Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet openbaarheid van bestuur. Stukken grondexploitatie. Rechtsbijstand verleend door kantoorgenoot van advocaat die op eigen naam procedeert is beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5779 WOB

uitspraak van de envoudige kamer van 12 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], wonemde te [plaats],

(gemachtigde: mr. S.F.J. Sluiter)

en

het college van burgemeetser en wethouders van Katwijk, verweerder

(gemachtigden: mr. C.M. Nieman en J.C. Niemeijer).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 12 januari 2012 met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om toezending van alle documenten betreffende het ontwerpbestemmingsplan “Haven, fase 2 (zuid)”.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft verweerder het verzoek gedeeltelijk afgewezen.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 19 maart 2012 bezwaar gemaakt.

Op 9 mei 2012 is een hoorzitting gehouden ten overstaan van de onafhankelijke adviescommissie voor de behandeling van bezwaarschriften (hierna: bezwaarschriftencommissie).

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft verweerder het bezwaar onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 16 juli 2012, aangevuld op 27 augustus 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 september 2012 heeft eiser toestemming verleend om mede op basis van de stukken, waarvan de kennisneming is beperkt tot de rechtbank, uitspraak te doen.

De zaak is ter zitting van 2 november 2012 behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Vegt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M. Nieman en J.C. Niemeijer.

Overwegingen

1.1 Eiser heeft bij brief van 12 januari 2012 met een beroep op de Wob verzocht om toezending van alle documenten betreffende het ontwerpbestemmingsplan “Haven, fase 2 (zuid)”. In het verzoek is aangegeven dat hieronder in ieder geval zijn begrepen alle documenten ten aanzien van de bestemmingsplanprocedure, alle documenten ten aanzien van de aankoop door de gemeente Katwijk van alle gronden in het plangebied van genoemd ontwerp en alle documenten met betrekking tot het exploitatieplan c.q. de grondexploitatie van het plangebied van het ontwerp, waaronder de “nieuwe grondexploitatie” waarnaar wordt verwezen in het raadsbesluit van 10 mei 2011 met zaaknummer 2011- 10037 en onderwerp “Herontwikkeling Haven, fase 2 (zuid)”.

1.2 Bij besluit van 7 februari 2012 heeft verweerder eiser een groot aantal van de gevraagde stukken doen toekomen. Bij het besluit behoort een inventarislijst van de opgevraagde stukken. Deze lijst bevat de volgende categorieën:

1. onderliggende onderzoeken ontwerp bestemmingsplan “Haven, fase 2 (zuid)”;

2. vooroverlegreacties met betrekking tot het voorontwerp bestemmingsplan “Haven, fase 2 (zuid)”;

3. zienswijzen ingediend tijdens de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan;

4. openbare besluiten en notariële leveringsakten van gronden in het plangebied;

5. koopovereenkomsten van gronden in het plangebied;

6. grondexploitatie Haven fase 2 Zuid en Meerjarenperspectief Grondexploitaties (MPG) (2011-005211), blz 48-49.

Ten aanzien van categorie 1 blijkt uit het besluit van 7 februari 2012 dat deze stukken al aan eiser zijn toegezonden en derhalve niet nogmaals openbaar gemaakt zullen worden. De onder 2 genoemde overlegreacties en de onder 3 genoemde zijnswijzen worden verstrekt. Ten aanzien van categorie 4 geldt dat een deel van de documenten wordt verstrekt, met uitzondering van twee aankopen waarvan de levering nog niet heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de [a-straat 1] is het dossier niet aanwezig omdat het wegens schimmelvorming elders wordt gereinigd. Zodra het terug is zal het openbaar worden gemaakt. Ten aanzien van de achterliggende documenten, waaronder de koopovereenkomsten, heeft verweerder geweigerd deze openbaar te maken met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob. Ten aanzien van categorie 6 heeft verweerder dat deel van de grondexploitatie verstrekt zoals dat is opgenomen in het MPG. Voor het door eiser gevraagde stuk beroept verweerder zich op de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob. Verweerder overweegt daartoe dat in de grondexploitatie ramingen zijn opgenomen voor uit te voeren (civieltechnische) werkzaamheden als bodemsanering, sloop, woon- en bouwrijp maken. Deze werkzaamheden moeten nog aanbesteed worden. Met het oog hierop dienen de specificaties van de in de grondexploitatie opgenomen bedragen vertrouwelijk gehouden te worden.

1.3 Eiser heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat er meer stukken moeten zijn dan nu zijn overgelegd. Zo is in ieder geval niet verstrekt de correspondentie met de Provincie ter zake van de melding “wijziging saneringsdoelstelling voormalig gasfabrieksterrein Katwijk (Prins Hendrikkade)” en de reactie van de Provincie op deze melding. Ook is het onderzoek naar de waterbodemkwaliteit van het Prins Hendrikkanaal niet overgelegd. Voorts ontbreekt de in het MPG genoemde intentieovereenkomst met [A]. Bovendien is de beëindiging van de samenwerking met [A] nog niet afgewikkeld. [A] is van mening dat de gemeente gehouden is het gebied met haar te ontwikkelen. De correspondentie en andere stukken in verband met dit geschil zijn niet overgelegd.

Voorts maakt eiser bezwaar tegen het feit dat niet alle koopovereenkomsten zijn verstrekt, alsmede dat het dossier van de [a-straat 1] niet is verstrekt. Ook maakt eiser bezwaar tegen het niet verstrekken van de grondexploitatie. Eiser verzoekt om vergoeding van de proceskosten.

1.4 Bij het verweerschrift in bezwaar heeft verweerder alsnog de volgende documenten aan eiser verstrekt: het onderzoek naar de waterbodemkwaliteit van het Prins Hendrikkanaal, de leveringsakte [b-straat 1], het aankoopbesluit [a-straat 1] en de gevraagde koopovereenkomsten.

1.5 In het bestreden besluit is de weigering om de grondexploitatie te vertrekken gehandhaafd. Ten aanzien van de melding “wijziging saneringsdoelstelling voormalig gasfabrieksterrein Katwijk (Prins Hendrikkade)”, de intentieovereenkomst met [A] en de stukken omtrent het geschil met [A] over de opzegging daarvan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij de hoorzitting van 9 mei 2012 is overeengekomen dat het verzoek om deze documenten te verstrekken wordt aangemerkt als een nieuw Wob-verzoek, waarvoor de termijn op 9 mei 2012 gaat lopen.

Het bezwaar is ongegrond verklaard.

Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt verworpen omdat volgens verweerder van dergelijke kosten niet is gebleken. Eiser is weliswaar een professionele advocaat, maar hij heeft in dit geval op eigen naam, zonder hulp van een andere advocaat, geprocedeerd. Hij heeft zich weliswaar tijdens de hoorzitting laten vertegenwoordigen door [B], maar omdat deze advocaat een kantoorgenoot is van eiser komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.

1.6 In beroep stelt eiser – kort samengevat– dat verweerder ten onrechte met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder b, van de Wob de grondexploitatie niet heeft verstrekt. Voorts wenst eiser dat verweerder in ieder geval de inbrengwaarden van de percelen openbaar maakt, alsmede het rapport van de onafhankelijke deskundige die de inbrengwaarde van de percelen heeft moeten taxeren.

Ten aanzien van de melding “wijziging saneringsdoelstelling voormalig gasfabrieksterrein Katwijk (Prins Hendrikkade)”, en de intentieovereenkomst met [A] en de stukken omtrent het geschil met [A] over de opzegging daarvan betwist eiser dat op de hoorzitting zou zijn afgesproken het verzoek om verstrekking van deze stukken aan te merken als een nieuw Wob-verzoek. Naar de mening van eiser heeft verweerder dan ook ten onrechte dit gedeelte van het bezwaar buiten beschouwing gelaten.

Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Immers, naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder alsnog een aantal stukken verstrekt. Dat betekent dat het bezwaar dus gedeeltelijk gegrond is geacht en dat het primaire besluit gedeeltelijk is herroepen. Daarnaast is ten onrechte geen proceskostenvergoeding verstrekt.

Tenslotte stelt eiser dat ten onrechte niet alle gevraagde documenten zijn verstrekt. Dit geldt in ieder geval voor de documenten die in het beroepschrift zijn opgesomd onder a tot en met s.

juridisch kader

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Een verzoek om informatie wordt op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wob ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet (…) achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. […];

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

[…]

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer neergelegd in de uitspraak van 20 januari 2010 (LJN: BK9922), dient te worden vooropgesteld dat het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, welk belang de Wob vooronderstelt. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naargelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker.

Stukken grondexploitatie

3.2 De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de documenten inzake de grondexploitatie.

3.3 Verweerder heeft de weigering om de grondexploitatie te verstrekken gebaseerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. Eiser heeft betwist dat openbaarmaking van de grondexploitatie de economische of financiële belangen van de gemeente zou schaden. Eiser stelt in dat verband dat verweerder niet, althans niet deugdelijk, heeft gemotiveerd dat en in hoeverre openbaarmaking van de grondexploitatie de economische of financiële belangen van de gemeente zou schaden. Deze enkele stelling is daartoe onvoldoende blijkens de jurisprudentie van de Afdeling ( ABRS 23 juni 2010, AB 2010, 142), aldus eiser.

3.4 De rechtbank stelt vast dat, zoals verweerder in het primaire besluit ook heeft overwogen, in de grondexploitatie ramingen zijn opgenomen voor uit te voeren (civieltechnische) werkzaamheden als bodemsanering, sloop, woon- en bouwrijp maken. Naar verweerder heeft toegelicht dienen deze werkzaamheden (grotendeels) nog aanbesteed te worden. De rechtbank is van oordeel dat openbaarmaking van de ramingen voor bovengenoemde werkzaamheden de belangen van de gemeente onevenredig zou schaden, aangezien de gemeente daardoor in de aanbestedingsprocedures in een nadeliger positie zou komen te verkeren. Bekendheid met de geraamde kosten kan de onderhandelingspositie van de gemeente in deze procedures schaden. In de grondexploitatie zijn voorts de geraamde gronduitgifteprijzen opgenomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de gronduitgifte via een tender zal geschieden. De rechtbank is van oordeel dat openbaarmaking van deze geraamde uitgifteprijzen de economische en financiële belangen van de gemeente in de tenderprocedure onevenredig zou schaden, aangezien bekendheid met deze prijzen de onderhandelingspositie van de gemeente kan schaden. De rechtbank weegt mee dat de ontwikkeling in dit geval plaatsvindt via grondexploitatie, nu de gemeente alle gronden in het plangebied bezit, en niet via een exploitatieplan. In het laatste geval wordt in de jurisprudentie aangenomen dat er een groot belang bestaat voor eigenaren van gronden in het plangebied bij de mogelijkheid van kennisname van de onderbouwing van de in de exploitatieopzet opgenomen kostensoorten, waaronder kostensoorten als hier aan de orde, dit in verband met de mogelijkheid om een beroep tegen het exploitatieplan te kunnen onderbouwen. In een dergelijke situatie weegt naar vaste jurisprudentie van de Afdeling het belang van de eigenaren van gronden in het plangebied zwaarder dan het financiële belang van de gemeente om de betreffende onderbouwende gegevens niet te verstrekken. Die situatie doet zich hier niet voor. Het gaat hier immers, zoals gezegd, niet om een exploitatieplan en voorts is eiser geen eigenaar van gronden in het plangebied.

3.5 In de grondexploitatie is voorts een overzicht van de aangekochte percelen opgenomen, alsmede de verwervingsprijzen. Aangezien verweerder reeds alle koopovereenkomsten en leveringsakten van de percelen in het plangebied heeft verstrekt zijn de verwervingsprijzen van de percelen reeds openbaar. Naar vaste jurisprudentie kan reeds openbaar gemaakt informatie niet nogmaals openbaar worden gemaakt.

Ter zake van de door eiser gevraagde inbrengwaarden van de percelen in het plangebied overweegt de rechtbank dat het hier, zoals gezegd, om grondexploitatie gaat, en niet om een exploitatieplan. Alle gronden binnen het plangebied zijn door de gemeente verworven. Met de verwervingsprijzen is derhalve alle informatie terzake van de verwerving van de percelen verschaft.

3.6 Tenslotte heeft eiser verzocht om het rapport terzake van de inbrengwaarden van de percelen in het plangebied te verstrekken. Ook hiervoor geldt dat dit informatie betreft die behoort bij een exploitatieplan, hetgeen hier niet aan de orde is. Verweerder heeft verklaard dat een dergelijk taxatierapport niet bestaat. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. Eiser heeft ook geen feiten of omstandigheden aangedragen die aanleiding zouden geven hieraan te twijfelen.

3.7 Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geweigerd de grondexploitatie alsmede de inbrengwaarden van de percelen en het (gestelde) taxatierapport terzake van de inbrengwaarden te verstrekken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Stukken terzake van de melding “wijziging saneringsdoelstelling voormalig gasfabrieksterrein Katwijk (Prins Hendrikkade)”, en de intentieovereenkomst met [A] en de stukken omtrent het geschil met [A] over de opzegging daarvan

3.8 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ten aanzien van het niet verstrekken van de stukken terzake van de melding “wijziging saneringsdoelstelling voormalig gasfabrieksterrein Katwijk (Prins Hendrikkade)”, en de intentieovereenkomst met [A] en de stukken omtrent het geschil met [A] over de opzegging daarvan, ten onrechte door verweerder buiten behandeling is gelaten. Eiser heeft betwist dat op de hoorzitting zou zijn afgesproken het verzoek om verstrekking van deze stukken aan te merken als een nieuw Wob-verzoek.

3.9 De rechtbank overweegt dat uit het verslag van de hoorzitting van 9 mei 2012 blijkt dat [B] heeft ingestemd met het afhandelen van dit deel van het bezwaar als een nieuw Wob-verzoek. Eiser heeft de juistheid hiervan betwist. De rechtbank overweegt dat aan de hoorzitting vooraf is gegaan de brief van 5 mei 2012 van eiser. In deze brief heeft eiser aangegeven van mening te zijn dat de betreffende onderwerpen wel onder het oorspronkelijke Wob-verzoek vallen. Tevens is in die brief aangegeven dat voor zover verweerder van mening zou zijn dat de betreffende documenten niet onder het Wob-verzoek vallen, eiser rechtsmiddelen tegen dat besluit zal aanwenden. Verweerder dient alsdan het verzoek om voornoemde documenten inderdaad aan te merken als (zekerheidshalve ingesteld) nieuw aanvullend Wob-verzoek. De rechtbank stelt vast dat uit deze brief niet blijkt dat eiser ermee akkoord is dat het verzoek om stukken betreffende de melding en de intentieovereenkomst als een nieuw, aanvullend, Wob-verzoek wordt aangemerkt. Eiser stelt integendeel dat hij tegen een zodanig oordeel in rechte zal opkomen. Deze brief van eiser is tijdens de hoorzitting expliciet aan de orde geweest. Verweerder heeft gesteld dat [B] toen is voorgesteld deze brief als een nieuw Wob-verzoek in behandeling te nemen en dat [B] daarmee heeft ingestemd. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder verklaard dat zij beiden bij de hoorzitting aanwezig waren. Zij hebben bevestigd dat [B] er mee heeft ingestemd om de brief van 5 mei 2012 als nieuw Wob-verzoek te behandelen. Mr. Nieman heeft voorts verklaard dat zij persoonlijk heeft gevraagd om deze instemming op te nemen in het verslag van de hoorzitting. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder er van heeft kunnen uitgaan dat er bij de hoorzitting is afgesproken dat – anders dan waarvan nog in de brief van 5 mei 2012 werd uitgegaan–-het verzoek om verstrekking van documenten inzake de melding en de intentieovereenkomst met [A] als afzonderlijk Wob-verzoek zou worden behandeld. Verweerder heeft derhalve dit deel van het bezwaar buiten behandeling mogen laten. Het beroep is in zoverre ongegrond.

stukken a tot en met s

3.10 Ten aanzien van de stukken a tot en met s overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 5 juni 2012 heeft beslist op het nieuwe Wob-verzoek van 5 mei 2012. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt bij brief van 16 juli 2012, aangevuld op 3 augustus 2012. In het aanvullende bezwaar van 3 augustus 2012 zijn de stukken a tot en met s opgesomd als ten onrechte niet verstrekte documenten. Nu de vraag of deze documenten terecht niet zijn verstrekt al onderwerp vormt van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 5 mei 2012 valt dit geschilpunt buiten het onderhavige geding. Het beroep is in zoverre ongegrond.

ten onrechte ongegrondverklaring van het bezwaar en proceskostenvergoeding

3.11 Verweerder heeft erkend dat nu er naar aanleiding van het bezwaar en hangende de bezwaarprocedure alsnog een deel van de aanvankelijk geweigerde documenten is verstrekt, het bezwaar in zoverre gegrond had moeten worden verklaard. Tevens had het primaire besluit in zoverre moeten worden herroepen. Het beroep slaagt dan ook op dit punt.

3.12 Het bestreden besluit dient derhalve in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank zal, zelf rechtdoende, het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaren en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en wel voor zover daarbij de onder overweging 1.4 genoemde stukken zijn geweigerd.

3.13 Verweerder heeft eiser geen proceskostenvergoeding toegekend omdat, zoals hierboven onder rechtsoverweging 1.5 reeds is weergegeven, volgens verweerder van dergelijke kosten niet is gebleken. Eiser is weliswaar een professionele advocaat, maar hij heeft in dit geval op eigen naam, zonder hulp van een andere advocaat, geprocedeerd. Hij heeft zich weliswaar tijdens de hoorzitting laten vertegenwoordigen door [B], maar omdat deze advocaat een kantoorgenoot is van eiser komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking, aldus verweerder.

3.14 De rechtbank stelt vast dat eiser het Wob-verzoek op eigen naam heeft ingediend, en niet namens een cliënt. Eiser heeft zich tijdens de hoorzitting laten bijstaan door zijn kantoorgenoot [B]. De vraag dient derhalve te worden beantwoord of dit kwalificeert als door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Immers, ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan een veroordeling in de kosten van de bezwaarprocedure als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2012, LJN: BY2474 en het door de Afdeling aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2012, LJN: BY0531 is de rechtbank van oordeel dat daarvan in casu sprake is. In die uitspraken is geoordeeld dat een familierelatie er op zichzelf niet aan in de weg staat dat een gemachtigde als derde wordt aangemerkt. Die familierelatie staat in beginsel ook niet in de weg aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand. Voorts is niet vereist dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank een declaratie is opgemaakt of dat de kosten ten tijde van die uitspraak al zijn voldaan. Vaststaat dat [B] advocaat is en uit dien hoofde in beginsel beroepsmatig bijstand verleent. Voornoemde lijn van de familierelatie doortrekkend is de rechtbank van oordeel dat de kantoorrelatie niet in de weg staat aan het beroepsmatige karakter van de verleende rechtsbijstand. De rechtsbijstand is op zakelijke basis verleend. Niet is vereist dat er thans reeds een nota is opgemaakt of de kosten al zijn voldaan.

Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser in het bestreden besluit een proceskostenvergoeding toe te kennen. Deze beroepsgrond slaagt derhalve.

3.15 Hetzelfde heeft overigens te gelden voor de bijstand die mr. S.F.J. Sluiter en mr. A.J.G. Vegt in beroep aan eiser hebben verleend.

3.16 De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Bpb vastgesteld op € 1.311,--, te weten 3 punten á € 437,-- per punt, en wel 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep, bij een zaak met een gemiddeld gewicht. De rechtbank zal voorts bepalen dat verweerder eiser het griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de volledige ongegrondverklaring van het bezwaar en de weigering van een proceskostenvergoeding;

verklaart het bezwaar gegrond voor zover het betrekking heeft op de weigering van verweerder de onder rechtsoverweging 1.4 genoemde stukken te verstrekken, alsmede voor zover het betreft de weigering om de proceskosten te vergoeden;

herroept het primaire besluit voor zover het betreft de weigering om de onder rechtsoverweging 1.4 genoemde stukken te verstrekken;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaatst treedt van het bestreden besluit;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 156,-- aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten ten bedrage van € 1.311,-- , welk bedrag verweerder aan eiser dient te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature