Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kantonzaak, Leerplicht, Holistische levensvisie / Veroordeling.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Parketnummer: 16/427189-09

Datum uitspraak: 24 juni 2010

Vonnis van de kantonrechter in bovengenoemde rechtbank op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

Bij het onderzoek ter terechtzitting van 10 juni 2010 is verdachte verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde drs. P.J. van Zuidam. Verder was aanwezig mevrouw Hitsert, de leerplichtambtenaar van de gemeente [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 april 2010 en 10 juni 2010.

De officier van justitie, mr. K.K. van Nie-Beishuizen, heeft ter terechtzitting van 10 juni 2010 gevorderd verdachte vrij te spreken.

De tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat hij, in of omstreeks de periode van 10 juli 2009 tot en met 09 september 2009 te [woonplaats], gemeente Woerden, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1999 en de jongere [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2004 en

de jongere [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2001, althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.

De geldigheid van de dagvaarding

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

De bevoegdheid

De kantonrechter heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie/gronden voor schorsing

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie op grond van het gelijkheidsbeginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hij heeft in dit verband kopieën van processtukken overgelegd van een zaak waarin soortgelijke kwesties aan de orde waren en waarin het openbaar ministerie niet tot vervolging is overgegaan.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat in de onderhavige zaak sprake is van een volledig gelijk geval als in de zaak van verdachte. Daarnaast is niet komen vast te staan welke de redenen zijn geweest van de beslissing tot het sepot van deze en de overige door de verdachte aangehaalde zaken.

Er zijn ook geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen/processtukken

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende dossierstukken:

- het proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 24 september 2009, met bijlagen;

- het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de leerplichtambtenaar d.d. 6 mei 2010;

- een uitreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte d.d. 19 mei 2010 waaruit blijkt dat de verdachte in dat register niet eerder als verdachte is geregistreerd;

- de brief, met bijlagen, van de gemachtigde van verdachte d.d. 18 april 2010;

- de brief van de verdachte, overgelegd ter terechtzitting d.d. 22 april 2010;

- de pleitnota van de gemachtigde.

Het verweer

Door en namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het hem ten laste gelegde. In dit verband is onder meer aangevoerd dat verdachte een beroep heeft gedaan op vrijstelling van zijn verplichting om zijn drie kinderen op een school in te schrijven op grond van artikel 5, aanhef en sub b van de Leerplichtwet 1969 vanwege zijn holistische levensovertuiging. Daarnaast heeft hij zich verweerd tegen de belemmerende werking van artikel 6 en vooral van artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 op de wettelijke vrijstellingsmogelijkheid. Verdachte heeft gesteld dat deze (aanvullende) bepalingen in strijd zijn met artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM en de artikelen 18 en 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).Voorts voert verdachte aan dat bedoelde bepalingen van de Leerplichtwet strijdig zijn met artikel 9, juncto 14 en 18 van het EVRM en daarom buiten toepassing dienen te worden gelaten.

Tenslotte is door en namens verdachte naar voren gebracht dat het geven van thuisonderwijs zoals hij dat voorstaat en het gegeven dat zijn vrouw een lesbevoegdheid voor de basisschool heeft, met zich brengt dat het recht op onderwijs van zijn kinderen, onder verwijzing naar het eerste Protocol bij het EVRM, artikel 2, de eerste volzin, niet wordt bedreigd. In zijn visie bestaat er daarom geen geldige noodzaak voor een beperking van de ouderrechten gegeven in artikelen 8 en 9 EVRM.

Beoordeling

Bij brief van 9 april 2009 aan burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden hebben verdachte en zijn echtgenote een beroep gedaan op de vrijstelling ex artikel 5, aanhef en sub b van de Leerplichtwet 1969 . In deze brief staat onder meer dat verdachte en zijn echtgenote in de periode daaraan voorafgaande tot de conclusie zijn gekomen dat de richting van de school waaraan de kinderen verbonden waren niet meer strookte met hun holistische levensovertuiging. Op die grond hebben zij besloten om de kinderen met ingang van 1 juli 2009 uit te schrijven van de basisschool [school] te [woonplaats]. Vanaf het begin van het schooljaar 2009/2010 staan de drie kinderen niet langer op een school of instelling in de zin van artikel 1 van de Leerplichtwet 1969 ingeschreven en krijgen de kinderen thuis onderwijs, vooral van hun moeder die bevoegd leerkracht basisonderwijs is.

Ingevolge artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 is er geen beroep op vrijstelling wegens richtingbezwaren meer mogelijk als een kind eenmaal op een school is ingeschreven. Deze bepaling gaat ervan uit dat een eenmaal gemaakte schoolkeuze een definitieve keuze is. Indien de ouder later een andere levensovertuiging aanhangt, kan een kind wel bij een andere bij die levensovertuiging passende school worden ingeschreven, maar de mogelijkheid een vrijstelling van de verplichting tot inschrijving te verkrijgen indien een dergelijke school niet binnen een redelijke afstand van de woning beschikbaar is, is afgesneden.

Al bij de totstandkoming van de wet, zijn door de Raad van State vraagtekens geplaatst bij deze bepaling en vervolgens is artikel 8, tweede lid van voornoemde wet onder vuur komen te liggen. Diverse kantonrechters, zie onder meer Rechtbank Haarlem, 22 januari 2010 LJN: BL5479 en Rechtbank Breda, 12 maart 2010, LJN: BL7280 hebben geoordeeld dat die bepaling in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 9 van het EVRM, artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 18 van het IVBPR. Op grond daarvan en overeenkomstig artikel 94 van de Grondwet hebben de kantonrechters artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 buiten toepassing gelaten.

De kantonrechter schaart zich onder verwijzing naar de overwegingen van bedoelde kantonrechters in Haarlem en Breda achter de conclusie dat artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 buiten toepassing moet worden gelaten en neemt deze hier over.

Aan de orde is nu de vraag of verdachte is vrijgesteld van de verplichting om de in de tenlastelegging genoemde kinderen in te schrijven op de [school] te [woonplaats] omdat hij tegen de richting van die school overwegende bezwaren heeft.

Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van zulke bezwaren beoordeelt (HR 11 februari 2003, LJN: AF0453). Maar het moet in dit verband natuurlijk wel om bedenkingen gaan die de richting van het onderwijs betreffen.

In dit verband is allereerst van belang te bepalen wat onder bezwaren tegen de richting moet worden verstaan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN: ZD1985, geoordeeld dat onder de bezwaren als bedoeld in artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet 1969 niet is begrepen bezwaren tegen het soort van onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de door de wet voorgeschreven inrichting van het onderwijs. Deze negatief geformuleerde definitie geeft echter nog geen duidelijk antwoord op de vraag wat dan wel onder het begrip richting kan worden vervat. De Hoge Raad verwijst naar de wetsgeschiedenis van de Leerplichtwet. In de memorie van antwoord wordt voor de duiding van het begrip ‘richting’ verwezen naar de betekenis van dat begrip in artikel 208 lid 5 (thans artikel 23 lid 5) van de Grondwet en artikel 13 Lager-onderwijswet 1920.

Taalkundig verwijst richting naar gezindheid, denkwijze of geest. Het Gerechtshof Arnhem, verstaat in zijn arrest van 3 juni 2008, LJN: BD3002 onder ‘richting’ een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. De kantonrechter kan zich in de laatste omschrijving vinden.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij op grond van zijn holistische levensovertuiging er van uitgaat dat kinderen zich in volledige vrijheid moeten kunnen ontwikkelen. Dat betekent in zijn visie dat kinderen zich alleen goed kunnen ontwikkelen als ze de ruimte krijgen zelf aan te geven wanneer ze wat willen leren. Leren gebeurt daardoor vanuit het kind zelf, het is niet de leerkracht die de leerstof aanbiedt, maar het kind bepaalt de inhoud en het tempo van wat geleerd wordt. Verdachte is zeer enthousiast over de vorderingen die zijn kinderen maken sinds zij thuisonderwijs krijgen en over de wijze waarop zij zich op alle vlakken ontwikkelen. Volgens verdachte kon de voormalige school, de [school] te [woonplaats], en verder ook geen enkele andere school binnen een redelijke straal rond zijn woonplaats, zijn kinderen de leeromgeving bieden die zij nu hebben. Hij weet van een school waar dat wel het geval zou kunnen zijn, namelijk de Aventurijn in Loenen, maar die is 90 kilometer van zijn woonplaats gelegen. De Vrije School in Utrecht, die de leerplichtambtenaar nog als alternatief heeft aangedragen, gaat uit van een levensovertuiging die niet strookt met die van verdachte, en valt om die reden af.

Desgevraagd heeft verdachte gezegd dat de inhoud van de lesstof van zijn kinderen uiteindelijk niet veel anders zal zijn dan wat op de [school] werd aangeboden. Zijn vrouw heeft jaren op die school les gegeven en is daardoor precies op de hoogte wat de eindtermen zijn en daar staan verdachte en zijn echtgenote ook achter. Leerplicht mag thuis gerust komen kijken hoe het daar wat betreft het onderwijs aan de kinderen aan toe gaat.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de bezwaren van verdachte gericht zijn tegen de richting van het onderwijs aan [school] te [woonplaats].

Uit de stukken en de toelichting op de zittingen is het de kantonrechter gebleken dat verdachte vanuit zijn holistische levensovertuiging weliswaar bezwaren heeft geuit tegen het onderwijs op deze school maar dat de bedenkingen geen betrekking hebben op de inhoud van de lesstof die de kinderen daar wordt aangereikt. Hij is naar zijn zeggen op grond van zijn holistische levensovertuiging en daarmee samenhangende pedagogische opvattingen gekant tegen de wijze waarop deze de kinderen op de voormalige school wordt aangeboden.

Omdat de bezwaren betrekking hebben op de manier waarop de [school] het geven van onderwijs heeft georganiseerd, is de kantonrechter van oordeel dat deze bezwaren niet vallen onder de in de Leerplichtwet 1969 bedoelde bezwaren tegen de richting. Aan deze conclusie liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

In het wettelijke systeem van de Leerplichtwet 1969 wordt ingevolge artikel 1a1, aanhef, sub a van de Leerplichtwet 1969 juncto onderdelen van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wet op het primair onderwijs de kaders gegeven waarbinnen de school zijn onderwijs moet organiseren, met andere woorden de inrichting van de school.

Wat betreft de wijze waarop basisscholen tegenwoordig hun onderwijs inrichten is het een feit van algemene bekendheid dat deze in vele gevallen de ontwikkeling van de individuele leerling als uitgangspunt nemen. Klassikaal onderwijs waarbij de leerkracht de inhoud en het tempo van de lesstof bepaalt, is op vele scholen niet meer aan de orde. Het onderwijs wordt niet meer zozeer toegesneden op het gemiddelde kind, maar men probeert aan te sluiten bij de ontwikkeling van individuele scholieren. Voor welke organisatievorm een school kiest hangt af van de pedagogische noties die daarbij als uitgangspunt zijn genomen.

Dat verdachte vanuit zijn holistische levensvisie een andere pedagogische visie heeft dan de [school], maakt niet dat daardoor zijn bezwaren geacht moeten zijn gericht tegen de richting van het onderwijs dat daar wordt gegeven. Afgezien van het feit dat verdachte de pedagogische grondslag van de [school] niet nader heeft toegelicht, kan van een pedagogische visie niet worden gezegd dat dit een fundamentele oriëntatie is, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Dat geldt zeker in het geval de betreffende school een openbare school is, zoals de [school], die per definitie het onderwijs naar vorm en inhoud niet heeft gestoeld op een bepaalde geloofs- of levensovertuiging. De door de verdachte geuite bezwaren zijn dan ook geen bezwaren als bedoeld in de Leerplichtwet.

Nu gebleken is dat de bezwaren van verdachte niet zien op de inhoud van de geboden lesstof maar op de pedagogische grondslag van de [school] en op die grond geen bezwaren zijn in de zin van artikel 5, aanhef en sub b van de Leerplichtwet, kan verdachte geen beroep doen op de vrijstellingsgrond als bedoeld in dat artikel. Anders dan de officier van justitie, die het verweer van verdachte wel wilde honoreren en op die grond vrijspraak heeft bepleit, wijst de kantonrechter het verweer op voornoemde gronden af.

Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat door en namens verdachte een warm pleidooi is gehouden voor het geven van thuisonderwijs. Deze vorm van onderwijs zou veruit te prefereren zijn boven de manier waarop het onderwijs op alle scholen wordt gegeven, behalve op de Aventurijn in Loenen. De grondslag van deze discussie is echter politiek van aard. Het argument dat verdachte als laatste onderdeel van het verweer heeft aangevoerd, namelijk dat het geven van thuisonderwijs met zich brengt dat het recht op onderwijs van zijn kinderen niet wordt bedreigd, kan in een politieke discussie relevant zijn maar valt buiten het bestek van dit rechtsgeding. De kantonrechter zal hier dan ook niet verder op in gaan.

De bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij, in of omstreeks de periode van 10 juli 2009 tot en met 09 september 2009 te [woonplaats], gemeente Woerden, meermalen, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1999 en de jongere [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2004 en

de jongere [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2001, althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.

De kantonrechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

De vraag rijst of strafrechtelijke sanctionering van het handelen van de verdachte strijd oplevert met de artikelen 8 en 9 EVRM. Dat is niet het geval. Blijkens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hebben de verdragsstaten ter zake een zekere beleidsruimte.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feiten op:

Overtreding van artikel 2 eerste lid van de Leerplichtwet 1969 , driemaal gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

De officier van justitie die tot een vrijspraak concludeerde, heeft geen straf gevorderd.

De kantonrechter houdt bij het bepalen dan de aard en hoogte van de straf rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten weegt mee dat de Leerplichtwet 1969 het wettelijke kader biedt om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben. Als dat recht niet door het kind kan worden uitgeoefend doordat de verantwoordelijke ouder/verzorger het kind niet inschrijft is een onvoorwaardelijke geldboete op zijn plaats.

Verdachte heeft bij zijn besluit om zijn kinderen niet bij een school in te schrijven er blijk van gegeven, dat hij open kaart wilde spelen met de leerplichtambtenaar. Hij heeft zijn beslissing uitgebreid gemotiveerd en probeerde daarin zo zorgvuldig mogelijk te handelen.

Uit de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het documentatieregister d.d. 19 mei 2010 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De kantonrechter acht, alles afwegende, geheel voorwaardelijke geldboetes van na te melden hoogte passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 .

DE BESLISSING

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven vermeld onder de bewezenverklaring, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte driemaal tot een geldboete van € 200 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de duur van vier dagen.

Bepaalt dat deze straffen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij telkens een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat telkens de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, bijgestaan door mr. R. Willemsen als griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van 24 juni 2010.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature