Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wanneer is sprake van een parkeervergunning op eigen terrein, zodat een (bewoners)parkeervergunning kan worden geweigerd.

Beroep gegrond.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/1679 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. F. van Dijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Op 12 augustus 2010 heeft eiser bij verweerder een aanvraag voor een bewonersparkeervergunning ingediend.

Bij besluit van 3 september 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Eiser heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt. Hij is op 14 december 2010 gehoord door de Adviescommissie bezwaarschriften.

Op 17 december 2010 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften aan verweerder advies uitgebracht.

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 februari 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 19 mei 2011 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Baladien.

II OVERWEGINGEN

1. Eiser bewoont een huurwoning in de [straat] in Den Haag. De woning maakt deel uit van een complex gebouwd door de Woningbouwvereniging 's-Gravenhage (het complex) en in het complex bevindt zich een parkeergarage. De parkeerplaatsen in deze parkeergarage worden verhuurd aan de bewoners van het complex en aan anderen.

2. Na het sluiten van de huurovereenkomst, waarbij eiser ervoor heeft gekozen geen parkeerplaats in de in het complex gelegen parkeergarage te huren, is in de [straat] en omgeving betaald parkeren ingevoerd. Eiser heeft naar aanleiding van die invoering verzocht om verlening van een bewonersparkeervergunning.

3. Verweerder heeft de gevraagde vergunning geweigerd op de grond dat eiser kan beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet over een parkeerplaats in de parkeergarage kan beschikken, omdat hij de daarvoor gevraagde huurprijs niet kan betalen, dat in verband met de frequente sluiting van de toegang tot de parkeergarage in de [straat] hij geen gebruik kan maken van de parkeergarage voor het stallen van zijn auto, bedoeld voor het vervoer van zijn twee kleine kinderen, dat het weigeren van de bewonersparkeervergunning zich niet verdraagt met het doel van het invoeren van betaald parkeren, welk doel volgens de door de gemeente verzonden brieven is het weren van auto's van niet in de wijk wonende automobilisten en dat verweerder door de weigering het gelijkheidsbeginsel schendt.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Parkeerverordening 1992 van verweerders gemeente wordt, voor zover hier van belang, geen bewonersvergunning verleend indien de aanvrager de beschikking heeft over een parkeerplaats op eigen terrein.

Ingevolge de Beleidsregels parkeervergunningen wordt onder een parkeerplaats op eigen terrein onder meer verstaan: een parkeerplaats - huur of koop - op het terrein of in de garage van een complex waarvan in de bouwvergunning, de huur- of koopovereenkomst of de erfpachtvoorwaarden is vastgesteld dat deze bedoeld is als parkeergelegenheid voor het adres van de aanvrager.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in het complex aanwezige parkeergarage eiser de beschikking geeft over een parkeerplaats op eigen terrein als hiervoor bedoeld. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt de in 1994 aan de woningbouwvereniging 's-Gravenhage verleende bouwvergunning overgelegd.

7. De rechtbank constateert dat aan de woningbouwvereniging 's-Gravenhage op 12 juli 1994 vergunning is verleend voor de bouw van 81 woningen, 20 studenteneenheden, 1 parkeergarage en niet ingedeelde ruimten ten behoeve van winkels. In de vergunning zijn over de parkeergarage behoudens technische eisen verder geen bepalingen opgenomen. Ook in de eveneens overgelegde brief van 6 oktober 1995 met bijlage betreffende de huisnummering wordt de doelgroep van de parkeergarage niet vermeld, terwijl ook geen vaste parkeerplaatsen aan huisnummers worden gekoppeld. Van een vaststelling dat de parkeergarage in het complex is bedoeld als parkeergelegenheid voor de bewoners van het complex en dus voor eiser, is daarom geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat de huurovereenkomst van eiser of eventueel de erfpachtsvoorwaarden, waaronder de grond, waarop het complex is gebouwd, is uitgegeven, die vaststelling wel bevatten.

De rechtbank overweegt verder dat, nu eiser met de verhuurder geen overeenkomst ter zake van het gebruik van de parkeergarage heeft gesloten, niet kan worden gesteld dat hij de beschikking heeft over een parkeerplaats op eigen terrein. De enkele mogelijkheid om een dergelijke overeenkomst te sluiten is hiertoe immers niet voldoende.

8. Vorenstaande betekent dat verweerders weigering eiser een bewonersparkeervergunning te verlenen berust op een onjuiste feitelijke grondslag.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, welke op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn bepaald op € 437,00 (één punt voor het verschijnen ter zitting en het gewicht van de zaak is gemiddeld).

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 21 januari 2011, kenmerk B.4.10.1787.001;

Draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Verstaat dat de rechtspersoon Gemeente Den Haag aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 152,--, vergoedt;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 437,--, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. E. Kouwenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. S. van der Maarl-Pruijn.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature