Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

kantonzaak, arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst en Baijingsleer.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 315443 HA VERZ 06-322

datum : 30 juni 2006

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

[VERZOEKENDE PARTIJ].,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

verzoekende partij, verder te noemen: “[verzoekende partij]”,

gemachtigde mr. J. Schoneveld, advocaat te Zoetermeer,

tegen

[VERWERENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen: “[verwerende partij]”,

gemachtigde mr. E.P. Cornel, advocaat te Enschede.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift d.d. 18 april 2006 met aangehechte producties,

- het verweerschrift d.d. 31 mei 2006 tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek met aangehechte producties en

- de bij faxbericht van 2 juni 2006 door [verwerende partij] nader ingezonden productie.

De mondelinge behandeling is gehouden op 6 juni 2006. Verschenen zijn:

- namens [verzoekende partij] mw. [K], office manager, vergezeld van mr. Schoneveld en

- [verwerende partij], vergezeld van mr. Cornel.

Partijen is vervolgens de gelegenheid geboden om een minnelijke regeling te treffen in welk kader de voortzetting van de mondelinge behandeling tot een nader te bepalen tijdstip is aangehouden. Nadat partijen eenparig bij brief van 12 juni 2006 om een nader uitstel hebben verzocht, hebben zij bij brief van 26 juni 2006 bericht dat zij geen minnelijke regeling hebben kunnen bereiken en dat hen een voortzetting van de mondelinge behandeling niet zinvol voorkomt. Bij brief van 28 juni 2006 is namens [verzoekende partij] aanvullend bericht dat zij [verwerende partij] niet zal houden aan het tussen hen overeengekomen non-concurrentiebeding. Daarop is de mondelinge behandeling gesloten en de beschikking bepaald op heden.

Het geschil

[verzoekende partij] heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] wegens gewichtige redenen zonder toekenning van een vergoeding naar billijkheid.

[verwerende partij] heeft zich niet verzet tegen een ontbinding en deze zijnerzijds verzocht voor het geval [verzoekende partij] haar verzoek daartoe zou intrekken. Hij heeft voorts de toekenning bepleit van een vergoeding naar billijkheid van € 71.288,21 althans € 47.525,47, voorwaardelijk te vermeerderen met een bedrag van € 335.000,00 aan gederfde “incentive payments” en te vermeerderen met € 84.000,00 voor het geval [verwerende partij] aan het non-concurrentiebeding wordt gehouden en tot slot te vermeerderen met € 5.000,00 aan kosten van juridische bijstand.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verzoekende partij] drijft een onderneming die rotorbladen ontwerpt en maakt voor de internationale windenergiemarkt. [verzoekende partij] is in 2001 opgericht door acht oud-medewerkers van de onderneming Aerpac Special Products, nadat deze onderneming is gefailleerd, verder te noemen: “key members”. [verzoekende partij] is daarbij gefinancierd door windturbinefabrikant Suzlon Energy ltd te India en is als zodanig een dochteronderneming van dat bedrijf.

b. [verwerende partij], geboren op [datum], maakt deel uit van deze groep “key members” en aldus per 1 april 2001 bij [verzoekende partij] in dienst getreden. De laatst door hem uitgeoefende functie is “project controller/projectleider”. Het laatst door hem verdiende salaris bedraagt € 3.251,69 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

c. [verzoekende partij] heeft met de “key members”, naast een arbeidsovereenkomst, op 2 april 2001 een “incentive agreement” gesloten, die - voor zover relevant - inhoudt dat zij “incentive payments” ontvangen in verband met de verkoop van die producten die door [verzoekende partij] zijn ontwikkeld en de seriematige productie is gestart in de periode dat de betrokken ‘key member” in dienst was en wel gedurende de gehele levensduur van die producten. In artikel 3.4 van die overeenkomst is verwoord dat die aanspraak vervalt in geval van “termination of employment by [verzoekende partij]” en “resignation by the concerned employee” en die aanspraak in stand blijft in geval van “leaving [verzoekende partij] under good understanding as per law”.

d. [verwerende partij] heeft de volgende “incentive payments” ontvangen: € 8.500 op 4 april 2003, € 5.125 op 18 november 2003, € 16.375 op 3 juni 2004, € 15.642,86 op 30 november 2004 en € 31.500 op 31 mei 2005.

e. Vanaf mei 2005 is tussen de “key members” besproken of de incentive regeling moet worden gewijzigd en zo ja op welke wijze. Volgens [verzoekende partij] is daarover tussen de “key members” overeenstemming bereikt en volgens [verwerende partij] niet.

f. De organisatiestructuur van [verzoekende partij] is na april 2005 gewijzigd, waarvan onder meer het gevolg is dat [verwerende partij] voortaan diende te rapporteren aan de “manager projecten” in plaats van aan de directeur van [verzoekende partij].

g. [verwerende partij] heeft op 8 maart 2006 aan [verzoekende partij] te kennen gegeven dat hij mede door de wijziging in de organisatiestructuur en het zijns inziens ten onrechte weglekken van kennis naar Suzlon en het verplaatsen van productie naar India geen toekomst meer ziet in een langdurige voortzetting van zijn dienstverband.

h. [verwerende partij] heeft zulks bij brief van 14 maart 2006 bevestigd en voorgesteld dat partijen in goed

overleg tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst komen. [verzoekende partij] heeft bij brief van 27 maart 2006 aan [verwerende partij] geantwoord dat zij zijn besluit betreurt en meegedeeld dat zij bereid is om tegemoet te komen aan de wens van [verwerende partij] tot een pro forma ontbinding, onder aanzegging dat zij dan zekerheid wil hebben over de datum van vertrek. In die brief heeft [verzoekende partij] voorts verwoord dat, wat haar betreft, na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst [verwerende partij] geen rechten meer heeft op eerdere contractuele afspraken.

i. Partijen zijn daarop eind maart 2006 tot overeenstemming gekomen dat [verwerende partij] [verzoekende partij] uiterlijk per 1 oktober 2006 zal verlaten via een pro forma ontbindingsprocedure, dat [verwerende partij] vanaf 1 april 2006 zoveel mogelijk zijn taken en “know-how” zal overdragen, waarna hij vanaf 1 juli 2006 vrijgesteld zal worden van zijn verplichting om werkzaamheden te verrichten.

j. Partijen zijn niet tot overeenstemming kunnen komen over een finale kwijting, met name niet over [verwerende partij]s aanspraak op “incentive payments” na de beëindiging van het dienstverband.

k. Bij brief van 10 april 2006 heeft [verzoekende partij] aan [verwerende partij] bericht dat het hem vrijstaat om het dienstverband te beëindigen door het nemen van ontslag, dat zij bereid was om zijn rechten op een WW-uitkering te beschermen door mee te werken aan pro forma procedure, dat het haar inmiddels duidelijk is geworden dat de enige reden dat [verwerende partij] geen ontslag neemt is om de incentive regeling te kunnen continueren, dat zij niet bereid is om daaraan mee te werken en dat zij al haar voorstellen tot een minnelijke regeling intrekt. Zij heeft voorts verwoord: “Inmiddels is een situatie ontstaan die niet langer kan voortduren. Je ziet voor jezelf geen toekomst meer bij [[verzoekende partij]] en dat is ook duidelijk merkbaar in de wijze waarop je omgaat met je direct leidinggevenden en de collega’s die hier in directe zin mee verbonden zijn. Gezien het gewicht van je functie en de belangen waarvoor je verantwoordelijk bent, acht ik het niet verantwoord je nog langer te handhaven. Ik stel je hierbij met ingang van dinsdag 11 april op non-actief met behoud van salaris. Voorts heb ik onze advocaat (..) verzocht om een ontbindingsverzoek in te dienen bij de kantonrechter (..).”

De standpunten van partijen

[verzoekende partij] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van gewichtige redenen zodanig dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn dient te eindigen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [verwerende partij] haar te kennen heeft gegeven geen toekomst meer te zien bij haar en dat hij slechts geen ontslag neemt omdat hij in dat geen geval aanspraak meer kan maken op de incentive regeling. [verzoekende partij] was bereid om met [verwerende partij] een minnelijke regeling te treffen over de beëindiging van zijn dienstverband doch nu [verwerende partij] heeft getracht op slinkse wijze zijn aanspraken uit de incentive regeling over het einde van het dienstverband te tillen, is zij daartoe niet langer genegen. Aangezien [verwerende partij] zelf weg wil, zijn inzet en motivatie sterk zijn verminderd en hij desondanks niet zelf ontslag neemt, dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden. Er is daarbij geen aanleiding voor een vergoeding naar billijkheid. Er is evenmin grond voor voorwaardelijke vergoeding omtrent alsdan vervallen rechten op “incentive payments”. [verzoekende partij] heeft tot slot aangevoerd dat zij [verwerende partij] niet houdt aan het non-concurrentiebeding, zodat alleen al om die reden geen vergoeding kan zijn verschuldigd.

[verwerende partij] heeft ten verwere aangevoerd dat hij door het ten onrechte overdragen aan Suzlon van kennis en de productie van de door [verzoekende partij] ontwikkelde modellen en de veranderingen in de organisatie en in de verhouding met Suzlon een voortzetting van de arbeidsrelatie niet meer zag zitten. Zij hebben vervolgens onderhandeld en overeenstemming bereikt over een afscheid met wederzijds goedvinden. Ten onrechte heeft [verzoekende partij] daarop gesteld dat het [verwerende partij] is die ontslag zou willen nemen en dat een voortzetting van de incentive regeling geen deel uit zou maken van de afspraken omtrent de beëindiging met wederzijds goedvinden. Dit is wel met de directeur van [verzoekende partij] overeengekomen terwijl [verzoekende partij] ook bij twee voorgaande gevallen waarbij een “key member” vertrok, heeft goedgevonden dat deze hun aanspraken uit de incentive regeling zouden behouden. Ten onrechte heeft [verzoekende partij] in april 2006 getracht om [verwerende partij] te dwingen tot ondertekening van een gewijzigde incentive regeling, waarna hij op non-actief is gesteld. De door [verzoekende partij] aan zijn adres gemaakte verwijten zijn dan ook niet juist. Nu hij door de handelwijze van [verzoekende partij] geen enkel vertrouwen meer heeft in een zinvolle voortzetting van de arbeidsrelatie, moet hij beamen dat er een verandering in de omstandigheden is die tot een ontbinding moet leiden, doch deze verandering is louter aan [verzoekende partij] te wijten. Zonodig dient de ontbinding op zijn verzoek te worden uitgesproken. [verwerende partij] heeft daarop aanspraak gemaakt op een vergoeding naar billijkheid van € 71.288,21, uitgaande van zijn vaste inkomen en het hem nog toekomende bedrag aan “incentive payments” ad € 45.000 over de periode van 1 april 2005 tot 1 oktober 2005, subsidiair € 47.525,47, uitgaande van zijn inkomen over 2005 van € 69.061,13. Zijn aanspraken op verdere “incentive payments” dienen bij de bepaling van die vergoeding buiten beschouwing te worden gelaten, met dien verstande dat de vergoeding naar billijkheid voorwaardelijk dient te worden verhoogd met een bedrag van € 335.000 en wel voor het geval dat uit het oordeel van de bodemrechter zou volgen dat [verwerende partij] als gevolg van de (wijze van) ontbinding geen aanspraken zou hebben op “incentive payments” die betrekking hebben op de periode ná de beëindiging van dienstverband. Voor zover [verzoekende partij] [verwerende partij] houdt aan het non-concurrentiebeding is een aanvullende vergoeding van € 84.000 niet meer dan redelijk en billijk. [verzoekende partij] dient tot slot wegens haar opstelling een vergoeding te voldoen van € 5.000 voor door hem gemaakte kosten van juridische bijstand, aldus [verwerende partij].

De beoordeling

1.

Nu [verwerende partij] als werknemer zijnerzijds een (tegen)verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan en de in de artikel 7:670 BW neergelegde opzegverboden zich richten tot een werkgever, staat geen opzegverbod, voor zover al aanwezig, aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg.

2.

[verwerende partij] heeft zich één en andermaal op het standpunt gesteld en daarin ter zitting expliciet volhard dat hij niet (meer) bereid is om in de toekomst arbeid voor [verzoekende partij] te verrichten. Die houding leidt op zichzelf al tot een verandering in de omstandigheden die een ontbinding rechtvaardigt. Dit leidt er toe dat de kantonrechter het voornemen heeft de overeenkomst te ontbinden en wel per 16 juli 2006.

3.

Wat betreft de vraag of in verband met deze ontbinding aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] een vergoeding naar billijkheid moet worden toegekend, geldt het volgende.

3.1

Buiten discussie is dat deze ontbinding van de arbeidsrelatie voortkomt uit [verwerende partij]s in maart 2006 geopenbaarde wens om op korte termijn niet langer voor [verzoekende partij] werkzaam te zijn. Niet ongebruikelijk zou zijn geweest dat [verwerende partij] dan zou hebben gesolliciteerd op een baan elders en na aanname aldaar zijn dienstverband met [verzoekende partij] had opgezegd. Dat [verwerende partij] daar in dit geval niet voor heeft gekozen, zal, zo is de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden, alles te maken hebben met de tussen partijen overeengekomen incentive regeling die omtrent het voortduren van de aanspraken daaruit, onderscheid maakt naar de wijze waarop de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] is geëindigd. [verzoekende partij] is vervolgens bereid geweest om met [verwerende partij] te overleggen over de wijze en het tijdstip waarop hij afscheid van [verzoekende partij] zou nemen. Anders dan [verwerende partij] veronderstelt, valt niet in te zien dat [verzoekende partij] harerzijds daaraan geen bepaalde voorwaarden mocht verbinden, zodat haar al niet kan worden tegengeworpen dat zij die incentive regeling betrok in het overleg tussen partijen. Het is de kantonrechter niet gebleken dat [verzoekende partij] dienaangaande een toezegging heeft gedaan, zodat haar naar zijn oordeel evenmin een verwijt treft dat zij in haar correspondentie van maart 2006 heeft verwoord dat [verwerende partij] na ontbinding van de arbeidsovereenkomst niets meer van haar te vorderen zou hebben. Duidelijk is dat partijen vervolgens - in ieder geval schriftelijk - van mening zijn blijven verschillen over de voortzetting van de incentive regeling. In het gegeven dat [verzoekende partij] vervolgens niet (meer) bereid was om te komen tot een wijze van beëindiging die [verwerende partij]s aanspraken (zeker) in stand zou laten, schuilt dan geen reden voor het bepalen van een vergoeding naar billijkheid.

3.2

Het is de kantonrechter voorts niet duidelijk geworden dat [verzoekende partij] jegens [verwerende partij] verwijtbaar heeft gehandeld in verband met het overbrengen van productie naar India en/of de beslissing om de modelmakerij van [verzoekende partij] te verplaatsen naar de moedermaatschappij Suzlon. Hetzelfde geldt voor [verzoekende partij]’s beslissing om haar organisatiestructuur aan te passen, in welk kader [verwerende partij] als “project controller/projectleider” zou gaan rapporteren aan de “manager projecten”. Dit betreffen immers beslissingen die aan een werkgever zijn, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat [verzoekende partij] zich daarmee jegens [verwerende partij] op enigerlei wijze ongeoorloofd heeft opgesteld.

3.3

De op non-actiefstelling per 11 april 2006 vormt naar het oordeel van de kantonrechter evenmin een reden voor het bepalen van een vergoeding. Hoewel aan [verwerende partij] moet worden toegegeven dat een werkgever niet lichtvaardig tot een zo’n ingrijpende maatregel mag overgaan, geldt in dit geval dat [verwerende partij] al per 8 maart 2006 duidelijk had gemaakt dat hij [verzoekende partij] wilde verlaten, zodat dat een beëindiging van de werkzaamheden, wat hem betrof, toch al in het verschiet lag. Daarbij staat vast dat hij eind maart 2006 van [verzoekende partij] gedaan had gekregen dat hij vrijgesteld zou worden van zijn werkzaamheden in de laatste drie maanden voorafgaande aan de als dan per 1 oktober 2006 te bewerkstelligen pro forma ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat [verzoekende partij] dan eenzijdig en bijna drie maanden eerder dan tussen partijen was voorzien tot zo’n door [verwerende partij] verlangde vrijstelling is overgegaan, kan haar niet in die mate worden verweten zoals [verwerende partij] dat thans doet, te minder nu [verzoekende partij] onbestreden heeft aangevoerd dat [verwerende partij] in zijn contacten met [verzoekende partij]’s klanten minder gemotiveerd geworden was en niet langer onder de “manager projecten” wilde werken.

4.

Per saldo is er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding om een hogere vergoeding toe te kennen dan het vaste salaris dat [verwerende partij] zou hebben ontvangen in de periode tussen 16 juli 2006 en 1 oktober 2006, zijnde de datum van beëindiging van de arbeidsrelatie waarover partijen al eerder overeenstemming hadden bereikt. Dit bedrag kan, gelet op [verwerende partij]s vaste inkomen ad € 3.251,69 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, worden becijferd op afgerond € 8.880,00 bruto.

5.

Omdat [verwerende partij] expliciet heeft verzocht om zijn aanspraken uit de incentive regeling, zowel wat betreft het verleden als de toekomst – het debat of die regeling van 2 april 2001 inmiddels was gewijzigd daaronder begrepen, buiten beschouwing te laten bij het bepalen van een vergoeding naar billijkheid, is er geen reden om in voormeld bedrag die “incentive payments” in enigerlei vorm te verdisconteren.

6.

Wat betreft de door [verwerende partij] verzochte voorwaardelijke vergoeding voor eventueel in de toekomst gemiste “incentive payments” geldt het volgende.

Hij heeft deze vergoeding gevraagd voor het geval dat uit het oordeel van de bodemrechter zou volgen dat hij als gevolg van de (wijze van) ontbinding geen aanspraken zou hebben op “incentive payments” die betrekking hebben op de periode ná de beëindiging van dienstverband.

Anders dan [verzoekende partij] veronderstelt, verdraagt een beoordeling van een dergelijk verzoek zich wel met de tevens door [verwerende partij] verlangde uitsluiting - conform de inmiddels als Baijingsleer bekende doctrine - van het debat omtrent zijn gerechtigdheid tot die betalingen. Conform deze leer kunnen aanspraken, gegrond op “hetgeen de redelijkheid en de billijkheid of de eisen van goed werkgeverschap meebrengen in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst” alleen in een ontbindingsprocedure aan orde komen, zodat beoordeeld dient te worden of [verzoekende partij] een verwijt te maken valt dat tussen partijen een ontbindingsprocedure op tegenspraak is gevoerd, zoals [verwerende partij] ter onderbouwing van deze voorwaardelijke vergoeding heeft gesteld. Die stellingname is evenwel al in r.o. 3.1 gewogen en te licht bevonden.

Er is dan ook geen grond voor de bepaling van dergelijke voorwaardelijke vergoeding.

7.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er evenmin grond voor de bepaling van een aanvullende vergoeding in verband met [verwerende partij]s gehoudenheid aan het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding. [verzoekende partij] heeft immers inmiddels haar rechten dienaangaande prijsgegeven.

8.

Er is evenmin grond om naast dan wel in het kader van de aan hem toe te kennen vergoeding naar billijkheid een afzonderlijke vergoeding te bepalen voor de door [verwerende partij] gestelde kosten van juridische bijstand. Met deze kosten zal rekening worden gehouden bij de omtrent de proceskosten te nemen beslissing.

9.

Al met al blijft de kantonrechter aldus bij de door hem in r.o. 4. billijke geachte vergoeding van € 8.880,00 bruto.

10.

Nu het verzoek tot ontbinding van [verzoekende partij] dan wel van [verwerende partij] slechts onder toekenning van voormelde vergoeding toewijsbaar is, welke vergoeding lager is dan het door [verwerende partij] verzochte bedrag respectievelijk hoger is dan hetgeen [verzoekende partij] heeft bepleit, zal partijen de gelegenheid worden geboden tot intrekking van hun respectieve verzoek als bedoeld in artikel 7:685, lid 9 respectievelijk lid 10, BW .

11.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding, in welk geval ook, om de proceskosten te compenseren als nader in het dictum te melden.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 16 juli 2006 onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] van een vergoeding van € 8.880,00 bruto;

- stelt partijen in de gelegenheid hun verzoek in te trekken:

[verzoekende partij] uiterlijk op 12 juli 2006 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan [verwerende partij],

en, indien [verzoekende partij] het verzoek intrekt zodat het tegenverzoek van [verwerende partij] aan deze beslissing ten grondslag ligt:

[verwerende partij] uiterlijk op 14 juli 2006 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan [verzoekende partij];

voor het geval [verzoekende partij] haar verzoek niet intrekt:

- Ontbindt - op verzoek van [verzoekende partij]- de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 16 juli 2006 onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] van een vergoeding van € 8.880,00 bruto en veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling van dat bedrag aan [verwerende partij] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af wat meer of anders is verzocht;

voor het geval [verzoekende partij] haar verzoek intrekt en [verwerende partij] zijn verzoek niet intrekt:

- ontbindt - op verzoek van [verwerende partij] - de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 16 juli 2006 onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] van een vergoeding van € 8.880,0 bruto en veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling van dat bedrag aan [verwerende partij] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af wat meer of anders is verzocht;

voor het geval ook [verwerende partij] zijn verzoek intrekt:

- compenseert ook in dat geval de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 30 juni 2006, in tegenwoordigheid de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature