Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Ambtenarenrecht

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 11/3482 en SBR 11/3483

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep van

[eiser], te [woonplaats], eiser,

tegen een besluit van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder,

gemachtigde: B.K.F. Cerutti, directeur bedrijfsvoering bij de gemeente IJsselstein.

Inleiding

1.1 Bij brief van 1 mei 2011 heeft eiser verweerder verzocht om artikel 7:1, tweede lid, van het Sociaal Statuut gemeente IJsselstein 2008 (hierna: het Sociaal Statuut) toe te passen en te beslissen dat verzoeker uiterlijk 1 juli 2011 aan het werk wordt gesteld bij de gemeente IJsselstein dan wel dat verweerder zorg draagt voor de volledige financiering van een onderzoeksbaan.

1.2 Bij besluit van 13 mei 2011 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn dienstverband met ingang van 1 juli 2011 wordt voorgezet tot zes weken nadat verweerder een besluit op zijn bezwaar heeft genomen.

1.3 Bij uitspraak van 26 augustus 2011 (procedurenummer SBR 11/ 2080) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek van eiser afgewezen.

1.4 Het bezwaar van eiser is voor advies voorgelegd aan de commissie bezwaarschriften van

de gemeente IJsselstein (hierna: de Commissie). De Commissie heeft eiser op 8 september 2011 over zijn bezwaren gehoord. Op 23 september 2011 heeft de Commissie aan verweerder een advies uitgebracht

1.5 Bij besluit van 19 oktober 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht op bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat eiser zo spoedig mogelijk wordt toegelaten tot arbeid bij de gemeente IJsselstein. Het beroep van eiser is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/3483. Het verzoek is geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/3482.

1.6 Het verzoek en het beroep zijn behandeld ter zitting van 11 november 2011, waar eiser in

persoon is verschenen. Namens verweerder is verschenen B.K.F. Cerutti voornoemd.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een

besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een

voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Over het beroep (SBR 11/3483)

2.3 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste feiten.

2.4 Eiser was laatstelijk werkzaam als beleidsmedewerker B bij de bedrijfsvoeringsstaf van de gemeente IJsselstein. De afgelopen jaren zijn diverse gesprekken gevoerd met eiser over zijn functioneren, zijn houding en zijn gedrag. Hierover zijn herhaaldelijk afspraken gemaakt. Eiser heeft in dit verband te kennen gegeven toe te zijn aan een nieuwe uitdaging. In mei 2009 is daarom van eiser een ontwikkelings-analyse afgenomen en van februari 2010 tot juli 2010 heeft eiser een coachingstraject doorlopen.

2.5 Op 1 september 2010 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen Cerutti en eiser over eisers toekomst bij de gemeente IJsselstein. Tijdens dit gesprek zijn aan eiser een drietal opties voorgelegd om tot beëindiging van eisers aanstelling te komen en is aan eiser met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend met doorbetaling van zijn bezoldiging.

2.6 Op 8 september 2010 heeft Cerutti met eiser verder gesproken over de op 1 september voorgelegde opties. Dit heeft er in geresulteerd dat met eiser afspraken zijn gemaakt over een outplacementtraject en een ontslagdatum. Deze afspraken zijn neergelegd in een vaststellingsovereenkomst, die door partijen op 15 september 2010 is getekend.

In deze vaststellingsovereenkomst is onder andere neergelegd dat aan eiser uiterlijk met ingang van 1 juli 2011 eervol ontslag wordt verleend, dat eiser gedurende de periode 1 september 2010 tot 1 juli 2011 wordt vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van bezoldiging en dat eiser tijdens deze periode van buitengewoon verlof en na de datum ontslag geen activiteiten voor en namens de gemeente IJsselstein verricht.

2.7 Bij brief van 28 september 2010 heeft eiser verweerder verzocht om hem uiterlijk per

1 juli 2011 eervol ontslag op eigen verzoek te verlenen op grond van artikel 8:1 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (hierna: CAR).

2.8 Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft verweerder aan eiser met ingang van uiterlijk 1 juli 2011 eervol ontslag verleend. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

2.9 Op 21 december 2010 heeft eiser verweerder verzocht om terug te komen van het ontslagbesluit van 6 oktober 2010 en zijn dienstverband weer actief te maken.

2.10 Bij brief van 1 mei 2011 heeft eiser verweerder verzocht om artikel 7:1, tweede lid, van het Sociaal Statuut gemeente IJsselstein 2008 (hierna: het Sociaal Statuut) toe te passen en te beslissen dat verzoeker uiterlijk 1 juli 2011 aan het werk wordt gesteld bij de gemeente IJsselstein, dan wel dat verweerder zorg draagt voor de volledige financiering van een onderzoeksbaan. Dit verzoek is bij besluit van 13 mei afgewezen.

2.11 Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.12 Blijkens de aanhef ervan is de basis van het Sociaal Statuut gelegen in artikel 125 van de Ambtenarenwet en in artikel 8:3 van de CAR.

Op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

Ingevolge artikel 1:1, aanhef en onder a, van het Sociaal Statuut wordt onder ambtenaar verstaan: de ambtenaar in de zin van artikel 1:1 van de CAR.

Ambtenaar in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR is hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan.

Op grond van artikel 1:2 van het Sociaal Statuut is het Sociaal Statuut van toepassing op alle organisatiewijzigingen in de gemeentelijke organisatie, niet zijnde een organisatiewijziging als gevolg van een gemeentelijke herindeling.

Ingevolge artikel 1:1, aanhef en onder c, van het Sociaal Statuut wordt onder organisatiewijziging verstaan een belangrijke inkrimping of wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel daarvan), die niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met zich meebrengt.

Ingevolge artikel 6:1 van het Sociaal Statuut is in de gevallen waarin artikel 8:3 van de CAR van toepassing is, anders dan als gevolg van een organisatiewijziging als bedoeld in artikel 1:1 onder c, d en /of e, is hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van het Sociaal Statuut kan in gevallen waarin toepassing van het sociaal statuut zou leiden tot een onbillijke situatie voor een ambtenaar, het college van burgemeester en wethouders van het statuut afwijken in een voor de ambtenaar gunstige zin.

Op grond van het tweede lid beslist het college van burgemeester en wethouders in gevallen waarin het Sociaal Statuut niet voorziet.

2.13 De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in het geval van verzoeker geen sprake is van een reorganisatieontslag als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de CAR. Het ontslag van verzoeker is niet het gevolg van een organisatiewijziging als bedoeld in het Sociaal Statuut, maar van de wijze van functioneren van verzoeker als ambtenaar. De gesprekken daarover, die al geruime tijd gaande waren, hebben in september 2011 geleid tot een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Conform deze vaststellingsovereenkomst en eisers eigen ontslagverzoek van twee weken na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, heeft verweerder eiser ontslag verleend op grond van artikel 8:1 van de CAR.

2.14 De voorzieningenrechter is niet gebleken dat er sprake was van een (tijdelijke) verminderde behoefte aan arbeidskrachten in de zin van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR, welke aanleiding was tot het ontslag van eiser. Hetgeen eiser daaromtrent heeft gesteld, biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Verweerder was om die reden dan ook niet gehouden om ten aanzien van eiser toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:1 van het Sociaal Statuut.

2.15 Ten aanzien van eisers beroep op de hardheidsclausule van artikel 7:1, eerste lid, van het Sociaal Statuut heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid die hardheidsclausule niet toe te passen, nu de toepassing van de hardheidsclausule is beperkt tot situaties die binnen de werkingssfeer van het Sociaal Statuut vallen. Een ontslag op eigen verzoek als in het onderhavige geval valt daar niet binnen.

2.16 Met betrekking tot eisers beroep op artikel 1, tweede lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH) overweegt de rechtbank het volgende.

2.17 Ingevolge artikel 1, tweede lid, van het ESH verbinden de partijen bij het ESH zich, teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op arbeid te waarborgen, het recht van de werknemer om in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden daadwerkelijk te beschermen.

Ingevolge artikel 93 van de Grondwet (Gw) hebben bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.

2.18 Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 1, tweede lid, van het ESH - gelet op de aard, strekking en bewoordingen van die bepaling - niet kan worden aangemerkt als een bepaling die naar inhoud een ieder kan verbinden in de zin van artikel 93 van de Gw, zodat het beroep van eiser op (de rechtstreekse werking van) artikel 1, tweede lid, van het ESH in de onderhavige procedure faalt.

2.19 Verder heeft eiser een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dat kader heeft eiser onder meer aangevoerd dat zijn psychische integriteit als gemeenteambtenaar is geschonden. Eiser doelt hiermee op het feit dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het blad Binnenlands Bestuur naar aanleiding van door eiser ingediende verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), eisers personalia heeft openbaar gemaakt. Eiser stelt dat hij als burger het recht heeft om WOB-verzoeken in te dienen en dat door de bekendmaking van zijn personalia in combinatie met het gegeven dat hij ten tijde van de verzoeken ambtenaar was, sprake is van een schending van zijn recht op privé-leven als “WOB-burger”. Eiser heeft in dit kader verwezen naar het arrest I. tegen Finland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 juli 2008, LJN BF0246.

2.20 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn priv é leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging toegestaan van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.21 Naar aanleiding van het door eiser aangehaalde arrest I. tegen Finland overweegt de voorzieningenrechter dat geen sprake is van eenzelfde situatie als in het aangehaalde arrest, nu de door eiser gestelde schending van zijn recht op privé-leven anders dan bij I. niet door de werkgever zou zijn begaan, maar door de VNG. De voorzieningenrechter merkt uitdrukkelijk op dat in deze procedure uitsluitend een oordeel kan worden gegeven over het bestreden besluit; hetgeen eiser stelt over het handelen van de VNG, en in het verlengde daarvan het handelen van de bestuurders van de gemeente IJsselstein, is in deze procedure dan ook niet ter beoordeling. De voorzieningenrechter geeft over hetgeen eiser hieromtrent ter zitting heeft gesteld, dan ook geen oordeel.

Voor zover eisers beroepsgrond zich richt tegen het bestreden besluit, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet valt in te zien dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit of de besluitvorming daarover inbreuk heeft gemaakt op eisers recht op een privé-leven in de door eiser gestelde zin. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voldoende gebleken dat de kwestie met de VNG voor verweerder niet de (doorslaggevende) reden is geweest voor het ontslag van eiser. De gesprekken met eiser over een outplacementtraject waren reeds geruime tijd vóór het verschijnen van het artikel in het Binnenlands Bestuur in gang gezet. Er wordt dan ook niet geoordeeld dat het thans bestreden besluit een inmenging oplevert op eisers recht op privé-leven in de door eiser gestelde zin.

2.22 Voor zover eiser stelt dat er sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM omdat hij ten gevolge van het bestreden besluit niet langer in de nabijheid kan zijn van zijn

sprake is van een familie- en gezinsleven als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Reeds daarom kan het bestreden besluit en, in het verlengde daarvan, de gehandhaafde weigering om eiser terug te nemen in dienst, geen schending opleveren van artikel 8 van het EVRM . Bovendien is ter zitting bevestigd dat verweerder eiser er op geen enkele manier van weerhoudt om in zijn vrije tijd contacten te onderhouden met zijn voormalige collega’s van de gemeente IJsselstein. Ook vanuit deze invalshoek is er geen sprake van een inmenging op eisers rechten als bedoeld in artikel 8 van Het EVRM .

2.23 Eiser heeft voorts in beroep de vraag opgeworpen op welke wijze de vaststellings-overeenkomst moet worden uitgelegd. Ook hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter dat in de onderhavige procedure niet de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en de uitleg daarvan ter beoordeling voorliggen, maar slechts het bestreden besluit. De voorzieningrechter zal deze vraag derhalve niet verder bespreken.

2.24 Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de afwijzing van het verzoek om het Sociaal Statuut op verzoeker toe te passen bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd. Niet is gebleken dat verweerder op enige grond gehouden zou zijn verzoeker met ingang van 1 juli 2011 wederom te werk te stellen. Hetzelfde geldt voor het verzoek zorg te dragen voor de volledige financiering van een onderzoeksbaan bij een onderwijsinstelling, ook daartoe is verweerder niet gehouden.

2.25 Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Over het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 11/3482)

2.26 Gegeven de beslissing op het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- inzake SBR 11/3483: verklaart het beroep ongegrond;

- inzake SBR 11/3482: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2011.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. B.H. van der Graaf mr. V.M.M. van Amstel

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature