Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Adoptie i.v.m. vreemdelingenrecht.

Uitspraak



Rechtbank Utrecht

BESCHIKKING

van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[de man]

en

[de vrouw]

echtelieden,

verzoekers,

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. D.M. van Lieshout.

1. Verloop van de procedure

Verzoekers hebben op 18 oktober 2001 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot adoptie door verzoekers van de minderjarige:

[naam kind], geboren op 7 juli 1986 te Paramaribo, Republiek Suriname.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 maart 2002.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht, d.d. 27 april 2001.

De minderjarige [naam kind] is op 30 mei 2002 door de rechter gehoord.

2. Vaststaande feiten

- De betrokken minderjarige is geboren als kind van [naam natuurlijke moeder] en erkend door [naam natuurlijke vader].

- De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.

- De minderjarige bezit de Surinaamse nationaliteit.

- Zij verblijft sedert 30 augustus 1998 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet in Nederland.

- Bij beschikking van het kantongerecht te Amersfoort van 11 november 1998 is verzoekster [de vrouw] tot tijdelijk voogdes over [naam kind] benoemd.

- Bij beschikking van het kantongerecht te Paramaribo van 8 maart 1999 is de moeder van [naam kind] ontheven uit de voogdij over [naam kind] en is verzoekster [de vrouw] benoemd tot voogdes over [naam kind].

- Bij besluit van 15 december 1999 heeft de Staatsecretaris van Justitie het verzoek van [naam kind] om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel "verblijf als pleegkind bij verzoekster [de vrouw]", niet ingewilligd.

- Bij besluit van 17 mei 2000 is het bezwaarschrift tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 27 april 2001 van de rechtbank te 's-Gravenhage is het beroep van [naam kind] tegen het besluit van 17 mei 2000 eveneens ongegrond verklaard.

- De ouders van [naam kind] hebben op 31 oktober 2001 verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat [naam kind] door verzoekers wordt geadopteerd.

- Verzoekers hebben verklaard dat de minderjarige, bij inwilliging van het verzoek, de geslachtsnaam [naam van de vrouw] zal hebben.

3. Beoordeling van het verzochte

Verzoekster [de vrouw] is de peettante van de minderjarige [naam kind].

Verzoekers en [naam kind] hebben verklaard dat [naam kind] in Suriname onder slechte omstandigheden opgroeide omdat haar moeder onvoldoende in staat was haar de noodzakelijke dagelijkse zorg te geven. De ontheffing van de moeder van het gezag bij beschikking van het kantongerecht te Paramaribo d.d. 8 maart 1999 is daar een bevestiging van.

Met de vader zou nauwelijks enig contact hebben bestaan.

Verzoekers hebben om die reden [naam kind] meegenomen uit Suriname en in hun gezin opgenomen. Vervolgens hebben zij voor [naam kind] een verblijfsvergunning gevraagd met als doel " verblijf als pleegkind bij [de vrouw]". Dit verzoek is in alle instanties afgewezen, laatstelijk bij beslissing van de rechtbank te 's Gravenhage d.d. 27april 2001.

Toen uitzetting dreigde hebben verzoekers het onderhavige adoptieverzoek ingediend.

Aan alle in het burgerlijk wetboek voor adoptie gestelde voorwaarden is voldaan.

Er kleeft echter een gebrek aan de manier waarop de minderjarige het land is binnen gekomen. Verzoekers hebben namelijk geen beginseltoestemming van de Staatssecretaris van Justitie zoals vereist ingevolge de Wet Opneming Buitenlandse Pleegkinderen ter adoptie(Wobka) gevraagd. Een dergelijke beginseltoestemming tot opneming van de minderjarige had ook niet kunnen worden verleend omdat deze wet ziet op kinderen die niet ouder dan 6 jaar mogen zijn. De Staatssecretaris kan weliswaar een uitzondering maken in speciale gevallen, doch zo'n geval doet zich hier niet voor.

De enige weg om te komen tot legalisering van het verblijf van [naam kind] in Nederland is de weg die verzoekers ook hebben gevolgd en die uiteindelijk tot afwijzing van het verzoek tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft geleid.

Als het verzoek tot adoptie dat in deze procedure aanhangig is gemaakt, zou worden toegewezen, zou dat betekenen dat een uitspraak van de vreemdelingenrechter met betrekking tot hetzelfde onderwerp teniet zou worden gedaan.

Op het eerste gezicht lijkt dit onwenselijk. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit punt echter het volgende:

Vast staat dat staten de bevoegdheid hebben tot het voeren van een immigratiebeleid en dat het Nederlandse beleid op zichzelf niet in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) noch met het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De vreemdelingenkamer heeft de manier waarop [naam kind] het land is binnengekomen getoetst aan deze bepalingen en vervolgens op grond daarvan een verblijfsvergunning geweigerd.

Daarbij is echter naar het oordeel van de rechtbank van belang om na te gaan hoeveel tijd er is verlopen tijdens het voeren van genoemde procedure voor de vreemdelingenrechter gelet op het feit dat het hier een minderjarige betreft. Daarbij moet vervolgens de vraag gesteld worden of, voor het uitzetten van minderjarigen op grond van geldend beleid niet bepaalde termijnen moeten worden gesteld. Dat is van belang voor het volgende:

Art. 20 van het IVRK vraagt aandacht voor continuĆÆteit in de opvoeding met betrekking tot kinderen die niet in het eigen gezin kunnen opgroeien.

In het verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen wordt aangenomen dat een kind na een jaar in zijn nieuwe omgeving is geworteld tenzij aangetoond wordt dat zulks niet het geval is (art.12). Na een jaar kan aldus teruggeleiding worden geweigerd.

Als de eindbeslissing in de onderhavige zaak zou zijn gegeven binnen een jaar na de aanvraag van de verblijfsvergunning door de minderjarige zou het adoptieverzoek ongetwijfeld afgewezen zijn om te voorkomen dat via adoptie het vreemdelingenbeleid wordt ondergraven.

De situatie doet zich thans echter voor dat de minderjarige op 3 november 1998 is aangemeld bij de korpschef van de regiopolitie met verzoek haar een verblijfsvergunning te verlenen terwijl de beslissing in hoogste instantie is gegeven op 27 april 2001.

Vast staat dat de duur van de procedure niet aan verzoekers of de minderjarige kan worden verweten. Zij hebben steeds tijdig de volgende stap gezet.

Op het moment van de einduitspraak verbleef de minderjarige dus reeds 2,5 jaar in Nederland.

Naar het oordeel van de rechtbank moet daarom worden aangenomen dat de minderjarige in Nederland is geworteld tenzij anders zou blijken. Nu zowel verzoekers als de minderjarige hebben verklaard dat [naam kind], sinds haar komst naar Nederland geen enkel contact meer heeft gehad met haar ouders en nooit meer in Suriname terug is geweest moet ervan worden uitgegaan dat haar belang meebrengt dat de opvoeding die zij sinds augustus 19 98 van haar pleegouders ontvangt wordt voortgezet. Een en ander klemt te meer nu [naam kind] als kind van 12 jaar naar Nederland is gekomen en inmiddels een 16 jarige puber is.

Gelet op het bovenstaande en alles afwegende komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat in dit geval art. 3 van het IVRK er toe leidt dat de Vreemdelingenwet en het vreemdelingenbeleid terzijde gesteld dienen te worden nu het tijdsverloop tussen de aanvraag van de minderjarige van een vergunning tot verblijf in Nederland en de beslissing in de zaak van de vreemdelingenrechter van langere duur is geweest.

Nu de adoptie in het kennelijk belang van het kind moet worden geacht zal het verzoek als op de wet gegrond worden toegewezen.

4. Beslissing

De rechtbank spreekt de adoptie uit van

[naam kind], geboren op 7 juli 1986 te Paramaribo, Suriname,

door [de man], geboren op [1953] te Paramaribo, Suriname

en [de vrouw], geboren op [1967] te Paramaribo, Suriname,

echtelieden.

De minderjarige zal de geslachtsnaam [naam van de vrouw] hebben.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Quik-Schuijt, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. A.E. Olthuis en P.K. Ruts-Houtman, rechters, allen leden van de meervoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. van Prooijen-van Eeden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2002.

wg griffier wg rechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature