Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor wapenbezit, drugsbezit en witwassen.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655945-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein,

raadsman mr. M. van Dam, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: wapens en munitie van categorie II en III voorhanden heeft gehad, te weten een machinegeweer, een pistool, een demper voor een vuurwapen, een houder met patronen voor het machinegeweer, vier patroonhouders met patronen en een zakje met tien patronen;

Feit 2: twee plakken hasj voorhanden heeft gehad;

Feit 3: voorwerpen en geld voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze voorwerpen en dat geld afkomstig waren uit enig misdrijf.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van feit 1 en feit 2.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 3 en heeft daartoe aangevoerd dat er ten onrechte een koppeling wordt gelegd tussen de bij verdachte aangetroffen spullen en vermeende hasjhandel. Voor zowel het aangetroffen geld als voor de voorwerpen heeft verdachte echter een aannemelijke verklaring, zodat de beweerde herkomst daarvan uit enig misdrijf niet bewezen kan worden, aldus de raadsman.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering , met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen ;

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende het forensisch onderzoek naar de wapens en munitie ;

- de bekennende verklaring van verdachte .

De rechtbank zal verdachte evenwel vrijspreken van het voorhanden hebben van een demper voor een vuurwapen. Dit betreft immers een voorwerp van categorie I van de Wet wapens en munitie en het voorhanden hebben daarvan is niet als zodanig ten laste gelegd.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering , met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen ;

- het Rapport Opiumwet ;

- de bekennende verklaring van verdachte .

Het bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op vrijdag 15 juni 2012 wordt de woning van verdachte doorzocht. In de woning worden de volgende goederen gezien:

- een ogenschijnlijk nieuwe Sony Bravia flatscreen televisie met een diagonale afmeting van 117 centimeter;

- een ogenschijnlijk nieuwe Sony Bravia flatscreen televisie met een diagonale afmeting van 80 centimeter;

- een ogenschijnlijk nieuwe Apple Imac met een diagonale afmeting van 57 centimeter;

- een grote hoeveelheid dure schoenen en merkkleding waaronder overhemden, truien en broeken van de merken Mc Gregor, Boss, Versace en Cavalli;

- een hoeveelheid flessen alcoholische drank, waaronder Cognac en Johnnie Walker Whiskey;

- een ogenschijnlijk nieuw Auping bed.

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte wordt in een jaszak een contant geldbedrag van € 3.900,-- in biljetten van 20 euro aangetroffen en in beslag genomen.

Door de ING-bank zijn de gegevens van verdachte verstrekt. Verdachte had bij deze bank een zakelijke rekening (5878628) en een betaalrekening (756954290).

Op 1 december 2011 is er een bedrag van € 600,-- op de betaalrekening van verdachte gestort. Op 1 december 2011 is er een bedrag van € 1.200,-- op de zakelijke rekening van verdachte gestort.

Vanaf 1 december 2011 hebben met deze betaalrekeningen alleen stortingen, opnames en betalingen met betrekking tot huur woning en Digitenne plaatsgevonden.

In de woning van verdachte zijn diverse facturen en kassabonnen aangetroffen met betrekking tot contante aankopen. In totaal heeft er in de periode van 17 februari 2012 tot en met 14 juni 2012 kennelijk een contante geldstroom plaatsgevonden van in ieder geval –volgens de bonnen en facturen- € 28.228,96.

Verdachte heeft verklaard dat hij geen vaste inkomsten heeft maar dat hij af en toe wel eens wat buiten de boeken om deed.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 2004 (LJN AP2124) heeft geoordeeld dat op grond van het doel en de strekking van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, moet worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voorts geldt ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (LJN BM0787) dat indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een geldbedrag "uit enig misdrijf afkomstig is", indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Uit het dossier blijkt dat in de woning van verdachte diverse facturen en kassabonnen zijn aangetroffen met betrekking tot contante aankopen ten bedrage van € 28.228,96, aangeschaft in een periode van vier maanden. Tevens is er een contant bedrag van € 3.900,-- aangetroffen in coupures van 20 euro. De rechtbank gaat er vanuit dat de uitgaven waarvan bonnen zijn, ook daadwerkelijk zijn betaald. Het ligt immers niet voor de hand dat een kassabon wordt afgegeven wanneer het betreffende bedrag niet is betaald.

Voorts zijn in de woning diverse goederen aangetroffen, waar geen (aankoop)bonnen van zijn, maar waarvan vast staat dat dit duurdere, relatief nieuwe, spullen zijn.

Anderzijds is geconstateerd en door verdachte bevestigd dat verdachte nauwelijks verifieerbare inkomsten heeft. Voor zover verdachte heeft verklaard dat er wel inkomsten zijn geweest, zijn deze niet aan de belasting opgegeven. Bovendien zijn deze inkomsten naar eigen zeggen van verdachte gering en op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Gezien de grote waarde van de hiervoor genoemde aangetroffen goederen enerzijds en het gebrek aan legale inkomsten anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat deze goederen afkomstig waren uit enig misdrijf. Nu verdachte deze goederen voorhanden heeft gehad, heeft hij zich daarmee schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank gaat daarbij op basis van voornoemde bewijsmiddelen uit van een periode van 1 december 2011 tot en met 15 juni 2012.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat het verweer van de raadsman dat verdachte zijn eigen illegale inkomsten niet kan witwassen, geen steun vindt in het recht.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 15 juni 2012 te Utrecht wapens van categorie II en of III, te weten

- een machinegeweer, Kalashnikov AK47 en

- een pistool R9 arms corp usa en

- munitie van categorie II en III, te weten een houder behorende bij het machinegeweer met patronen en vier patroonhouders met patronen en een plastic zakje met 10 patronen,

voorhanden heeft gehad;

2.

op 15 juni 2012 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer twee plakken van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

in de periode van 15 december 2011 tot en met 15 juni 2012, te Utrecht, voorwerpen, te weten flatscreen-televisies (merk Sony Bravia, eenmaal maat 117 centimeter en eenmaal maat 80 centimeter) en een Apple Imac computer en een grote hoeveelheid dure schoenen en merkkleding waaronder overhemden, truien en broeken van de merken Mc Gregor en Boss en Versace en Cavalli en een hoeveelheid flessen alcoholische drank (Cognac en Whiskey) en een Auping bed en een hoeveelheid geld (3900 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd;

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: Witwassen, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de bijzondere situatie waarin verdachte verkeerde, nu hij werd bedreigd. Voorts heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de houding van verdachte en verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van wapens van een stevig kaliber, van een aanzienlijke hoeveelheid bijbehorende munitie en van hasj. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft door wapens en munitie in huis te halen gezorgd voor een gevaarlijke situatie. Daarnaast heeft verdachte de herkomst van gelden en voorwerpen versluierd. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 20 augustus 2012 waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld, waaronder voor gewelds- en vermogensdelicten.

De reclassering heeft zich in haar rapport van 17 juli 2012 onthouden van een (straf)advies.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank zal een iets lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij rekening houdt met de oriëntatiepunten voor straftoemeting die het LOVS voor dergelijke strafbare feiten hanteert.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf aan verdachte opleggen.

7. Het beslag

7.1. De verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de hierna in de beslissing genoemde, onder verdachte in beslag genomen, geldbedragen moeten worden verbeurdverklaard, nu de bewezen verklaarde feiten hiermee zijn begaan en voorbereid. Evenzo is de rechtbank van oordeel dat de hierna in de beslissing genoemde, onder verdachte in beslag genomen, voorwerpen die kunnen worden gebruikt voor het in gebruik hebben van een hennepplantage moeten worden verbeurdverklaard. De rechtbank overweegt daartoe dat het enkele bezit van deze voorwerpen op zichzelf wellicht niet is verboden, maar dat de context waarin deze voorwerpen onder verdachte in beslag zijn genomen naar het oordeel van de rechtbank een en ander in een ander licht zet.

7.2. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten de beide wapens (met toebehoren) en de demper, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

De voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

7.3. Retour verdachte

Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen tas zal de rechtbank beslissen dat deze wordt teruggegeven aan verdachte.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie en artikel 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde voorhanden hebben van een demper;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd;

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3: Witwassen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2, 3 en 5 (bijlage II);

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 6 tot en met 29 (bijlage II);

- gelast de teruggave aan [verdachte] van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 4 (bijlage II).

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 oktober 2012.

De griffier en mr. Somsen zijn buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature