groei die de praktijk heeft doorgemaakt niet maatgevend is voor de verdere groei. Een afvlakking ligt voor de hand, zeker bij een hoger uurtarief. Daarnaast bestaat er ook een natuurlijke begrenzing aan de hoeveelheid therapiesessies die een therapeut wekelijks kan voeren. Voorts stelt de VIT dat bij een onderbouwing van schade dient te worden uitgegaan van een vergelijking van de gerealiseerde en geprognosticeerde winst en niet de omzet. Bovendien stelt de VIT dat is uitgegaan van geprognosticeerde omzet over het tweede kwartaal 2009, terwijl op dat moment de gerealiseerde omzetcijfers beschikbaar waren. Ten slotte is de VIT van mening dat voor een acceptabele schadeberekening de winstprognose zonder schadevoorval waarmee de gerealiseerde winst wordt vergeleken betrouwbaar dient te zijn. Ter zake mag ten minste een serieuze, door een bank of een accountant goedgekeurde, prognose worden verlangd, waarvan in casu geen sprake is. De prognose is geheel gebaseerd op informatie van [eiseres] zelf.

4.17. De rechtbank stelt voorop dat in casu de omzet gelijk kan worden gesteld met de winst, aangezien alle kosten reeds zijn gemaakt. Uitgegaan kan derhalve worden van de gerealiseerde en geprognosticeerde winstcijfers. Ingevolge artikel 6:97 BW mag, wanneer de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, de schade worden geschat. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar schade een rapport overgelegd van de heer W.J.M. Smeets RA RV van Horlings Transaction Services. Deze heeft aan de hand van de door [eiseres] overgelegde processtukken, de balans en winst- en verliesrekening van [A] over 2007 en 2008, de boekhouding van [A] over 2009, de aangifte omzetbelasting met achterliggende opstellingen over 2007, 2008 en 2009, diverse kopie verkoopfacturen over 2008 en 2009 en de website van [A] een begroting van de door [eiseres] geleden schade opgesteld. De stelling van de VIT dat de prognose is gebaseerd op informatie van [eiseres] zelf kan haar dus niet baten. De VIT heeft de schadebegroting van [eiseres] in algemene termen betwist. Gelet op de onderbouwing van [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de VIT de schadebegroting meer gedetailleerd had moeten betwisten. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] dan ook toewijzen.

Ad. 2. Gevolgschad[y] en [y] methodiek

4.18. Ten aanzien van de gevolgschad[y] en [y] methodiek overweegt de rechtbank dat [eiseres] daaraan geen vordering heeft verbonden. Deze schadepost zal dan ook verder onbesproken blijven.

Ad. 3. Economische schade wetenschappelijke toetsing AMC/licenti[y]

4.19. [eiseres] heeft aangevoerd dat tegelijk met het tot stand komen van de joint venture [A] benaderd werd door het AMC om de door haar ontwikkelde methodiek voor kinderen met poepproblemen wetenschappelijk te toetsen. Om deze studie te kunnen opstarten heeft [A] in samenwerking met het AMC subsidies aangevraagd. Vanwege de verwikkelingen met de VIT heeft de subsidieaanvraag vertraging opgelopen en is [eiseres] medegedeeld dat haar aanvraag voor subsidies pas eind 2009 in behandeling zal kunnen worden genomen. [eiseres] stelt hierdoor een jaar vertraging en daarmee winstderving te hebben opgelopen.

De licentie voo[y] kan worden verkregen door kindertherapeuten door het volgen van diverse workshops. De eerste workshop die [eiseres] gaf is bijgewoond door ongeveer 50 mensen. Daarnaast had zij een groot aantal geïnteresseerden voor drie aanvullende workshops van € 195,- per stuk. Op basis hiervan is het aannemelijk dat jaarlijks in ieder geval 20 licenties zouden kunnen worden uitgegeven, ter waarde van € 985,- inclusief het bijwonen van drie workshops. Door de verwikkelingen met de VIT is echter vertraging opgelopen en heeft [eiseres] de deelnemers moeten berichten over uitstel. Daardoor heeft een groep deelnemers afgehaakt en zijn slechts 5 deelnemers behouden. Concreet is [eiseres] in 2009 dan ook 20 x 985 = € 19.700,- misgelopen. De licentie zou aan de 25 deelnemers in mei 2009 worden uitgegeven, zodat in mei 2010 de jaarlijkse licentieverlenging zou zijn betaald. Nu zulks niet gebeurd, loopt [eiseres] 25 x 250 = € 6.250,- mis aan verlenging van licentie begin 2010.

4.20. De VIT heeft aangevoerd dat [eiseres] de joint venture is aangegaan na de uitspraak van de klachtencommissie. Daarnaast stelt de VIT dat het [eiseres] zelf is geweest die ervoor heeft gekozen frontaal en publiekelijk in de aanval te gaan tegen de klacht en het besluit tot royement. Deze reactie was niet nodig geweest en enige gevolgen daarvan moeten voor haar rekening blijven. De VIT betwist dat het royement tot het afhaken van deelnemers zou hebben geleid.

4.21. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de verwikkelingen met de VIT de oorzaak van de vertraging waren. [eiseres] heeft niet dan wel onvoldoende aangetoond wat het causaal verband tussen de handelingen van de VIT en haar schade op dit punt . De enkele stelling dat vanwege de verwikkelingen met de VIT de subsidieaanvraag een jaar vertraging heeft opgelopen, is onvoldoende. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.

Ad. 4. Buitengerechtelijke kosten

4.22. [eiseres] heeft aangevoerd dat de gedragingen van de vereniging ertoe hebben geleid dat [eiseres] zich heeft moeten wenden tot advocaten en specialisten in het verenigingsrecht en met betrekking tot kindermishandeling. Het betreft hier redelijke kosten ter vaststelling van de schade en ter verkrijging van voldoening buiten rechte zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. Voorafgaand aan de procedure hebben verschillende personen getracht te bemiddelen en heeft [eiseres] getracht een voldoening buiten rechte te krijgen. Bovendien heeft [eiseres] zich naar aanleiding van de houding van de klachtencommissie en wegens het ontbreken van iedere steun en advies vanuit de VIT gedwongen gevoeld om een cursus te volgen bij het RINO over de handelwijze bij een vermoeden van kindermishandeling.

4.23. De VIT heeft aangevoerd dat [eiseres] er zelf voor heeft gekozen om zich te laten bijstaan en een cursus te volgen bij het RINO. Deze kosten zijn niet aan de VIT toe te rekenen. Voorts betwist de VIT dat de kosten van de cursus bij het RINO als redelijke buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW kunnen worden aangemerkt. Tevens stelt de VIT dat uit de dagvaarding volgt dat 90% van de kosten van [eiseres] door haar rechtsbijstandverzekering worden voldaan. [eiseres] heeft deze schade dus niet geleden.

4.24. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het door [eiseres] overgelegde rapport van Horlings volgt dat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten als volgt is opgebouwd:

Mr. J. van Embden € 2.968,-

Mr. J.W. Zanoli € 7.075,-

Mr. A.A. van Voorst Vader € 1.950,-

Cursus RINO Noord-Holland € 450,-

DAS € 173,49

Totaal: € 12.616,49

[eiseres] vordert echter slechts een bedrag van € 7.041,54, waarbij uit het rapport volgt dat het verschil is gelegen in het feit dat geen eliminatie van de BTW op de geclaimde facturen had plaatsgevonden en er geen rekening was gehouden met drie nota's van mr. J.W. Zanoli. Nu [eiseres] haar vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten niet heeft vermeerderd, gaat de rechtbank uit van het gevorderde bedrag van € 7.041,54 en zullen de overige bedragen buiten beschouwing gelaten worden.

4.24.1. Ten aanzien van de kosten van mr J. van Embden overweegt de rechtbank als volgt. Uit de door [eiseres] overgelegde stukken volgt dat mr. Van Embden [eiseres] heeft bij gestaan bij de klachtencommissie en de ALV. Deze kosten hebben derhalve allen betrekking op de tuchtrechtelijke procedure en komen om die reden niet voor vergoeding in aanmerking.

4.24.2. Ten aanzien van de kosten van mr. J.W. Zanoli en mr. A.A. van Voorst Vader heeft [eiseres] niet dan wel onvoldoende aangetoond waarvoor deze kosten zijn gemaakt. Alleen om die reden komen ze niet voor vergoeding in aanmerking.

4.24.3. Ten aanzien van de kosten van de cursus is de rechtbank van oordeel dat het causaal verband tussen het handelen van de VIT en het volgen van de cursus ontbreekt.

De rechtbank zal dit deel van de vordering van [eiseres] dan ook afwijzen.

Ad. 5. Claim partner van moeder kind

4.25. [eiseres] heeft aangevoerd dat dit een voorwaardelijke vordering betreft voor zover en indien de partner van de moeder van het kind een procedure zal opstarten. Nu hieraan in deze procedure geen vordering is verbonden, kan deze schadepost onbesproken blijven.

Rectificatie

4.26. Ten slotte vordert [eiseres] dat de VIT wordt veroordeeld tot het doen uitgaan van een rectificerend schrijven aan de leden van de VIT en aan de moeder van het kind waarin wordt uiteengezet dat [eiseres] ten onrechte is geroyeerd en dat [eiseres] de juiste procedure heeft gevolgd naar aanleiding van haar vermoeden van kindermishandeling, dan wel een rectificatie met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen strekking.

4.27. De VIT is van mening dat de vordering tot rectificatie niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien de gevraagde bevestiging omtrent haar handelwijze al voorligt bij een andere rechter, en het royementsbesluit ongedaan is gemaakt zonder oplegging van een andere sanctie. Voorts stelt de VIT dat er geen aanleiding tot rectificatie is aangezien het bestuur in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Ten slotte stelt de VIT dat artikel 6:167 BW geen grondslag voor toewijzing van deze vordering biedt, omdat geen sprake is van een publicatie van de VIT die gerectificeerd kan worden. Daarnaast stelt de VIT dat de onderbouwing van het besluit tot royement niet als gegeven van feitelijk kan worden gekwalificeerd, aangezien het oordeel over het besluit van subjectieve aard is.

4.28. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:167 BW kan de rechter veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie indien iemand jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard. Het begrip publicatie dient ruim te worden opgevat zodat het op iedere openbaarmaking van toepassing kan zijn. Onder publicatie kan dus ook verstaan worden het toezenden van het advies van de klachtencommissie aan de klagers en het bespreken van het besluit tot royement in de ALV. Dat in casu het besluit tot royement van [eiseres] met de ALV is besproken omdat [eiseres] beroep heeft ingesteld, doet hieraan niet af.

Uit het voorgaande is genoegzaam gebleken dat de VIT onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en hiervoor aansprakelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een rectificatie aan de moeder van het kind en de leden van de VIT op haar plaats is. De rechtbank zal bepalen dat de VIT een kopie van dit vonnis aan de moeder van het kind dient te zenden en onder haar leden dient te verspreiden.

Proceskosten

4.29. De VIT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vastrecht 1.650,00

- salaris advocaat 2.682,00 (3,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 4.417,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de VIT om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 22.313,00 (tweeëntwintig duizend drie honderd dertien euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 15 september 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. vernietigt het advies van de klachtencommissie van 23 oktober 2008 voor zover dit advies werking heeft tussen [eiseres] en de VIT,

5.3. veroordeelt de VIT om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een kopie van dit vonnis aan de moeder van het kind te zenden en onder haar leden te verspreiden,

5.4. veroordeelt de VIT in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 4.417,98, vermeerderd met een bedrag van EUR 131,00 voor nakosten, zonder dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag van EUR 68,00 indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling zal hebben voldaan en het vonnis om die reden is betekend,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven, mr. G.A.M. Peper en mr. A.P. de Jong-de Goede en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature