Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

veroordeling voor afpersing en poging tot afpersing

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600968-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 januari 2011, 21 januari 2011 en 27 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen door geweld dan wel bedreiging met geweld € 40,- van [slachtoffer 1] heeft gestolen en/of samen met anderen door geweld dan wel bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen om € 40,- af te geven;

feit 2: samen met anderen heeft geprobeerd door geweld dan wel bedreiging met geweld geld van [slachtoffer 2] te stelen en/of samen met anderen heeft geprobeerd door geweld dan wel bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen geld af te geven.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal door middel van bedreiging met geweld en de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot diefstal door middel van bedreiging met geweld dan wel poging tot afpersing heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaringen van de aangevers, verklaringen van getuigen, de verklaring van de medeverdachte en op de deels bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie vordert verdachte vrij te spreken van de onder feit 1 ten laste gelegde afpersing.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal door middel van bedreiging met geweld en de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot diefstal door middel van bedreiging met geweld dan wel poging tot afpersing gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie. De verdediging heeft verzocht verdachte voor wat betreft beide feiten vrij te spreken van twee bestanddelen namelijk het plegen in vereniging en het gebruik maken van geweld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 als volgt.

Aangever [slachtoffer 1] verklaart bij de politie dat hij op 26 september 2010 bij de tramhalte op het Stationsplein in Utrecht stond met vier vrienden. Er kwam een persoon bij hen staan. Deze persoon, naar de rechtbank begrijpt: verdachte, begon zeer agressief vragen te stellen. Er kwam nog een man bij staan. Deze man bevestigde de bedreigingen van de verdachte. Verdachte deed zijn rechtervuist omhoog. Hij had aan zijn rechtervuist een zilver grijs gekleurde boksbeugel. Verdachte hield zijn linkerhand bij zijn broekzak. Verdachte zwaaide zijn rechtervuist dreigend rond en zei “ik heb hier ook een mes”. [slachtoffer 2], een vriend van aangever, rende op dat moment hard weg. Verdachte begon een beetje te lachen en richtte vervolgens zijn aandacht op aangever. Verdachte keek aangever zeer agressief aan en zei “ik moet nu twintig euro van je hebben”. Verdachte hief daarbij zijn rechterhand op. Om geweld tegen hem te voorkomen pakte aangever zijn portemonnee en hij deed zijn portemonnee open met de bedoeling om verdachte 20 euro te geven. Op dat moment pakte verdachte het geld uit zijn portemonnee en hij rende hard weg. Verdachte had twee briefjes van twintig euro weggenomen.

Aangever [slachtoffer 2] verklaart bij de politie dat hij op 26 september 2010 met [getuige 3], [getuige 1], [getuige 4] en [slachtoffer 1] bij de tramhalte op het Stationsplein in Utrecht stond. Er kwam een man naar hen toelopen. Deze man, naar de rechtbank begrijpt: verdachte, had zijn linkerhand tot een vuist gebald en hij had een zilverkleurige boksbeugel om zijn vingers. Verdachte hield de boksbeugel voor zijn lichaam, zodat iedereen de boksbeugel kon zien. Verdachte zei “ik heb hier een mes, anders steek ik je helemaal verrot”. Verdachte deed zijn rechterhand in zijn rechterbroekzak. Aangever pakte zijn portemonnee uit zijn broekzak en maakte zijn portemonnee open om er twintig euro uit te pakken en aan verdachte te geven. Verdachte werd hierdoor rustiger en aangever is toen weggerend. Aangever zag dat verdachte lichtjes voorover bukte, alsof hij iets afpakte van [slachtoffer 1]. Verdachte rende vervolgens weg.

Getuige [getuige 1] verklaart bij de politie dat de dader [slachtoffer 2] recht in zijn ogen aankeek en met zijn linkerhand een zilverkleurige boksbeugel uit zijn jaszak haalde. De boksbeugel zat direct om zijn vingers. De dader hield zijn gebalde vuist met de boksbeugel ter hoogte van zijn buik. De dader keek agressief uit zijn ogen. Hij riep tegen [slachtoffer 2] “geef me dan maar tien euro”. De dader riep “geef me nou maar tien euro of ik sla, steek jullie allemaal neer”.

[getuige 1] verklaarde bij de rechter-commissaris dat de jongen geld wilde en meermalen dreigde hen te slaan of te steken en dat hij daarbij zijn hand in zijn zak hield alsof hij daar een mes had.

Getuige [getuige 2] verklaart bij de politie dat zij een jongen hoorde zeggen “geef me tien euro, anders steek ik je dood”. Bij de rechter-commissaris verklaart zij dat de kleine jongen geen geld gaf, maar dat hij was weggerend.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij op 26 september 2010 met twee anderen op het Stationsplein in Utrecht was. Hij was naar een groep jongens toegelopen en had één jongen gedreigd dat hij hem zou slaan als hij geen geld zou geven. Verdachte verklaarde dat hij op dat moment een boksbeugel in zijn hand had. De jongen pakte zijn portemonnee en haalde er geld uit. Verdachte verklaarde dat hij de biljetten uit de hand van die jongen had gepakt. Het was 40 euro. Verdachte kan zich niet alles van die avond herinneren wat hij had gedaan en gezegd, omdat hij die avond aardig wat had gedronken.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde afpersing, alsmede aan de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot afpersing.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 26 september 2010 te Utrecht met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer EUR 40, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- aan die [slachtoffer 1] een boksbeugel heeft getoond en met een boksbeugel dreigend heeft rondgezwaaid en heeft gezegd "ik heb hier ook een mes", terwijl hij, verdachte, een hand in zijn broekzak hield, en

- vervolgens tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "ik moet nu twintig euro van je hebben";

2.

op 26 september 2010 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 2], als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte,

- een tot vuist gebalde hand met daarin een boksbeugel getoond, en

- daarbij (onder meer) gezegd: "geef tien euro, heb hier een mes, anders steek ik je helemaal verrot", in elk geval woorden van gelijke aard of strekking,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Afpersing.

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot afpersing.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door

C.J.F. Kemperman, psychiater. De psychiater heeft op 9 december 2010 een rapport uitgebracht.

Uit dit rapport volgt dat er sprake is van een alcohol use disorder, namelijk ‘binge drinking’, bij een zwakbegaafde man met een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Ook ten tijde van de aanhouding was verdachte fors onder invloed van alcohol. De persoonlijkheidsstoornis en het beperkt intellectueel vermogen beïnvloedden de keuzevrijheid enigszins in die zin dat verdachte afwijkende manieren hanteert om met situaties -zoals geldgebrek- om te gaan. Verdachte kon zijn eigen gedrag enigszins verminderd controleren en zag de gevolgen van zijn gedrag niet goed. De psychiater concludeert dat de toerekeningsvatbaarheid als enigszins verminderd kan worden gezien. Ten aanzien van het alcoholgebruik ten tijde van het delict bestaat een culpa in causa.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 106 dagen met aftrek van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling moet volgen bij Wier of een soortgelijke instelling en zal meewerken aan urinecontroles, alsmede een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van

€ 40,00 aan [slachtoffer 1] terug te geven, het in beslag genomen geldbedrag van € 20,00 aan verdachte terug te geven en de in beslag genomen boksbeugel verbeurd te verklaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde werkstraf te matigen, omdat verdachte het de komende tijd druk genoeg zal hebben met zijn werk, zijn opleiding waar hij binnenkort aan gaat beginnen, de te onderhouden contacten met de reclassering en de ambulante behandeling.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft

’s avonds laat, midden op straat een slachtoffer beroofd en een ander slachtoffer geprobeerd te beroven onder bedreiging met geweld. Het is algemeen bekend dat de door verdachte gepleegde feiten een grote impact op de slachtoffers hebben en dat de slachtoffers nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid kunnen ervaren. Ook veroorzaken feiten als deze, alleen al omdat diverse omstanders hiervan getuige zijn geweest, gevoelens van onveiligheid bij die omstanders maar ook in algemene zin binnen de samenleving. Verdachte heeft zich in het geheel niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 april 2011 volgt dat verdachte op

28 januari 2010 een transactie aangeboden heeft gekregen voor een openlijke geweldpleging en dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De psychiater heeft in zijn rapport van 9 december 2010 geconcludeerd dat de recidivekans zonder verbetering van de psychische gesteldheid als matig kan worden ingeschat. Behandeling en/of begeleiding op het gebied van agressieregulatie in relatie tot het alcoholgebruik en de agressieregulatie in het algemeen acht de psychiater gewenst. De behandeling en begeleiding, waarvoor Wier en anders De Waag geschikt zouden zijn, kunnen worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel onder een verplicht reclasseringstoezicht.

De psychiater heeft, op verzoek van de rechtbank in het kader van de heropening van het onderzoek, een aanvullend psychiatrisch rapport opgemaakt naar aanleiding van vragen naar de haalbaarheid van een ambulante behandeling.

De psychiater heeft aangegeven dat recente ontwikkelingen de richting lijken uit te gaan van een ambulante behandeling bij Wier, met daarnaast aandacht voor begeleid wonen en een dagbesteding.

Verdachte kan een behandeltraject bij Wier Ambulant ingaan en zich daarbij tevens houden aan de afspraken met de reclassering. De psychiater is van mening dat behandeling in een meer gestructureerd en dwingend kader op dit moment niet is aangewezen, gelet op de diagnostische overwegingen, de mate van recidivegevaar en de gunstige ontwikkelingen afgezet tegen de delicternst.

Uit het, op verzoek van de rechtbank in het kader van de heropening opgemaakte voortgangsverslag van Centrum Maliebaan, opgemaakt door K. van Dodeweerd, reclasseringswerker, maakt de rechtbank op dat verdachte is aangemeld voor een ambulante behandeling bij Wier. Het voortgangsverslag meldt dat Wier heeft aangegeven dat zij een ambulante behandeling mogelijk achten als verdachte zijn afspraken met de reclassering en afspraken met betrekking tot de urinecontroles nakomt. Van belang is dat verdachte zich vanaf de start van zijn behandeling onthoudt van alcoholgebruik. Verdachte komt in aanmerking voor de agressieregulatietherapie, dramatherapie en cognitieve gedragstherapie.

Uit het rapport volgt voorts dat verdachte afspraken met de reclassering altijd is nagekomen. In de afgelopen periode heeft zich één keer een overtreding van schorsingsvoorwaarden voorgedaan, te weten dat tijdens een urinecontrole op 22 april 2011 bleek dat verdachte alcohol had gedronken.

De reclassering acht het volgen van een ambulante behandeling bij Wier een noodzakelijke voorwaarde binnen een toezicht, waarbij de reclassering controle en steun kan geven. De reclassering acht het van belang dat verdachte aan het begin van zijn behandeling op indicatie van Wier urinecontroles blijft afgeven.

Ter terechtzitting heeft mevrouw Van Doodeweerd aangegeven dat het op dat ene incident na, waarbij verdachte toch alcohol bleek te hebben gedronken, goed gaat met verdachte. De dag voor de zitting had verdachte een intake bij Wier gehad. In juni zou de eerste afspraak kunnen plaatsvinden. Mevrouw Van Doodeweerd adviseert een volledig ambulante behandeling bij Wier op te leggen. Als de reclassering signalen krijgt van alcoholgebruik door verdachte worden er afspraken voor urinecontroles gemaakt. Mevrouw Van Doodeweerd geeft aan het niet nodig te vinden om het meewerken aan urinecontroles als bijzondere voorwaarde op te leggen.

De rechtbank overweegt dat, rekening houdend met de oriëntatiepunten de door verdachte gepleegde strafbare feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden zouden rechtvaardigen. Het is de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting echter gebleken dat verdachte weet dat hij fout is geweest, dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft, dat verdachte al drie maanden in voorarrest heeft gezeten en dat verdachte zich goed aan de afspraken met de reclassering houdt en zelf goed initiatief toont. Verdachte heeft laten zien wat van zijn leven te willen maken en bereid te zijn om zich aan de door de rechtbank op te leggen voorwaarden te houden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke straf met verplicht reclasseringscontact, ook als dat een behandeling bij Wier inhoudt, passend is om verdachte die kans te geven. Nu is gebleken dat er veel zorgen zijn geweest en dat verdachte soms nog moeite heeft om zich aan de voorwaarden te houden zal de rechtbank een flinke voorwaardelijke straf als stok achter de deur opleggen om verdachte de ernst van wat hij heeft gedaan duidelijk te maken en om verdachte er van te doordringen dat als hij zich niet aan deze voorwaarden houdt, dat consequenties voor hem heeft.

Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank verdachte tevens een werkstraf opleggen. De rechtbank legt een lagere werkstraf op dan door de officier van justitie gevorderd nu de therapie die verdachte zal moeten volgen, alsmede de begeleiding door de reclassering, veel tijd en inspanning van verdachte zullen vergen.

De rechtbank overweegt tot slot dat de deskundigen hebben aangegeven dat het gebruik van alcohol door verdachte een groot punt van aandacht is. Nu de vakantieperiode aanstaande is en de gesprekstherapie bij Wier nog moet beginnen acht de rechtbank het noodzakelijk dat het meewerken aan urinecontroles voor de eerste drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis als bijzondere voorwaarde opgelegd dient te worden.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf van 226 dagen opleggen waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar, onder de aangegeven bijzondere voorwaarden, alsmede een werkstraf van 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen geldbedrag van € 20,00 aan verdachte, aangezien dit geldbedrag niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

De rechtbank maakt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 januari 2011 op dat verdachte ter zitting afstand heeft gedaan van de in beslag genomen boksbeugel en het in beslag genomen geldbedrag van € 40,00. Deze goederen behoeven daarom geen beslissing van de rechtbank.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Afpersing;

Feit 2: Poging tot afpersing;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 226 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, ook als dat inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling bij Wier moet volgen;

* dat verdachte de eerste drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal meewerken aan urinecontroles.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 20,00;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en

mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2011.

Mr. Kuijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature