Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bezit van harddrugs.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600354-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Nieuwegein

raadsman mr. M.C. Jonge Vos, advocaat te Haarlem

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte cocaïne heeft gedeald dan wel aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1000 gram van een materiaal, bevattende cocaïne, aanwezig heeft geacht.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een vormverzuim, doordat het inbeslaggenomen pak suiker met cocaïne, voorzover dat niet is opgestuurd aan het Nederlands Forensisch Instituut, is vernietigd. Nu het grootste gedeelte van het pak suiker is vernietigd, kan geen onderzoek meer plaatsvinden naar de hoeveelheid cocaïne. Deze omstandigheid dient er volgens de raadsman toe te leiden dat de vernietigde hoeveelheid van het bewijs wordt uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank wettig en overtuigend kan bewijzen dat verdachte enige hoeveelheid cocaïne bij zich heeft gehad, nu in ieder geval vaststaat dat het grootste deel van het pakket dat verdachte bij zich had geen cocaïne maar suiker bevatte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen van de politie d.d. 2 april 2010 ;

- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 april 2010 ;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 juli 2010 .

Door de raadsman is aangevoerd dat er sprake is geweest van een vormverzuim, nu het inbeslaggenomen pak suiker, met hierin cocaïne, is vernietigd, waardoor de verdediging de mogelijkheid van een onderzoek naar de hoeveelheid cocaïne is ontnomen.

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie, door het grootste gedeelte van het onder verdachte in beslag genomen pak suiker te (laten) vernietigen, geen geschreven of ongeschreven vormvoorschrift als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geschonden heeft. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot de door de raadsman betoogde bewijsuitsluiting. Wel is het zo dat door bedoelde vernietiging niet meer kan worden vastgesteld welk gedeelte van de totale partij uit cocaïne bestond. De rechtbank zal met dit gegeven rekening houden in de straftoemeting.

Gelet op het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, in combinatie met de andere hierboven genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat een gedeelte van de bij verdachte aangetroffen partij cocaïne bevatte.

De rechtbank stelt hierbij vast dat, anders dan de verdachte ter zitting heeft verklaard, niet slechts sprake was van een zeer geringe hoeveelheid losse cocaïne die zich boven of tussen de klontjes bevond: op de foto’s van doorgesneden suikerklontjes heeft de rechtbank ter terechtzitting waargenomen en aan de verdachte voorgehouden dat een kleurverschil tussen verschillende lagen in de klontjes waarneembaar is en dat zijn ook de bevindingen van de verbalisanten ter zake.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 02 april 2010 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit, dat mocht de rechtbank aan een strafoplegging toekomen, aan verdachte een straf op te leggen welke gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is in het bezit geweest van een aanzienlijke hoeveelheid suiker, waarin zich cocaïne bevond. De cocaïne is onder meer op listige wijze verstopt in de suikerklontjes, hetgeen erop wijst, dat het niet om een amateuristische handel ging. In het algemeen geldt voor verdovende middelen als cocaïne dat zij in hoge mate verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Bovenstaande vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. De rechtbank heeft bij haar strafoplegging in het nadeel van verdachte rekening gehouden met zijn bedoeling om het inbeslaggenomen pakket te verkopen en daar een groot geldbedrag mee te verdienen.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 18 mei 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan volstaan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie. De officier van justitie is bij de formulering van haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van 1000 gram van een materiaal, bevattende cocaïne.

Voor de strafmaat is het van belang te weten hoeveel cocaïne er aanwezig was in de verpakking suiker. Uit het hiervoor overwogene is gebleken dat niet meer vast te stellen valt hoeveel cocaïne zich in de suiker bevonden heeft, nu het grootste gedeelte van de suiker is vernietigd. Op grond van de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut en het proces-verbaal van de politie zal de rechtbank voor het bepalen van de strafmaat daarom niet uitgaan van een hoeveelheid van 1000 gram. De verklaring van verdachte dat zich slechts 2 à 3 gram cocaïne in het pak suiker zou hebben bevonden, acht de rechtbank echter evenmin aannemelijk, mede gezien de verklaring ter terechtzitting van verdachte zelf dat hij bij verkoop een bedrag van € 26.000,- voor de suiker verwachtte te krijgen. Op grond van het proces-verbaal van de politie zal de rechtbank bij de strafoplegging uitgaan van ongeveer 20 procent, dus 200 gram cocaïne, dat zich in het onder verdachte in beslag genomen pak suiker van ongeveer 1000 gram bevond.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 10 van de Opiumwet .

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* een mobiele telefoon van het merk Blackberry

* een mobiele telefoon van het merk Samsung

* een geldbedrag van € 400,-.

Dit vonnis is gewezen door M.J. Grapperhaus, voorzitter, mrs. M.J. Veldhuijzen en I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature