Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Rechtsverwerking artikel 5 Handelsnaamwet .

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 813445 AE VERZ 12-207 AK 4075

Beschikking van 19 december 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

verzoekende partijen,

gemachtigde: mr. M.C.H.I. van der Dussen te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 3],

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. G. Theuws te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [bedrijven], afzonderlijk [bedrijf 1] en [bedrijf 2], en [bedrijf 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 14 mei 2012 indiende verzoek ex artikel 6 Handelsnaamwet met producties, genummerd 1 tot en met 5;

- de bij brief van 17 augustus 2012 ingediende producties, genummerd 6 en 7, van de zijde van [bedrijven];

- het bij brief van 4 september 2012 ingediende verweerschrift met producties, genummerd 1 tot en met 19, van de zijde van [bedrijf 3];

- de bij brief van 7 september 2012 ingediende productie, genummerd 8, van de zijde van [bedrijven];

- het bij brief van 10 september 2012 ingediende proceskostenoverzicht van de zijde van [bedrijven];

- het bij faxbericht van 10 september 2012 ingediende proceskostenoverzicht van de zijde van [bedrijf 3];

- de mondelinge behandeling gehouden op 11 september 2012;

- de pleitnota van de zijde van [naam];

- de pleitnota van de zijde van [bedrijf 3].

1.2. Ten slotte is de uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. [bedrijven] drijft een onderneming onder de handelsnaam [naam]. Zij houdt zich bezig met (de advisering omtrent) het produceren en verkopen van -in het bijzonder- keukenboilers, CV boilers, zonneboilers en waterpompen. [bedrijven] hanteert de reclameleus “Veilig en [naam]”.

2.2. [bedrijven] is in 1908 onder de naam [XXX] opgericht. Een paar maanden later is die handelsnaam gewijzigd in [YYY] en in 1915 in [naam]. In 1933 mag [naam] het predikaat Koninklijk gaan voeren. Begin jaren ’80 is [naam] middels een aandelentransactie overgenomen door een investeringsmaatschappij. In 1993 worden de divisies luchtvaart en huishoudelijke apparaten afgestoten. [naam] is zich vanaf dat moment volledig gaan concentreren op de boilers, warmtepompen en andere warmwatertoepassingen.

2.3. In 1993 heeft [bedrijf 1] de divisie huishoudelijke apparaten verkocht aan [AAA], destijds bekend onder de handelsnaam [AAA] (hierna te noemen: [AAA]). In de daarbij behorende overeenkomst is opgenomen dat het [AAA] is toegestaan ten aanzien van de huishoudelijke apparaten het merk [naam] te gebruiken. Overeengekomen is dat [AAA] deze apparaten van het merk [naam] mocht voorzien en deze onder die naam mocht aanbieden aan het publiek.

2.4. Op 14 maart 2007 heeft [AAA] haar statutaire naam gewijzigd in [bedrijf 1] (hierna te noemen: [bedrijf 1]). Deze vennootschap bleef het teken [AAA] als handelsnaam voeren. Enige tijd later, in 2008, heeft [bedrijven] geconstateerd dat [AAA] het teken/de naam [naam] tevens als handelsnaam is gaan gebruiken.

2.5. [bedrijven] heeft ter gelegenheid van haar 100-jarig bestaan een boek uitgebracht, met als titel ‘[naam] 100 Jaar Innovatief’. Dit boek is, op verzoek van [bedrijven], tot stand gekomen in samenwerking met [bedrijf 1]. Partijen hebben vervolgens ieder een boek uitgegeven dat -gelet op de gedeelde geschiedenis- voor 75% overeenkomt. Zij hebben afspraken gemaakt in het kader van de daarmee gemoeide kosten.

2.6. [bedrijf 1] is op 9 juli 2010 failliet verklaard. [bedrijf 3], opgericht op 19 februari 2008, heeft de activiteiten c.q. de door [bedrijf 1] gedreven onderneming overgenomen. [bedrijf 3] is eveneens het teken/de naam [naam] als handelsnaam gaan gebruiken.

2.7. Bij brief van 30 december 2010 heeft [bedrijven] [bedrijf 3] gesommeerd om, samengevat, het gebruik van de door haar gevoerde handelsnaam te staken.

3. Het geschil

3.1. [naam] verzoekt de kantonrechter:

1. [bedrijf 3] te veroordelen haar handelsnaam zodanig te wijzigen dat daarin in ieder geval het teken [naam] niet meer voorkomt en de handelsnaam van [bedrijf 3] ook geen woorden of letterverbindingen bevat die slechts in geringe mate afwijken van het teken [naam], zodat de onrechtmatigheid wordt opgeheven,

2. te bepalen dat [bedrijf 3] deze wijziging dient door te voeren binnen drie maanden nadat de griffier aan [bedrijf 3] een afschrift van deze beschikking heeft verzonden,

3. [bedrijf 3] te veroordelen tot betaling van een direct opeisbare dwangsom van € 5.000,00, indien [bedrijf 3] niet voldoet aan voornoemde veroordeling,

4. deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op de minuut en op alle dagen en uren,

5. [bedrijf 3] op grond van artikel 1019h Rv te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [bedrijf 3] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [bedrijven] legt aan haar verzoek ten grondslag dat [bedrijf 3] jegens haar onrechtmatig handelt door het teken/de naam [naam] als handelsnaam te voeren, zodat [bedrijven] recht en belang heeft om deze onrechtmatigheid middels het onderhavige verzoek te laten opheffen door wijziging van de handelsnaam. [bedrijven] stelt dat het [AAA] destijds slechts was toegestaan om ten aanzien van bepaalde waren het merk ‘[naam]’ te gebruiken en dat niet is overeengekomen dat [AAA], later [bedrijf 1], [naam] ook als handelsnaam mag gaan voeren dan wel haar handelsnaam mag wijzigen in een handelsnaam waarvan het teken [naam] deel uitmaakt. In 2008 heeft [bedrijven] geconstateerd dat [AAA] het teken/de naam [naam] tevens als handelsnaam voor de onderneming gaan gebruiken. Gelet op de samenwerking en het beperkte gebruik daarvan had [bedrijven] in eerste instantie geen problemen met dat gebruik. Gaandeweg is echter bij het publiek verwarring gerezen. [bedrijf 3] heeft, na het faillissement van [bedrijf 1], de activiteiten van [bedrijf 1] overgenomen en is het teken/de naam [naam] eveneens als handelsnaam gaan gebruiken. Daarvoor heeft [bedrijven] geen toestemming gegeven, zodat [bedrijf 3] in strijd handelt met artikel 5 Handelsnaamwet . Nu verwarring is te duchten en dit zich ook reeds heeft voorgedaan, heeft [bedrijven] het onderhavig verzoek ingediend. [bedrijf 3] mocht er in ieder geval niet op vertrouwen dat zij de handelsnaam [naam] mocht gaan gebruiken.

4.2. [bedrijf 3] voert daartegen, samengevat, aan dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst, dan wel van rechtverwerking, dan wel dat [bedrijf 3] niet in strijd handelt met artikel 5 Handelsnaamwet nu geen verwarringsgevaar is te duchten. Voor zover relevant zullen de stellingen van [bedrijf 3] in het navolgende besproken worden.

4.3. Allereerst dient te worden beoordeeld of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet is gebleken dat met de overname van de activiteiten c.q. de door [bedrijf 1] gedreven onderneming door [bedrijf 3] ook een overeenkomst tussen [bedrijven] en [bedrijf 3] tot stand is gekomen. Immers, niet is gebleken dat tussen [AAA] en [bedrijven] een overeenkomst tot stand is gekomen waaruit zou voortvloeien dat [AAA], later [bedrijf 1], de handelsnaam [naam] zou mogen voeren. Reeds om de reden dat de curator niet meer rechten heeft kunnen overgedragen dan waar [bedrijf 1] recht op had, is geen sprake van een overeenkomst die thans zou kunnen gelden tussen [bedrijven] en [bedrijf 3]. Dit verweer slaagt derhalve niet.

4.4. Nu op grond van de voorgaande overweging ervan uitgegaan wordt dat tussen partijen geen overeenkomst tot het gebruik van de handelsnaam [naam] tot stand is gekomen, zal het vervolgens meest verstrekkende verweer inzake het beroep op rechtsverwerking beoordeeld dienen te worden. In dat kader heeft [bedrijf 3], samengevat, betoogd dat [bedrijven] terzake haar rechten heeft verwerkt aangezien zij nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen de door [bedrijf 3] dan wel haar rechtsvoorganger ([AAA], later [bedrijf 1]) gevoerde handelsnaam ‘[naam]’. [bedrijven] betwist dat sprake is van rechtsverwerking.

4.5. De kantonrechter overweegt allereerst dat enkel tijdsverloop onvoldoende redengevend is voor het aannemen van rechtsverwerking. Wel kunnen bijkomende feiten en omstandigheden in combinatie met het tijdsverloop aanleiding zijn tot honorering van het door [bedrijf 3] gedane beroep op rechtsverwerking. De kantonrechter overweegt in het kader van de door [bedrijf 3] gestelde bijkomende feiten en omstandigheden als volgt.

4.6. Nadat op 14 maart 2007 de statutaire naam van [AAA] was gewijzigd in [bedrijf 1] is zij korte tijd daarna deze naam ook gaan gebruiken als handelsnaam. In dat jaar is ook de nieuwe huisstijl door [bedrijf 1] in gebruik genomen. Om die nieuwe stijl door te voeren heeft [bedrijf 1] haar nieuwe pand verbouwd en in gebruik genomen. Op de in het geding gebrachte foto’s is te zien dat op de gevel in grote letters het woord ‘[naam]’ staat. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijven] tegen die belettering dan wel de huisstijl als geheel bezwaar heeft gemaakt, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Immers, het voeren van een handelsnaam op die wijze is duidelijk en dus kenbaar voor het grote publiek, zodat dat destijds reeds een reden kon zijn om beducht te zijn voor verwarringsgevaar door het gebruik van de handelsnaam [naam] door [bedrijf 1].

4.7. Voorts is niet door [bedrijven] betwist dat op de website van [naam] in 2008 het volgende stond vermeld; “[naam] één naam twee bedrijven.”. In de tekst onder deze kop staat onder meer: “[AAA] kocht de merknaam [naam] voor kleine elektrische huishoudelijke apparaten en elektrische dekens. Dit bedrijf vestigde zich onder de naam [bedrijf 1] in [vestigingsplaats]”. Indien [bedrijven] niet wilde dat [bedrijf 1] de handelsnaam ‘[naam]’ zou gebruiken, zou zij zich naar het oordeel van de kantonrechter niet in voornoemde zin hebben moeten uitlaten. Haar stelling dat zij destijds reeds niet content was met het gebruik van de handelsnaam ‘[naam]’ door [bedrijf 1] is naar het oordeel van de kantonrechter strijdig met het gegeven dat zij zich aan het publiek presenteert met de woorden “[naam] één naam twee bedrijven”.

4.8. Verder heeft [bedrijf 3] onbetwist gesteld dat [bedrijven] tot voor kort op haar website een actieve verwijzing had naar [bedrijf 3]. Ook hier werd derhalve met één naam verwezen naar twee bedrijven.

4.9. Van belang is voorts de door [bedrijf 3] als productie 8 bij het verweerschrift overgelegde selectie van orders en facturen over de jaren 2007-2010. Daarop is te zien dat [bedrijven] [bedrijf 1] aanschrijft met de handelsnaam [bedrijf 1]. Haar stelling dat zij niet wilde dat [bedrijf 1] die handelsnaam zou blijven gebruiken, is strijdig met haar handelwijze. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [bedrijven] bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van de handelsnaam [bedrijf 1] op haar facturen. Ook dit had -indien zij het gebruik daarvan zou willen tegengaan- op haar weg gelegen. Daarbij komt dat ook in de overgelegde e-mailberichten die zien op de bestellingen door [bedrijf 1] structureel gebruik wordt gemaakt van de handelsnaam [bedrijf 1]. Evenmin is gesteld noch gebleken dat [bedrijven] daartegen heeft geageerd.

4.10. Onbetwist is dat [bedrijven] een persbericht heeft uitgegeven ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van [naam]. Ook in dat bericht wordt door [bedrijven] verwezen naar [bedrijf 1]. Het persbericht komt van de hand van [bedrijven] waarmee eveneens wordt gesuggereerd dat zij toestaat dat de handelsnaam [bedrijf 1] wordt gebruikt.

4.11. Vervolgens heeft [bedrijven] eveneens ter gelegenheid van haar 100-jarig bestaan een boek uitgegeven. Ook in het boek wordt meerdere malen verwezen naar [bedrijf 1]. Onder meer staat in het boek vermeld: “[AAA] kocht de merknaam [naam] voor kleine elektrische huishoudelijke apparaten en elektrische dekens. Dit bedrijf vestigde zich onder de naam [bedrijf 1] in [vestigingsplaats].”. Bovendien is onbetwist gesteld dat [bedrijven] juist [bedrijf 1] heeft gevraagd haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van dat boek omdat partijen een gezamenlijke historie delen. Hiertoe hebben partijen, onder meer over de kosten, afspraken gemaakt. Dit wordt bevestigd in het e-mailbericht van 7 maart 2008.

4.12. Op de Hyvespagina van [naam]staat het navolgende vermeld: “(…)[AAA] kocht de merknaam [naam] voor kleine elektrische huishoudelijke apparaten en elektrische dekens. Dit bedrijf vestigde zich onder de naam [bedrijf 1] in [vestigingsplaats]. (…)” Ook op dit publieke medium verwijst [bedrijven] naar [bedrijf 1].

4.13. Pas bij brief van 30 december 2010 -derhalve na het faillissement van [bedrijf 1] en de overname door [bedrijf 3]- heeft [bedrijven] aan [bedrijf 3] haar ongenoegen kenbaar gemaakt inzake het gebruik van de handelsnaam ‘[naam]’ en [bedrijf 3] onder meer gesommeerd om het gebruik van die handelsnaam te staken en gestaakt te houden. Gelet hierop en gelet op de in de voorgaande rechtsoverwegingen benoemde bijkomende omstandigheden, is de kantonrechter van oordeel dat [bedrijven] haar rechten om een beroep te kunnen doen op artikel 5 Handelsnaamwet heeft verwerkt. Immers, [bedrijven] heeft door haar handelen dan wel nalaten [bedrijf 3] het gerechtvaardigd vertrouwen gegeven dat zij de handelsnaam ‘[naam]’ -zoals ook [bedrijf 1] in het verleden heeft gedaan- mag voeren. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat partijen in voorgaande jaren intensief zakelijk met elkaar zijn omgegaan. [bedrijven] is dan ook steeds op de hoogte geweest van het optreden naar buiten van [bedrijf 3] en haar rechtsvoorgangers ook voor de datum van het faillissement van [bedrijf 1]. Indachtig dat gerechtvaardigd vertrouwen heeft de curator ook de desbetreffende delen van de activa verkocht aan [bedrijf 3]. [bedrijven] kan zich gelet op het voorgaande niet verzetten tegen het gebruik van een mogelijk verwarrende handelsnaam. Het verzoek van [bedrijven] zal dan ook worden afgewezen. De overige stellingen van partijen zullen gelet op het vorenstaande buiten beschouwing worden gelaten.

4.14. [bedrijven] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. [bedrijf 3] vordert op grond van artikel 1019h Rv een volledige proceskostenveroordeling van [bedrijven] Het door [bedrijf 3] ingediende kostenoverzicht van de procedure is door [bedrijven] niet betwist, zodat de voorzieningenrechter uitgaat van de redelijkheid en evenredigheid van de door [bedrijf 3] opgegeven kosten. De gevorderde vergoeding van € 25.920,00 aan salaris advocaat zal derhalve worden toegewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. wijst het verzoek af,

5.2. veroordeelt [bedrijven] in de proceskosten, aan de zijde van [bedrijf 3] begroot op € 25.920,00,

5.3. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.?


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature