Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

wapenbezit

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600880-07

Datum uitspraak: 27 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Achterhoek, Locatie De Kruisberg

te Doetinchem.

Raadsman: mr. J.W. Aartsen, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 07 augustus 2007 te Houten, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, een of meer wapen(s) van categorie II, te weten (in elk geval)

- een pistoolmitrailleur (type Agram 2000, model 91, firma VI&CO, serienummer

F141, kaliber 9x19mm)

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 tenlastegelegde ter terechtzitting toegestaan, in dier voege dat in regel 2 na "categorie II," dient te worden ingevoegd: "onder 2,".

2.

hij op of omstreeks 07 augustus 2007 te Houten, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, een of meer wapen(s) van categorie III, te weten (in elk geval)

- een pistool (merk Beretta, model 9000s, kaliber 9x19mm)

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 2 tenlastegelegde ter terechtzitting toegestaan, in dier voege dat in regel 2 na "categorie III," dient te worden ingevoegd: "onder 1,".

De bewezenverklaring

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 7 augustus 2007 in zijn woning in Houten twee wapens voorhanden heeft gehad. Bij een doorzoeking in de woning van de verdachte op 7 augustus 2007 werden door de politie een pistoolmitrailleur Agram en een pistool Beretta 9000s aangetroffen en inbeslaggenomen . Door de technische recherche is onderzoek verricht naar de in de woning van de verdachte aangetroffen wapens en daaruit is gebleken dat het ging om een pistoolmitrailleur van het type Agram 2000, model 91, vervaardigd door de firma VI&CO, serienummer F141, kaliber 9x19mm, en een pistool van het merk Beretta, model 9000S, kaliber 9x19mm . Voorts is uit het onderzoek van de technische recherche gebleken dat de pistoolmitrailleur van het type Agram 2000 een vuurwapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie en dat het pistool van het merk Beretta een vuurwapen is als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie .

De rechtbank acht gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op 07 augustus 2007 te Houten, een wapen van categorie II, onder 2, te weten

- een pistoolmitrailleur (type Agram 2000, model 91, firma VI&CO, serienummer

F141, kaliber 9x19mm)

voorhanden heeft gehad;

2.

op 07 augustus 2007 te Houten, een wapen van categorie III, onder 1, te weten

- een pistool (merk Beretta, model 9000s, kaliber 9x19mm)

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 2, 3, 4 en 5 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer en de inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder de nummers 1, 6, 7, 8 en 9 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte.

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft twee vuurwapens voorhanden gehad, waarvan één een pistoolmitrailleur betreft, een automatisch wapen, dat zeer gevaarlijk is in handen van een onbevoegde, zoals de verdachte. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar voor en een aanzienlijke bedreiging van een veilige samenleving. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

De rechtbank houdt ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte naast twee vuurwapens tevens een aanzienlijke hoeveelheid daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad . Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad staat immers geen rechtsregel er aan in de weg dat de rechter bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening houdt met een omstandigheid die, hoewel dat had gekund, niet als strafverzwarende omstandigheid ten laste is gelegd en bewezen is verklaard .

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, echter dat dit, voor zover het gaat om zware geweldsfeiten en feiten (soort)gelijk aan de thans aan de orde zijnde feiten, oude feiten betreft;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 10 oktober 2007, opgemaakt door M. van Elst, reclasseringswerker, waaruit blijkt dat de verdachte een verstandelijk beperkte man is met een zeer gecompliceerde persoonlijkheid, een interventie in een zwaar kader noodzakelijk is en een regulier verplicht reclasseringscontact niet haalbaar is;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 14 januari 2008, opgemaakt door drs. R. Klunne, GZ-psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

In haar rapport overweegt de psycholoog onder meer, dat geconcludeerd kan worden dat er bij betrokkene sprake is van lichte zwakzinnigheid, een borderlinepersoonlijkheidsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, chronische post traumatische stressstoornis en een psychotische stoornis, niet anderszins omschreven, deels in remissie. Bij het voortbestaan van bovengenoemde problematiek wordt de kans op herhaling van het delict op korte termijn niet zo hoog ingeschat. Op de iets langere termijn kan het recidiverisico echter aanzienlijk toenemen, omdat betrokkene geneigd is risicovolle situaties op te zoeken, veelal een stoere, agressieve houding aanneemt, sterk beïnvloedbaar is, zeer beperkte mogelijkheden heeft om spanningen te reguleren en een beperkte angsttolerantie heeft. Verder blijkt betrokkene op alle levensgebieden als wonen, financiën, relatie, werk en dagbesteding problemen te hebben, hetgeen de kans op recidive vergroot. Vanuit onderhavig rapport, zijn justitiële voorgeschiedenis en de informatie vanuit de geraadpleegde stukken en ingewonnen informatie, blijkt een ambulant reclasseringscontact tot op heden onvoldoende effect te hebben. Betrokkene blijkt nauwelijks te komen tot gedragsverandering en behandeling beklijft niet. Samengevat is een gedwongen behandeling binnen een sterk gestructureerd en beveiligd kader nodig om de kans op recidive te minimaliseren. Dit zou betekenen dat een maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege geadviseerd zou moeten worden. Voor zover rapporteur bekend, is de ernst van de tenlastelegging echter niet zodanig dat dit geadviseerd kan worden.

- een omtrent de verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 17 januari 2008, opgemaakt door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

In zijn rapport overweegt de psychiater onder meer, dat onderzochte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van een chronische posttraumatische stressstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid, een zeer zwakke borderline persoonlijkheidsstructuur/borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De kans op herhaling is groot. De enige manier om de kans op herhaling substantieel te verminderen is door betrokkene in een sterk gestructureerde klinische setting te plaatsen met de mogelijkheid om hem van buitenaf structuur op te leggen. Gezien de meervoudige, ernstige en complexe psychopathologie en de ervaring met behandeling/begeleiding tot nu toe is structurele verandering van onderzochte echter niet te verwachten. Vanuit gedragskundig oogpunt is het opleggen van een TBS-maatregel de enige manier om het recidiverisico substantieel te verminderen. Vanuit juridisch perspectief is het ten laste gelegde feit echter niet TBS-waardig. In de ogen van rapporteur resteert er niets anders dan betrokkene af te straffen.

De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven die behoren tot één der misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt echter, anders dan de officier van justitie, gelet op de inhoud van voormelde rapporten en het verhandelde ter terechtzitting, niet tot het oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van een verstrekkende en voor de verdachte ingrijpende maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking de haar ambtshalve bekende omstandigheid, dat door de zeer beperkte plaatsingsmogelijkheden voor verstandelijk gehandicapten binnen de TBS-verpleging de wachttijd in het Huis van Bewaring van aanzienlijke duur zal zijn.

De rechtbank overweegt in dit verband dat, hoewel het in de onderhavige zaak gaat om feiten waarvan op zichzelf genomen een groot gevaar voor en een aanzienlijke bedreiging van de veilige samenleving uit kan gaan, de verdachte geen dreigende situatie voor anderen heeft doen ontstaan. De verdachte heeft vuurwapens met daarbij behorende munitie in zijn bezit gehad, maar niet is gebleken dat hij daarmee personen heeft bedreigd. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan, gelet op de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting, dat de verdachte de intentie heeft gehad de wapens (ter bedreiging) te gebruiken. De kans op herhaling van de ten laste gelegde feiten wordt, blijkens de hiervoor vermelde rapportages, weliswaar hoog ingeschat, dit levert echter naar het oordeel van de rechtbank niet per definitie rechtstreeks gevaar voor anderen op. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op het uittreksel uit de hiervoor vermelde justitiële documentatie betreffende de verdachte, waaruit niet blijkt dat zich vanuit de verdachte de afgelopen tien jaren enig gevaar voor lijf of goed van anderen in relatie tot de thans bewezenverklaarde feiten heeft voorgedaan.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank merkt daarbij op dat de rechtbank een voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf met een bijzondere voorwaarde noodzakelijk acht, niet zozeer als stok achter de deur voor de verdachte, maar omdat uit de hiervoor vermelde rapportages is gebleken dat de verdachte intensieve begeleiding nodig heeft.

De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met het volgende.

Het betreft ernstige feiten waarvoor in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 12 tot 15 maanden. De verdachte is, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, hoewel lang geleden, eerder veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. De verdachte heeft voorts erkend, naast twee vuurwapens tevens daarbij behorende munitie voorhanden gehad te hebben.

Daartegenover staat dat de rechtbank op grond van de hiervoor vermelde rapportages tot de conclusie komt dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, als gevolg waarvan de bewezenverklaarde feiten hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 2 en 3 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

De inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4 en 5 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen eveneens worden onttrokken aan het verkeer, aangezien deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1, 6, 7, 8 en 9 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan de verdachte.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie .

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 9 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht,

met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden, zonodig in samenspraak met de reguliere geestelijke gezondheidszorg, hulp en steun te verlenen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 2, 3, 4 en 5 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1, 6, 7, 8 en 9 van de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.J. Veldhuijzen, P.J.G. van Osta en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2008.

Mr. P.J.G. van Osta is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature