Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Aandelentransactie, non-concurrentiebeding, uitleg overeenkomst.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 228071 / HA ZA 07-590

Vonnis van 5 december 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VSR BEHEER BV,

gevestigd te Beverwijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.C. Bolte.

Partijen zullen hierna respectievelijk VSR en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens inhoudende conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 20 juni 2007;

- de conclusie van voorwaardelijk antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Na onderhandelingen over de overdracht van alle aandelen in ACN Beheer BV (hierna: ACN Beheer) is op 26 januari 2005 tussen VSR (toen nog in oprichting) enerzijds en [gedaagde], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] anderzijds een intentieovereenkomst tot stand gekomen. ACN Beheer is enig-aandeelhoudster van ACN Aardingscentrale Nederland BV (hierna: ACN). Partijen zijn overeengekomen dat de verkoop en levering van de aandelen uiterlijk 8 februari 2005 bij notariële akte zou plaatsvinden. In artikel 3, sub e van de intentieovereenkomst is bepaald:

“Verkoper resp. ieder van de verkopende partijen zal in de notariële akte tot levering van de aandelen als omschreven in art. 1 met verkoper een non-concurrentiebeding en een relatiebeding, op grond waarvan het hem wordt verboden met ACN Beheer en/of ACN te concurreren en/of relaties van ACN Beheer en/of ACN te bedienen, overeenkomen.”

2.2. Bij notariële akte van 22 februari 2005 heeft [gedaagde] zijn aandelen in ACN Beheer op 1 januari 2005 overgedragen en geleverd aan VSR. Bij deze akte hebben ook [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun aandelen in ACN Beheer op voornoemde datum aan VSR overgedragen en geleverd. In artikel 9 van de akte is – voor zover van belang – bepaald:

“Elk van de verkopende partijen -hierna genoemd: verkoper- verbindt zich jegens de vennootschap, de dochtervennootschap alsmede jegens koper om gedurende de na te melden periode de hierna bedoelde handelingen niet te verrichten. De verboden handelingen zijn:

a. het aanbrengen en/of onderhouden en/of herstellen en/of inspecteren en/of certificeren van bliksembeveiligingsinstallaties, aardings-systemen, overstroom - en overspanningsbeveiligingen statische elektriciteit, E.M.C. en ontstoringstechnieken (…).

Verkoper verbeurt bij overtreding van deze bepaling of enig onderdeel daarvan een boete ten behoeve van de koper ten bedrage van vijftig duizend euro (€ 50.000,00) verhoogd met één procent van het voormeld boetebedrag voor elke dag dat de verboden toestand voortduurt. De verkoper is in verzuim door het enkele feit van constatering door de koper van een overtreding door verkoper.

De periode waarvoor deze verbodsbepaling geldt gaat in op heden en eindigt op tweeëntwintig februari tweeduizend tien,

Het gebied waarvoor deze verbodsbepaling geldt is: geheel Nederland.

b. het contact opnemen met en/of zaken doen met de opdrachtgevers van de vennootschap respectievelijk haar dochtervennootschap. Verkoper verbeurt bij overtreding van deze bepaling of enig onderdeel daarvan een boete ten behoeve van de koper ten bedrage van vijftig duizend euro (€ 50.000,00) verhoogd met één procent van het voormeld boetebedrag voor elke dag dat de verboden toestand voortduurt. De verkoper is in verzuim door het enkele feit van constatering door de koper van een overtreding door verkoper.

De periode waarvoor deze verbodsbepaling geldt gaat in op heden en eindigt op tweeëntwintig februari tweeduizend tien.”

In artikel 11 van de akte is onder meer bepaald:

“Er is tussen partijen principe-overeenstemming bereikt over diverse nog te sluiten arbeidsovereenkomsten welke evenwel thans nog niet getekend kunnen worden omdat de bruto/netto berekeningen nog niet door alle partijen gecheckt hebben kunnen worden.”

2.3. Op 25 februari 2005 is het nulurencontract tussen ACN Beheer en [gedaagde] tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagde] – kort gezegd – in de periode van 22 februari 2005 tot 1 juni 2005 tegen betaling als adviseur aan ACN Beheer verbonden zou zijn. Artikel 1 van dit nulurencontract bepaalt:

“Hetgeen in deze overeenkomst is bepaald beheerst de verhoudingen tussen partijen vanaf 22 februari 2005. Ingaande die datum komt de inhoud van deze overeenkomst in de plaats van alle eerder mondeling of schriftelijk tussen partijen gesloten overeenkomsten en kunnen partijen aan dergelijke eerder tot stand gekomen overeenkomsten geen rechten meer ontlenen.”

2.4. VSR heeft de koopprijs van de aandelen van EUR 1.100.000,- voldaan.

2.5. [gedaagde] heeft medio 2006 contact opgenomen met opdrachtgevers van ACN en werkzaamheden voor deze partijen verricht. VSR heeft conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekening van [gedaagde].

3. Het geschil

in conventie

3.1. VSR vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 250.000,-, vermeerderd met rente over dit bedrag vanaf 15 januari 2007 tot de dag der algehele voldoening en kosten, de kosten voor het conservatoire derdenbeslag daaronder begrepen.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde] vordert voorwaardelijk – samengevat – matiging in tijdsduur van het in de notariële akte van 22 februari 2005 neergelegde non-concurrentiebeding tot en met 22 februari 2006, alsmede veroordeling van VSR in de kosten.

3.4. VSR voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De vordering van VSR is erop gebaseerd dat [gedaagde] het in de notariële akte neergelegde non-concurrentiebeding en het relatiebeding heeft overtreden door contact op te nemen met vijf opdrachtgevers van ACN en werkzaamheden voor die opdrachtgevers te verrichten, welke werkzaamheden vallen onder de reikwijdte van artikel 9a van de akte.

4.2. Partijen twisten over de vraag of het nulurencontract tussen ACN en [gedaagde] het bepaalde in artikel 9 van de notari ële akte opzij heeft gezet. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit artikel, gezien de formulering en de duur van het non-concurrentiebeding, een zogenoemde vangnetbepaling is en dat partijen met het sluiten van het nulurencontract hiervan zijn afgeweken. [gedaagde] stelt met een beroep op artikel 1 van het nulurencontract dat artikel 9 van de akte niet voor hem geldt.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat noch uit het nulurencontract noch uit de notariële akte blijkt dat partijen de bedoeling hebben gehad van artikel 9 van de akte af te wijken in die zin dat het non- concurrentiebeding niet meer voor [gedaagde] gold. Evenmin vloeit de door [gedaagde] gestelde prioriteit van het nulurencontract voort uit artikel 1 van dit contract. Het nulurencontract geldt tussen ACN en [gedaagde]. Met de in artikel 1 van dit contract bedoelde “mondeling of schriftelijk tussen partijen gesloten overeenkomsten” kunnen dan ook geen andere overeenkomsten zijn bedoeld dan die tussen ACN en [gedaagde]. Dat ACN en [gedaagde] ook geen overeenkomsten tussen andere partijen hebben willen uitsluiten, blijkt uit de door [gedaagde] niet betwiste stelling van VSR dat artikel 1 van het nulurencontract noodzakelijk was vanwege een reeds voorheen tussen ACN en [gedaagde] bestaande rechtsverhouding, waarvan het partijen duidelijk was dat die na de overname van de aandelen niet kon blijven voortbestaan. Dienovereenkomstig was het volgens VSR de bedoeling van artikel 1 van het nulurencontract om zeker te stellen dat [gedaagde] aan deze reeds eerder bestaande rechtsverhouding geen rechten meer kon ontlenen.

Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op artikel 1 van het nulurencontract faalt.

4.4. De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat hij stelt dat uit de onderlinge samenhang van de overeenkomsten voortvloeit dat het nulurencontract voorgaat op de leveringsakte. Ter onderbouwing hiervan wijst [gedaagde] op het feit dat in de arbeidsovereenkomst tussen ACN en [betrokkene 1], de zoon van [gedaagde], een van artikel 9 van de akte afwijkend non-concurrentiebeding is opgenomen. Het opnemen van een afwijkend non-concurrentiebeding zou niet nodig zijn, als partijen niet de bedoeling hadden in hun afzonderlijke rechtsverhoudingen van artikel 9 van af te wijken. Bovendien heeft [gedaagde] aangevoerd dat het nulurencontract na het sluiten van de notariële akte tot stand is gekomen.

Namens VSR is ter comparitie onweersproken toegelicht dat het alleen voor [betrokkene 1] noodzakelijk was om in de arbeidsovereenkomst een non-concurrentiebeding overeen te komen, omdat het de bedoeling was dat de arbeidsovereenkomst tussen ACN en [betrokkene 1] langer zou duren dan de looptijd van het in de notariële akte opgenomen non-concurrentiebeding.

Tevens heeft [betrokkene 3], bestuurder en enig-aandeelhouder van VSR, ter comparitie verklaard, welke verklaring onvoldoende is weersproken, dat in het kader van de aandelenoverdracht uitgebreid met [gedaagde] is onderhandeld over de tekst en de looptijd van het voor hem geldende non-concurrentie- en relatiebeding en dat reeds vóór de totstandkoming van de intentieovereenkomst met [gedaagde] overeenstemming is bereikt over de tekst van het nulurencontract. Het nulurencontract was een bijlage bij de leveringsakte en zou gelijktijdig met deze akte worden ondertekend. Omdat de berekeningen voor de vaststelling van het overeen te komen loon op 22 februari 2005 echter nog niet gereed waren, is het definitieve nulurencontract enkele dagen later getekend.

4.5. Gelet op het voorgaande vloeit noch uit de tekst van de tussen partijen geldende overeenkomsten noch uit de onderlinge samenhang van deze overeenkomsten voort dat [gedaagde] niet gebonden is aan het bepaalde in artikel 9 van de notari ële akte.

4.6. Ter comparitie heeft [gedaagde] gesteld dat [betrokkene 3] hem tijdens de onderhandelingen over het nulurencontract heeft toegezegd dat [gedaagde] ook na zijn adviseurschap voor ACN Beheer vrij was van zijn verplichtingen uit artikel 9 van de akte. Voorts heeft [gedaagde] verklaard dat hij ervan uitging dat [betrokkene 3] het nulurencontract ook namens VSR sloot. De ter comparitie door [gedaagde] gedane mededeling dat [betrokkene 3] niet expliciet heeft gezegd dat artikel 9 van de leveringsakte niet meer zou gelden in de relatie tussen hem en VSR, staat er echter aan in de weg dat bij [gedaagde] een gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat hij in zijn rechtsverhouding met VSR niet gebonden is aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 9 van de akte.

4.7. Gelet op het voorgaande zijn door [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat partijen de bedoeling hadden dat [gedaagde] vrij was van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 9 van de leveringsakte. Dit brengt met zich dat rechtens vast staat dat [gedaagde] gebonden is aan het non-concurrentie- en relatiebeding van voornoemd artikel.

4.8. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij contact heeft opgenomen met vijf opdrachtgevers van ACN en werkzaamheden voor hen heeft verricht. [gedaagde] stelt echter subsidiair dat het concurrentieverbod gematigd dient te worden, omdat dit verbod naar duur en territoriaal bereik te ruim omschreven is. Niet is echter gebleken dat een duur van het concurrentieverbod van vijf jaren, welk verbod zich uitstrekt tot Nederland, in het onderhavige geval onredelijk lang is. De stelling van [gedaagde] dat ervan uitgegaan moet worden dat VSR in een kortere periode dan verwacht in staat moet worden geacht het vertrek van [gedaagde] en diens binnendringen op de markt op te vangen, doet – indien juist – niet aan dit oordeel af.

4.9. [gedaagde] stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat een redelijke uitleg van een non-concurrentiebeding meebrengt dat uitsluitend die handelingen verboden zijn die inbreuk maken op het bedrijfsdebiet van degene ten behoeve van wie het beding is gesloten. [gedaagde] heeft werkzaamheden verricht die betrekking hebben op onder meer het plaatsen van veldkasten voor GSM-sites. Dit zijn volgens [gedaagde] geen werkzaamheden die door ACN worden verricht, zodat van overtreding van het concurrentieverbod geen sprake is. Dit verweer faalt eveneens. VSR heeft – mede door verwijzing naar producties – immers onweersproken gesteld dat ACN zich ook bezighoudt met het plaatsen van veldkasten voor GSM-sites. Hiermee staat vast dat de door [gedaagde] ten behoeve van opdrachtgevers van ACN verrichte werkzaamheden inbreuk maken op het bedrijfsdebiet van ACN.

4.10. Gelet op het voorgaande staat vast dat [gedaagde] het bepaalde in artikel 9 van de akte heeft overtreden, zodat hij de contractuele boete genoemd in dit artikel – nu de verweren van [gedaagde] zich niet richten tegen de hoogte ervan – aan VSR verschuldigd is.

4.11. VSR vordert wettelijke rente over EUR 250.000,- vanaf 15 januari 2007. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat deze vordering zal worden toegewezen.

4.12. VSR vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat VSR heeft verzuimd de beslagstukken in het geding te brengen.

4.13. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VSR worden begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.634,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 6.000,00 (3,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 10.704,85

in reconventie

4.14. In reconventie vordert [gedaagde] voorwaardelijk, namelijk indien aan artikel 9 van de notari ële akte gelding toekomt, matiging in tijdsduur van het non-concurrentiebeding van voornoemd artikel 9.

4.15. Voor zover de grondslag van de vordering van [gedaagde] is gebaseerd op artikel 7:653 lid 2 BW , kan deze grondslag niet tot toewijzing van de vordering leiden. Vast staat dat de akte geen arbeidsovereenkomst is, zodat artikel 7:653 lid 2 BW niet rechtstreeks op het non-concurrentiebeding van toepassing is.

4.16. Voor zover [gedaagde] het oog heeft op artikel 6:248 lid 2 BW , overweegt de rechtbank als volgt.

Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening gehouden worden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken. Relevante omstandigheden kunnen onder meer zijn, dat het gaat om een beding voorkomend in algemene voorwaarden, de aard en de overige inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de wederzijds kenbare belangen van partijen, hun maatschappelijke positie en onderlinge verhouding. Dergelijke omstandigheden dienen in beginsel te worden gesteld en zonodig bewezen door degene die zich op de redelijkheid en billijkheid beroept. De rechter dient de nodige terughoudendheid te betrachten bij de vaststelling dat een overeengekomen regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen immers in de eerste plaats gebondenheid aan de afspraken met zich.

4.17. Hiervoor (r.o. 4.8) is reeds overwogen dat [gedaagde] geen feiten heeft gesteld waaruit blijkt dat VSR naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid handelt door [gedaagde] aan zijn verplichtingen uit het non-concurrentiebeding te houden. Dat VSR haar concurrentiepositie mogelijk eerder dan verwacht kon bestendigen, maakt dit niet anders. Evenmin maakt het enkele feit dat – indien juist – de voorsprong van [gedaagde], als concurrent van ACN, is verwaterd dat toepassing van artikel 9 van de akte in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Dit oordeel wordt niet anders door de stelling van [gedaagde] dat onverkorte toepassing van artikel 9 van de akte ertoe leidt dat hij niet kan voorzien in zijn levensonderhoud. Ter comparitie heeft [gedaagde] immers toegelicht dat hij voor zijn bedrijfsvoering niet afhankelijk is van de opdrachtgevers van ACN, zodat niet valt in te zien waarom zijn belang inkomsten te verwerven bij juist deze opdrachtgevers prevaleert boven het belang van VSR bij bescherming van haar bedrijfsdebiet.

4.18. De voorwaardelijke vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.19. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VSR worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan VSR te betalen een bedrag van EUR 250.000,00 (tweehonderdvijftig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6: 119 BW over het bedrag van EUR 250.000,00 vanaf 15 januari 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van VSR tot op heden begroot op EUR 10.704,85,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af,

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van VSR tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.7. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007.

w.g. griffier w.g. rechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature