Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Boedelverdeling, mediation, eenmanszaak/bv.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 243827 / HA ZA 08-322

Vonnis van 17 september 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. D. de Jong,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. TH. de Werdt.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 april 2008 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 3 juli 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn gehuwd op 31 mei 1996, in gemeenschap van goederen.

2.2. De huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 11 februari 2004.

2.3. [eiser] en [gedaagde] zijn in 2002 uit elkaar gegaan. In de maanden oktober tot en met december van dat jaar hebben zij getracht in mediation nadere afspraken te maken. Dat heeft niet geleid tot een vaststellingsovereenkomst.

2.4. Voor de mediation hebben partijen zich verbonden aan daarbij geldende (algemene) voorwaarden. Daarin staat onder meer:

3. OVEREENKOMST

3.1

Een overeenkomst tussen de partners komt pas tot stand door de ondertekening van het (scheidings)convenant door de beide partners. Voorstellen, toezeggingen e.d. in het kader van de bemiddeling binden partijen niet.

3.2

Deelafspraken binden de partners niet en vervallen derhalve als de bemiddeling beëindigd wordt zonder dat een convenant tussen hen tot stand komt.

3.3

Het in artikel 3.2 bepaalde geldt niet indien uitdrukkelijk is overeengekomen (en zulks schriftelijk is vastgelegd) dat een bepaalde deelovereenkomst bindend zal zijn en derhalve zal blijven gelden, ook indien er geen convenant tot stand komt.

2.5. [eiser] en [gedaagde] hebben beiden een stuk met als opschrift “akkoordverklaring” en gedateerd 31 juli 2002, ondertekend, waarin staat:

Wij, zijnde [eiser] en [gedaagde], stellen met elkaar vast dat één van ons, zijnde [eiser], bij het verlaten van de gezamenlijke woning aan de Schoener 228 te Amstelveen, aanspraak maakt op zijn persoonlijke goederen, privégoederen, en op een aantal specifieke goederen die tot het gezamenlijke vermogen behoren.

Wij stellen vast dat deze privégoederen en gezamenlijke goederen waarop een aanspraak wordt gemaakt hieronder specifiek beschreven zijn.

(…)

Door middel van deze verklaring geef ik [eiser] aan dat ik ermee akkoord ben gegaan dat alle niet hierboven genoemde goederen – aan [gedaagde] en aan mijn kinderen [kind 1 en kind 2] (zullen) toekomen.

Ik, [eiser] zal op de niet hierboven omschreven goederen nu en in de nabije toekomst noch direct en/of indirect een aanspraak maken. Ik vind deze afstand van goederen geen bevoordeling van de hiervoor genoemde personen.

2.6. [eiser] en [gedaagde] hebben voorts beiden een stuk, met als opschrift “akkoordverklaring” en gedateerd 21 oktober 2002, ondertekend waarin staat:

Wij, [eiser] en [gedaagde], stellen met elkaar vast dat [gedaagde] en de kinderen [kind 1 en kind 2] gevrijwaard worden van alle schulden die aangegaan zijn ten behoeve van M.I.C. Global Trade en Joshua Tree Holding BV i.o. nu en in de toekomst. Alsmede claims die hieruit voortvloeien.

Wij stellen ook vast dat [gedaagde] daarom afstand doet van enig recht op baten die voortvloeien uit M.I.C. Global Trade en Joshua Tree Holding BV i.o..

Wij stellen ook vast dat [eiser] geen aanspraak doet, nu en in de toekomst, op inkomsten uit salaris dan wel uit andere inkomsten, zoals b.v. pensioen.

Door middel van deze verklaring geven wij, [eiser] en [gedaagde] aan dat wij met bovenstaande akkoord gaan en geen aanspraken zullen doen nu en in de toekomst. Wij vinden deze afstand van rechten geen bevoordeling van de hiervoor genoemde personen.

2.7. Bij brief van 30 december 2005 schreef [eiser] aan [gedaagde] onder meer:

Op 28 januari 2004 is de echtscheiding tussen jou en mij uitgesproken (…).

In de beslissing staan een aantal bindende uitspraken, waaronder:

o beveelt partijen over te gaan tot de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen en benoemt…. etc (*zie uitspraak rechtbank).

Aangezien we het na deze uitspraak nooit over de verdeling van goederen (waartoe ook de schulden behoren) hebben gehad, wil ik bij deze over gaan tot de verdeling van de goederen en schulden.

o Van de inboedel wil ik in ieder geval nog de video en de TV van het merk JVC en bijbehorende JVC video speler. De rest in overleg.

o De schulden die openstonden tot het moment van scheiden wil ik evenredig verdelen, d.w.z. ieder de helft.

Aangezien jij van alles op de hoogte was, er achter stond, hebt meegenoten, lijkt me dat niet meer dan redelijk.

Binnen 2 weken na bovenstaande datum ontvang je van mij een lijst van de op dat moment openstaande schulden. Het grootste deel van deze schulden heb ik al ingelost en ik wil hiervan uiterlijk eind januari 2006 per bank de helft terug ontvangen.

2.8. Op 15 maart 2007 stuurde [eiser] aan [gedaagde] een e-mailbericht waarin onder meer het volgende staat:

Toen ik JOU verliet in 2002 (en niet mijn kinderen) hadden wij een zakelijke schuld van ruim 230.000 euro en een gezamenlijke directe in te lossen schuld van 48.000 euro.

Omdat we in gemeenschap van goederen getrouwd waren, en jij compleet achter het concept van Belle Air stond en van alles op de hoogte was, had ik de helft van deze schuld aan jou kunnen toebedelen. Dat heb ik niet gedaan.

De direct in te lossen schuld hebben [x] en ik in inmiddels afbetaald.

Jij hebt nergens voor hoeven te betalen en ik heb alles wat in het huis stond aan jou gelaten, in het belang van de kinderen. Ook alles wat van jou was heb je mogen behouden. (…)

Ik zou niet weten wat ik meer naar jou en de kinderen had kunnen en moeten doen en heb dus mijn verantwoordelijkheid genomen, op elk gebied.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat voor recht wordt verklaard dat [eiser] en [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden welke dateren uit de huwelijkse periode;

voorts veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 29.022,33, en veroordeling van [gedaagde] in de kosten, nakosten daaronder begrepen.

3.2. [eiser] stelt dat tijdens het huwelijk schulden zijn ontstaan die partijen bij helfte moeten dragen. Van de door hem reeds afgeloste bedragen vordert hij vergoeding van de helft door [gedaagde].

3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap al is afgerond en dat partijen zijn overeengekomen dat aan [eiser] de schulden (en de baten) van zijn eenmanszaak waar zijn vordering op ziet, werden toebedeeld. Zij verwijst daartoe naar de hiervoor onder 2.6. weergegeven akkoordverklaring. Subsidiair meent zij dat als de schulden van de eenmanszaak nog door partijen dienen te worden verdeeld en verrekend, het in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid om haar de helft van de schulden te laten dragen omdat [eiser] de baten van zijn onderneming alleen heeft genoten en het op zijn weg lag om de schulden uit de baten te voldoen. Tijdens de comparitie van partijen is namens [gedaagde] aangevoerd dat de vordering neerkomt op een vordering tot partiële verdeling van gemeenschapsvermogen waar geen grond voor is. Verder heeft zij de door [eiser] gestelde omvang van de gemeenschappelijke schulden weersproken.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht

4.1. Partijen zijn het erover eens dat de schulden waar de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht op ziet, zijn aangegaan ten behoeve van de eenmanszaak van [eiser]. De eenmanszaak is na de ontbinding van het huwelijk opgegaan in een besloten vennootschap, die failliet is gegaan. [eiser] betwist niet dat hij ten aanzien van de schulden en baten van zijn eenmanszaak de onder 2.6. weergegeven akkoordverklaring heeft getekend. Hij stelt echter dat de daarin vastgelegde afspraken zijn vervallen. Hij verwijst naar de mediationvoorwaarden waaraan partijen zich destijds hebben verbonden waarin staat dat een deelovereenkomst niet bindend is en vervalt als geen eindovereenstemming wordt bereikt. Nu de mediation niet in een overeenkomst is uitgemond geldt volgens [eiser] voor de schulden onverkort dat het gemeenschapsschulden zijn die partijen elk voor de helft dienen te dragen.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat indien schulden behoren tot de onverdeelde ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, partijen in beginsel gehouden de schulden bij helfte te dragen. Dat betekent echter niet dat zij ook hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de schuldeisers. Nu niet is gesteld of gebleken dat de schulden waar het in deze procedure om gaat ook door [gedaagde] zijn aangegaan en zij zich hoofdelijk jegens de schuldeisers heeft verbonden, is de gevorderde verklaring voor recht niet voor toewijzing vatbaar.

4.3. Uit de dagvaarding en hetgeen tijdens de comparitie van partijen door en namens [eiser] is aangevoerd blijkt dat met de vordering wordt beoogd dat wordt uitgesproken dat de volgens [eiser] openstaande schulden die tijdens het huwelijk ten behoeve van de door [eiser] gedreven onderneming zijn aangegaan, door partijen elk voor de helft dienen te worden gedragen. In die zin heeft [gedaagde] de vordering ook opgevat en daartegen verweer gevoerd. Voor zover [eiser] heeft willen vorderen dat voor recht wordt verklaard dat de schulden die tijdens het huwelijk ten behoeve van de door [eiser] gedreven onderneming zijn ontstaan door partijen bij helfte dienen te worden gedragen, geldt het volgende.

4.4. Partijen zijn het erover eens dat in de akkoordverklaring van 21 oktober 2002 onder meer is vastgelegd dat [eiser] alle schulden van zijn onderneming waar het in deze procedure om gaat, geheel voor zijn rekening neemt en [gedaagde] daarvoor vrijwaart. Die overeenkomst tussen partijen staat derhalve in beginsel aan toewijzing van de vorderingen van [eiser] in de weg. Dat is anders als, zoals [eiser] stelt, de akkoordverklaring van 21 oktober 2002 moet worden aangemerkt als een deelovereenkomst in de zin van de mediationvoorwaarden (hiervoor weergegeven onder 2.5.).

4.5. De aard van de rechtsverhouding waarin partijen in een mediationproces tegenover elkaar staan brengt met zich dat indien zij tijdens dat proces afspraken maken ten behoeve van het bereiken van een minnelijke regeling, die afspraken hen – tenzij anders overeengekomen – niet binden indien de bemiddeling niet tot een regeling heeft geleid. Dat is ook vastgelegd in de mediationvoorwaarden 3.1 tot en met 3.3. Tijdens de bemiddeling zijn partijen immers jegens elkaar gehouden om zich met begrip voor elkaar standpunten in te zetten voor het bereiken van een schikking. Daarmee zou niet in overeenstemming zijn dat partijen ervan weerhouden zouden worden om toezeggingen te doen en afspraken te maken ten behoeve van het bereiken van een schikking omdat zij er rekening mee moeten houden dat die toezeggingen en afspraken hen blijvend zullen binden.

Niet iedere afspraak tussen partijen gemaakt in de periode dat zij door mediation probeerden tot een oplossing te komen, wordt beheerst door de voorwaarden van de mediation. (Vorm)vereisten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of er sprake is van een dergelijke deelovereenkomst zijn er niet; of een afspraak moet worden gezien als een dergelijke deelovereenkomst hangt af van wat partijen over en weer hebben mogen begrijpen en alle omstandigheden van het geval.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de beide akkoordverklaringen door [gedaagde] zijn opgesteld in de periode dat partijen uiteengingen. Gelet op de dagtekening van de akkoordverklaringen en hetgeen partijen hierover tijdens de comparitie hebben verklaard, gaat de rechtbank er vanuit dat de akkoordverklaring over de inboedelgoederen zoals [gedaagde] stelt reeds in juli, dus vóór de mediation, door partijen is ondertekend en dat de tweede akkoordverklaring later, tijdens een mediationbijeenkomst door partijen is ingevuld en ondertekend. Volgens [gedaagde] had de mediation betrekking op de omgang met de kinderen en de alimentatie en niet op verdeling van het gemeenschappelijke vermogen. Zij meent dat de akkoordverklaringen los stonden van de mediation en niet kunnen worden gezien als deelovereenkomst in de zin van de mediationvoorwaarden. Ook [eiser] heeft verklaard dat de mediation betrekking had op de omgang en de alimentatie. [eiser] heeft verklaard dat hem is verzekerd dat hij niet aan de afspraak gebonden zou zijn als er uiteindelijk geen overeenstemming zou worden bereikt. [gedaagde] heeft dat betwist. Andere feiten en omstandigheden rond het tekenen van de akkoordverklaring zijn niet naar voren gebracht.

4.7. Dat de akkoordverklaring op 21 oktober 2002 tijdens een mediationbijeenkomst is ondertekend betekent niet reeds dat er sprake is van een deelovereenkomst in de zin van de mediationvoorwaarden, zeker niet nu de mediation geen betrekking had op de verdeling van gemeenschappelijk vermogen en de akkoordverklaring niet tijdens de periode dat de mediation liep en/of door of met de mediator is opgesteld. Daaruit blijkt immers niet dat de overeenkomst op enigerlei wijze in verband stond met de bemiddeling en dat [eiser] er op mocht vertrouwen dat de afspraak zou vervallen als er geen convenant tot stand kwam. [eiser] heeft ook geen feiten en omstandigheden aangedragen die een dergelijke conclusie kunnen rechtvaardigen en met name heeft hij niet gesteld dat hem door of namens [gedaagde], althans in het bijzijn van [gedaagde] en/of haar advocaat en met haar instemming, is verzekerd dat de afspraken zoals die toen in de akkoordverklaring waren vastgelegd hem niet zouden binden als de mediation niet zou uitmonden in een regeling. Uit zijn verklaring tijdens de comparitie, dat hij de akkoordverklaring heeft getekend tegen de achtergrond van het feit dat hem toen is verzekerd dat hij die – kort gezegd – zou vervallen als partijen er niet onderling uitkwamen, valt dat niet op te maken. Nu geen nadere feiten en omstandigheden omtrent het totstandkomen en tekenen van de akkoordverklaring van 21 oktober 2002 zijn gesteld of gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat er sprake is vaan een deelovereenkomst in de zin van de mediationvoorwaarden. Dat betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat de akkoordverklaring van 21 oktober 2002 niet is vervallen en dat de schulden waar [eiser] in zijn vordering op doelt, overeenkomstig de daarin vervatte afspraak door hem gedragen moeten worden.

Ten aanzien van de geldvordering

4.8. Voor wat betreft het door [eiser] gevorderde bedrag van EUR 29.022,33 geldt het volgende. [eiser] stelt dat hij na het uiteengaan van partijen aan gemeenschappelijke schulden in totaal EUR 58.044,67 heeft voldaan en hij vordert van [gedaagde] de helft van dat bedrag. Hij heeft een lijst overgelegd van de desbetreffende schulden en betalingen en een aantal onderliggende stukken. Partijen zijn het erover eens dat het gaat om schulden zijn die door [eiser] zijn aangegaan ten behoeve van zijn onderneming. [gedaagde] heeft betwist dat het gaat om schulden die tijdens het huwelijk zijn aangegaan en betwist ook de gestelde betalingen.

4.9. Ook als zou komen vast te staan dat [eiser] de door hem gestelde bedragen daadwerkelijk heeft betaald en dat de bedragen zijn afgelost op tijdens het huwelijk ontstane schulden, dan nog brengt hetgeen hiervoor is overwogen met zich dat [eiser] hiervoor geen regres heeft op [gedaagde]. Ingevolge de akkoordverklaring komen schulden van zijn onderneming immers geheel voor zijn rekening. Dat betekent dat in het midden kan blijven of hetgeen [eiser] heeft gesteld over de betalingen en de schulden juist is, en dat ook dit deel van zijn vordering zal worden afgewezen.

4.10. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2008.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature