Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie buiten huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 233446 / FA RK 07-3938

wijziging partneralimentatie

Beschikking van 7 november 2007

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna: de man,

procureur: mr. M.C. Lugard-van Beijma,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. J.M. van Noort.

1. Verloop van de procedure

De man heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

Er zijn van de zijde van partijen nader stukken ontvangen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 oktober 2007.

2. Vaststaande feiten

2.1. Partijen hebben van februari 2002 tot eind 2005 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben samengewoond van februari 2003 tot en met december 2003 in de woning van de vrouw.

2.2. Partijen hebben op 29 december 2004 een notariële akte doen opmaken waarin is bepaald dat de man aan de vrouw € 1.700,-- per maand zal voldoen in de kosten van haar levensonderhoud, welke bijdrage jaarlijks zal worden geïndexeerd.

3. Beoordeling van het verzochte

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw dient over te gaan tot afgifte van een compleet overzicht van haar inkomsten uit arbeid vanaf 29 december 2004 tot heden.

Voorts heeft de man primair verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting is geëindigd op 29 december 2004 danwel te bepalen dat gezien de wijziging van omstandigheden de onderhoudsverplichting op 5 februari 2007 danwel op een in goede justitie vast te stellen datum is geëindigd, alsmede dat de vrouw dient over te gaan tot terugbetaling van alle door hem teveel betaalde alimentatiebedragen vanaf 29 december 2004 tot heden.

De man heeft subsidiair verzocht te bepalen dat de vrouw dient over te gaan tot terugbetaling van alle door hem teveel betaalde alimentatie, vast te stellen aan de hand van de door de vrouw af te geven inkomensgegevens, onder bepaling dat op de alimentatiebetalingen vanaf 29 december 2004 haar inkomsten in mindering hadden dienen te worden gebracht.

De man heeft meer subsidiair verzocht te bepalen dat vanaf 5 februari 2007 de alimentatiebetalingen worden verlaagd met het bedrag dat door de vrouw aan inkomsten uit arbeid wordt ontvangen, een en ander met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

De man stelt dat de alimentatie overeenkomst om fiscale redenen is gesloten en omdat door de samenwoning van partijen de onderhoudsverplichting van de ex-echtgenoot van de vrouw op grond van artikel 1:160 BW zou vervallen. Tussen partijen is overeengekomen dat de vrouw zou trachten meer inkomsten te verwerven, zodat zij financieel zelfstandig zou kunnen leven, alsmede dat een wijziging van omstandigheden een heroverweging van de alimentatie overeenkomst met zich zou meebrengen. De omstandigheden zijn inmiddels gewijzigd: de man heeft een nieuwe relatie met wie hij gaat samenwonen en een kind verwacht, zijn neveninkomsten zijn gedaald en zijn woonlasten gestegen waardoor zijn draagkracht is afgenomen. Voorts zijn volgens de man de omstandigheden aan de zijde van de vrouw gewijzigd: zij heeft inmiddels ruim de tijd gehad om haar financiële positie zodanig te wijzigen dat zij niet meer afhankelijk is van derden. Nu de vrouw reeds vanaf het begin van de alimentatiebetalingen inkomsten uit arbeid genoot, heeft hij onverschuldigd betaald. De vrouw heeft zich niet aan de verplichting gehouden haar inkomsten te verhogen en zij weigert een overzicht van haar inkomsten te verstrekken. Hierdoor is de in de overeenkomst opgenomen bedoelde neerwaartse bijstelling van de bijdrage niet aan de orde en is de onderhoudsverplichting geëindigd, aldus de man.

De vrouw heeft zich daartegen verweerd. Zij heeft primair aangevoerd dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Partijen zijn niet met elkaar gehuwd geweest en zijn nimmer een geregistreerd partnerschap aangegaan waardoor er op grond van boek 1 BW geen onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw bestaat. Partijen hebben een overeenkomst gesloten inhoudende dat de man aan haar alimentatie betaalt hetgeen zijn grondslag vindt in boek 6 BW. De bepalingen van boek 1 BW zijn op de onderhavige zaak niet van toepassing, aldus de vrouw.

De vrouw heeft subsidiair aangevoerd dat uit de tekst van de overeenkomst blijkt dat de alimentatie feitelijk pas wordt beëindigd zodra zij zodanige maandelijkse inkomsten uit arbeid heeft als de maandelijkse uitkeringen van de man groot zijn. De vrouw had ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een arbeidsinkomen van € 400,-- á € 500,-- netto per maand, met welk inkomen de man bekend was en waarmee bij de bepaling van de alimentatie rekening is gehouden. Dit basissalaris dient dan ook niet op de alimentatie in mindering te worden gebracht. De vrouw is thans niet in staat om haar werkzaamheden uit te breiden, maar streeft daar wel naar zodra zij daartoe in staat is. Haar behoefte is niet gewijzigd. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat de man de door hem gestelde gewijzigde omstandigheden niet heeft aangetoond en partijen hebben niet afgesproken dat de alimentatie overeenkomst gewijzigd zou worden in geval van een wijziging van omstandigheden.

Met betrekking tot de vraag of de man in zijn verzoek kan worden ontvangen, oordeelt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het doen opmaken van de overeenkomst was het naar het oordeel van de rechtbank de bedoeling van partijen dat de man alimentatie aan de vrouw zou voldoen. Partijen hebben de overeenkomst daartoe ook “overeenkomst inzake alimentatie” genoemd en zijn voor wat betreft de duur van de verplichting uitgegaan van de beginselen van het alimentatierecht uit boek 1 BW. Voorts zijn partijen uitgegaan van de zogenaamde Trema-alimentatienormen. Of de overeenkomst al of niet is aangegaan om fiscale redenen acht de rechtbank niet van belang. Wel relevant is dat de man zich heeft verbonden om met ingang van 1 januari 2004 een bijdrage te betalen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, alsmede dat de man dit ook daadwerkelijk heeft gedaan vanwege het feit dat door de samenwoning van partijen de onderhoudsverplichting van de ex-echtgenoot van de vrouw op grond van artikel 1:160 BW zou vervallen. Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen. De rechtbank zal bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil aansluiting zoeken bij boek 1 BW en met name artikel 1:401 BW .

Met betrekking tot de stelling van de man dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden oordeelt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de man een nieuwe partner heeft met wie hij gaat samenwonen en een kind verwacht. Reeds daaruit blijkt dat de omstandigheden aan de zijde van de man na het doen opmaken van de alimentatie overeenkomst zijn gewijzigd. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de man naar de huidige situatie beoordelen. Alvorens de draagkracht van de man te beoordelen zal de rechtbank een oordeel geven omtrent de verzochte terugbetaling van reeds betaalde alimentatie. In artikel 3 sub a van de overeenkomst staat vermeld dat de onderhoudsverplichting eindigt indien en zodra de vrouw eigen inkomsten uit arbeid verwerft, waarbij het der partijen bedoeling is de uitkeringen van de man neerwaarts bij te stellen en feitelijk pas te beëindigen zodra de vrouw zodanige maandelijkse inkomsten uit arbeid heeft als de maandelijkse uitkeringen van de man groot zijn. De stelling van de man dat doordat de vrouw reeds vanaf het begin van de alimentatiebetalingen inkomsten uit arbeid genoot, hij onverschuldigd heeft betaald snijdt op grond van artikel 3 sub a van de overeenkomst geen hout. Gebleken is dat de vrouw al vanaf 1977 inkomsten uit arbeid heeft vanwege haar dienstbetrekking bij KLM. Ter terechtzitting heeft de man aangegeven dat hij op de hoogte was van het inkomen uit arbeid van de vrouw bij KLM. De bedoeling van partijen was dat het meerdere dat de vrouw zou gaan verdienen in mindering wordt gebracht op de alimentatie alsmede dat de onderhoudsplicht pas zou eindigen zodra de inkomsten van de vrouw even hoog zijn als de partneralimentatie, te weten € 1.700,-- per maand. Uit de door de vrouw overgelegde inkomensgegevens van 2004 en 2005 blijkt dat haar inkomen uit arbeid nagenoeg niet is toegenomen ten opzichte van de situatie bij aanvang van de alimentatieverplichting. Van januari 2006 tot en met september 2006 is het inkomen wederom nauwelijks toegenomen. De stelling van de man dat de in de overeenkomst opgenomen neerwaartse bijstelling van de bijdrage niet aan de orde is en dat de onderhoudsverplichting is geëindigd valt ook niet te rijmen met artikel 3 sub a, noch met hetgeen is bepaald in artikel 2 inhoudende dat de onderhoudsverplichting in principe is aangegaan voor de duur van 12 jaar. Aldus is niet komen vast te staan dat de overeenkomst is geëindigd. Het in de door de man in de pleitnota gestelde dat het vanwege de korte duur van de samenwoning van partijen niet langer redelijk is de alimentatiebetalingen nog langer te laten voortduren wordt eveneens als ongegrond door de rechtbank verworpen, nu de samenwoning ten tijde van het doen opmaken van de overeenkomst reeds was beëindigd en desondanks een onderhoudsverplichting van 12 jaar in de overeenkomst is opgenomen.

De vrouw heeft over de periode vanaf oktober 2006 tot en met heden geen inzage verschaft in haar inkomsten uit arbeid. Gelet op de medische klachten van de vrouw acht de rechtbank het niet aannemelijk dat haar inkomen over de periode van oktober 2006 tot heden hoger zal zijn dan voorheen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw alsnog aan de man inzage zal verschaffen over haar inkomsten uit arbeid vanaf oktober 2006 tot heden. Indien blijkt dat het inkomen uit arbeid van de vrouw vanaf oktober 2006 tot heden is toegenomen ten opzichte van een bedrag van € 500,-- netto per maand, dient zij op grond van artikel 3 sub a van de overeenkomst het meerdere aan de man terug te betalen. Dit zelfde geldt overigens ook voor toekomstige inkomensvermeerdering van de vrouw.

Met betrekking tot de stelling van de man dat de vrouw inmiddels ruim de tijd heeft gehad om haar financiële positie zodanig te wijzigen dat zij financieel onafhankelijk is en dat zij zich niet aan de verplichting heeft gehouden haar inkomsten te verhogen waardoor de onderhoudsverplichting is beëindigd, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt van een inspanningsverplichting van de vrouw om meer inkomsten uit arbeid te genereren. Niet gebleken is dat er op dit punt sprake is van een resultaatsverbintenis tussen partijen. Gelet voorts op de duur van de onderhoudsverplichting, te weten 12 jaar, kan van de vrouw niet worden verwacht dat zij reeds nu, na drie jaar, door uitbereiding van haar arbeidsuren geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Voorts betrekt de rechtbank in haar oordeel dat gebleken is dat de vrouw tot november 2007 medische klachten had waardoor zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Daarnaast is niet gebleken van een verplichting van de vrouw dat zij reeds thans financieel onafhankelijk van de man zou moeten zijn.

Behoefte vrouw

Niet is komen vast te staan op welke wijze partijen bij het sluiten van de overeenkomst de hoogte van het te betalen bedrag aan partneralimentatie ad € 1.700,-- per maand hebben vastgesteld. Wat betreft de behoefte van de vrouw heeft de man gesteld dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Hiertoe verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen en verwerpt dit standpunt als ongegrond.

Voorts staat vast dat de vrouw thans nog niet volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet, zodat aan die voorwaarde tot beëindiging van de verplichting uit de overeenkomst evenmin is voldaan. Aangezien er verder geen feiten en omstandigheden zijn gesteld door de man waaruit geconcludeerd moet worden dat het door partijen bepaalde bedrag voor wat betreft de behoefte van de vrouw zou zijn gewijzigd, zal de rechtbank van dit bedrag ad € 1.700,-- per maand uitgaan.

De stelling van de man dat dit bedrag op grond van fiscale redenen bepaald is, doet er niet aan af dat dit bedrag door partijen is overeengekomen als partneralimentatie, en dat als de man thans de hoogte van de behoefte van de vrouw betwist, hij daartoe voldoende moet aanvoeren met betrekking tot deze behoefte, hetgeen niet gebeurd is.

De door de man gestelde gewijzigde overige omstandigheden op grond waarvan voorts het alimentatiebedrag naar zijn zeggen aangepast zou moeten worden, hebben immers alleen betrekking op zijn draagkracht. Hieronder zal worden gemotiveerd waaruit blijkt dat zijn draagkracht voor het overeengekomen bedrag van € 1.700,-- per maand nog steeds aanwezig is. Vorenstaande staat echter los van de verplichting van de vrouw om het meerdere aan inkomen uit arbeid (ten opzichte van een bedrag van € 500,-- netto per maand) aan de man te betalen, zoals hiervoor reeds is vastgesteld.

Draagkracht man

Ten aanzien van de (financiële) omstandigheden van de man is het volgende gebleken:

- Hij is voor de bijstandsnorm te beschouwen als alleenstaande met bijbehorend draagkrachtpercentage van 60.

- Hij heeft inkomen uit arbeid. Uit de jaaropgave 2006 blijkt dat zijn reguliere inkomen € 98.968,-- bruto per jaar bedraagt.

- Hij betaalt per maand € 129,89 aan premie (aanvullende) ziektekostenverzekering ten behoeve van zichzelf en de minderjarige Mischa.

- Hij betaalt per maand € 204,92 aan premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Loyalis Verzekeringen.

- Hij betaalt € 510,-- per maand aan kinderalimentatie.

- De kosten omgangsregeling bedragen € 50,-- per maand.

Bij het onderzoek naar de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan van de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden. Voorts wordt nog het volgende overwogen.

Neveninkomsten

De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat zijn neveninkomsten thans lager zijn dan in de voorgaande jaren. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man uitgaan van de door hem gestelde neveninkomsten van € 11.700,-- bruto per jaar.

Woonlasten

De rechtbank is van oordeel dat de keuze van de man om met zijn huidige partner in een woning te gaan wonen met een hogere woonlast dan voordien niet ten koste dient te gaan van de in de overeenkomst opgenomen onderhoudsverplichting jegens de vrouw. De rechtbank zal bij de beoordeling van de draagkracht van de man daarom uitgaan van zijn oude woonlasten, te weten € 1.545,-- per maand aan Hypotheekrente, een eigenwoningforfait van € 2.820,-- per jaar en € 95,-- per maand aan forfait overige eigenaarslasten. Gelet op de hoogte van het inkomen van de man acht de rechtbank deze woonlasten niet onredelijk.

Kosten Mischa

De rechtbank zal bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening houden met € 930,68 per maand aan bijzondere kosten ten behoeve van de minderjarige Mischa. De rechtbank is van oordeel dat de man, na gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet nader heeft onderbouwd dat deze kosten in totaal € 1.678,-- per maand zouden bedragen in plaats van € 930,68 per maand. Aldus zal slechts met laatstgenoemd bedrag rekening worden gehouden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de man in staat moet worden geacht om maandelijks € 1.700,-- bij te dragen ten behoeve van de vrouw.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. Gerritse, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2007, in tegenwoordigheid van mr. C. van ’t Hof, griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature