Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Oplegging disciplinaire straf van ontslag.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/7784 AW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. [A],

en

het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 29 mei 2009 heeft verweerder eiser met ingang van 15 juni 2009 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

Bij brief van 5 juni 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 24 september 2009 heeft verweerder, in overeenstemming met het advies van de Bezwarencommissie rechtpositie provinciaal personeel (hierna: de commissie), onder meer het bezwaar van eiser gericht tegen de oplegging van de disciplinaire straf van ontslag ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 november 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. [B] en [C].

II OVERWEGINGEN

1De rechtbank gaat op grond van het verhandelde ter zitting en de gedingstukken bij haar oordeelvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is sinds 20 maart 2000 in dienst bij de provincie Zuid-Holland aanvankelijk in de functie van audiovisueel medewerker (Technisch Ondersteuner B), functieschaal 6. In het kader van een reorganisatie is hij per 1 april 2008 geplaatst in de functie van Allround documentair medewerker bij de afdeling Informatie en Automatisering, functieschaal 7 maar feitelijk in schaal 6 ingedeeld.

Eerste plichtsverzuim

1.2 Op 3 mei 2007 heeft eiser zich schuldig gemaakt aan het plegen van plichtsverzuim door zijn broer mee te helpen met het inladen van oud meubilair van verweerder dat niet mocht worden meegenomen.

1.3 Bij besluit van 2 augustus 2007 heeft verweerder eiser bij wijze van disciplinaire straf per 7 augustus 2007 overgeplaatst naar de functie van medewerker scanstraat (Technisch Ondersteuner B) bij het bureau Logistiek en Werkprocesfaciliteiten met een schaalniveau gelijk aan eisers oude functie, maar zonder structurele overwerkvergoeding.

1.4 Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 januari 2009 (AWB 08/4076) is geoordeeld dat de opgelegde disciplinaire straf van overplaatsing naar een andere functie niet evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim en is het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat een geldboete van 5 % van twaalf maal het bedrag van zijn salaris wel in overeenstemming met het evenredigheidsvereiste zou zijn.

Tweede plichtsverzuim

1.5 Op 10 februari 2009 is eiser aangesproken door de coördinator Semi Statisch Archief (SSA), de heer [D], op het moment dat hij bouwvergunningdossiers uit het beveiligde vernietigingsarchief wilde meenemen. De oude archieven moesten in speciaal daarvoor bestemde - afsluitbare - blauwe containers worden gedeponeerd. Rond 12.00 uur kwam eiser met zijn jas aan in de werk- en uitleenkamer van de beveiligde ruimte en wilde door de deur om de beveiligde ruimte te verlaten. Eiser heeft zijn koffer, de dossiers en een archiefdoos op de uitleenbalie gelegd en deze voor de helft door het raam geschoven.

1.6 Eiser is dezelfde dag uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek op 11 februari 2009 om 11.30 uur. Op dezelfde dag stond al een gesprek met zijn leidinggevende, de heer [E], gepland met betrekking tot eisers (on)geoorloofde afwezigheid van de laatste maanden en de manier waarop hij zijn verlofregistratie boekte.

1.7 Eiser is op 11 februari 2009 op beide gesprekken niet op tijd verschenen. Om 13.00 uur is eiser wel verschenen bij zijn leidinggevende die de kwestie op dat moment niet meer wilde bespreken en aangaf dat hij een nieuwe afspraak met eiser zou maken. Die middag is bij eiser op zijn voicemail ingesproken dat hij op 12 februari 2009 om 10.30 uur werd verwacht op het kantoor van zijn leidinggevende.

Daarnaast heeft eiser bij brief van 11 februari 2009 vanwege het niet tijdig verschijnen op deze gesprekken een schriftelijke waarschuwing gekregen, waarin een dienstopdracht stond dat hij op 12 februari 2009 om 10.30 uur moest verschijnen voor een gesprek met zijn leidinggevende. Indien eiser ook deze afspraak zou negeren zouden disciplinaire maatregelen worden genomen.

1.8 Op 12 februari 2009 is eiser niet verschenen. Eiser heeft om 9.30 uur gebeld naar zijn coördinator, de heer [D], om door te geven dat hij was verhinderd maar kreeg geen rechtstreeks contact met zijn leidinggevende. Eiser is door zijn coördinator gesommeerd om naar zijn werk te komen.

1.9 Bij brief van 12 februari 2009 heeft verweerder het voornemen geuit tot oplegging van een schriftelijke berisping en besloten tot inhouding van eisers bezoldiging van 12 februari 2009 vanwege zijn ongeoorloofde afwezigheid. Daarnaast is eiser opgedragen te verschijnen op 13 februari 2009 om 10.00 uur voor een verantwoordingsgesprek.

1.10 Op 13 februari 2009 is eiser verschenen op het verantwoordingsgesprek. Hiervan is een verslag opgesteld.

1.11Bij besluit van 16 februari 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat vanwege zijn gedragingen (ongeoorloofde afwezigheid) en zijn intentie om dossiers mee te nemen een onderzoek zal plaatshebben en dat hij gedurende de periode 16 februari 2009 tot en met 16 maart 2009 in het belang van de dienst wordt geschorst, met de mogelijkheid tot verlenging. Daarnaast heeft verweerder eiser de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel verblijf aldaar, voor de duur van de schorsing.

1.12 Op 19 februari 2009 heeft de heer [D] een verklaring afgelegd met betrekking tot de gebeurtenissen op 10 februari 2009.

1.13 Op 19 februari 2009 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat ten aanzien van eiser geen

sprake was van arbeidsongeschiktheid op medische gronden.

1.14 Op 5 maart 2009 hebben de heer [F] (technisch uitvoerend ondersteuner C bij SSA) en mevrouw [G] (archiefbeheerder bij SSA) een verklaring afgelegd met betrekking tot de gebeurtenissen op 10 februari 2009.

1.15 Bij brief van 13 maart 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de schriftelijke waarschuwing, het voornemen tot oplegging van een schriftelijke berisping en het besluit tot inhouding van de bezoldiging, de dienstopdracht, de schorsing en de ontzegging van de toegang tot zijn werkplek.

1.16 Bij besluit van 17 maart 2009 heeft verweerder, gezien het verloop van het onderzoek, eisers schorsing en ontzegging tot de dienstlokalen en dienstgebouwen of het werk verlengd van 17 maart 2009 tot en met 17 april 2009.

1.17 Bij besluit van 20 maart 2009 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd en is eisers bezoldiging van 12 februari 2009 ingehouden.

1.18 Bij besluit van 26 maart 2009 heeft verweerder in strijd met het eerdere oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank (zie uitspraak van 8 januari 2009) eisers strafoverplaatsing naar de functie van medewerker scanstraat, (Technisch Ondersteuner B, functieschaal 6) vanaf 7 augustus 2007 gehandhaafd.

1.19 Tegen dit besluit heeft eiser geen beroep ingesteld in verband met psychische spanningen bij eiser naar aanleiding van het incident van 10 februari 2009 en de eerdere procedure waarin eiser was verwikkeld met verweerder.

1.20 Bij brief van 16 april 2009 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt eiser de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.

1.21Bij besluit van 16 april 2009 heeft verweerder eisers schorsing en ontzegging tot de dienstlokalen en dienstgebouwen of het werk verlengd van 18 april 2009 tot en met de dag van eisers ontslag, gezien het feit dat het onderzoek naar eisers gedragingen heeft geresulteerd in het voornemen hem te ontslaan.

1.22 Bij brief van 17 april 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het verlengingsbesluit van 16 april 2009 inzake de schorsing en ontzegging van de toegang tot de werkplek.

1.23 Bij brief van 19 mei 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het voornemen tot oplegging van de disciplinaire straf van ontslag.

1.24 Bij besluit van 29 mei 2009 heeft verweerder eiser met ingang van 15 juni 2009 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

1.25 Bij brief van 5 juni 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit van 29 mei 2009.

1.26 Op 27 augustus 2009 heeft de commissie advies uitgebracht. De commissie heeft geadviseerd:

- het bezwaar van 13 maart 2009 gericht tegen de schriftelijke waarschuwing niet-ontvankelijk te verklaren;

- het bezwaar van 13 maart 2009 gericht tegen het voornemen tot oplegging schriftelijke berisping en tot inhouding bezoldiging ongegrond te verklaren;

- het bezwaar van 13 maart 2009 gericht tegen de schorsing en ontzegging toegang ongegrond te verklaren;

- het bezwaar van 17 april 2009 gericht tegen de besluiten van 17 maart 2009 en 16 april 2009 (de schorsingsbesluiten en de verlenging daarvan) gegrond te verklaren;

- het bezwaar van 19 mei 2009 gericht tegen het voornemen tot oplegging van de disciplinaire straf van ontslag niet-ontvankelijk te verklaren;

- het bezwaar van 5 juni 2009 gericht tegen het besluit tot oplegging van de disciplinaire straf van ontslag van 29 mei 2009 ongegrond te verklaren.

2 Bij het thans bestreden besluit van 24 september 2009 heeft verweerder, in overeenstemming met het advies van de commissie, het bezwaar van eiser gericht tegen de schriftelijke waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen het schorsingsbesluit en ontzegging toegang van 16 februari 2009 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het voornemen inzake de oplegging van de disciplinaire straf van ontslag niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. In afwijking van het advies heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het voornemen tot het opleggen van een schriftelijke berisping en tot het inhouden van de bezoldiging niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de dienstopdracht ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de verdere verlenging van de schorsing en de ontzegging van de toegang ongegrond verklaard.

3 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. In beroep heeft eiser betoogd dat hij het oneens is met de berisping, de inhouding van zijn bezoldiging, de schorsing en de (verdere) verlenging van de schorsing en de disciplinaire straf van ontslag. Eiser stelt dat hij niet op de hoogte was dat de afspraken met verweerder dienstopdrachten waren om op zijn werk te verschijnen op 11 en 12 februari 2009. Eiser stelt dat hij tijdig heeft laten weten waarom hij niet op het gesprek van 11 februari 2009 kon verschijnen. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat geen zorgvuldig onderzoek is verricht naar het incident op 10 februari 2009. De Eenheid Audit en Advies heeft geen onderzoek gedaan naar het incident. Verweerder heeft volstaan met een summier onderzoek, bestaande uit interviews met collega's van eiser op 12 februari 2009 en 5 maart 2009. Nu het onderzoek is afgerond op 5 maart 2009 had de schorsing in ieder geval niet verlengd hoeven worden. Eiser meent voorts dat het strafontslag onevenredig is. Eiser stelt dat hij nooit de intentie heeft gehad de dossiers te ontvreemden. Eisers verklaring dat hij zijn werk wilde afmaken en de dossiers in de blauwe containers wilde gooien die buiten stonden wordt ten onrechte niet aannemelijk geacht. Het incident van 10 februari 2009 dient los te worden gezien van het eerdere incident. Een lichtere straf zou passender zijn geweest. Eiser was bovendien zeer gespannen vanwege de vorige procedure die hij met verweerder heeft gevoerd en doordat verweerder in weerwil van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank de strafoverplaatsing heeft gehandhaafd.

4 Ingevolge artikel G.2, eerste lid, onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP), kan de ambtenaar voor bepaalde tijd worden geschorst indien het belang van de dienst dit verlangt.

Ingevolge artikel G.2, eerste lid, onder b, van de CAP, kan de ambtenaar voor bepaalde tijd worden geschorst indien hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd.

Ingevolge artikel G3 van de CAP kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, om die reden disciplinair worden gestraft.

Ingevolge artikel G4, eerste lid, van de CAP zijn de disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd:

a. schriftelijke berisping;

b. vermindering van het algemeen verlof met ten hoogste 1/3 van het aantal uren, waarop in het desbetreffende jaar aanspraak bestaat;

c. geldboete tot ten hoogste 10% van twaalf maal het bedrag van zijn salaris;

d. benoeming in een andere functie;

e. ontslag.

Ingevolge het tweede lid kan bij het opleggen van de straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan daarbij eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

Oplegging van een schriftelijke berisping en de inhouding van eisers bezoldiging

5 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit - waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van die wet bezwaar kan worden gemaakt - verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5.1 Bij brief van 13 maart 2009 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van verweerder van 12 februari 2009 waarin aan eiser het voornemen tot oplegging van een schriftelijke berisping is meegedeeld en is besloten tot inhouding van de bezoldiging.

5.2 Verweerder heeft eisers bezwaarschrift van 13 maart 2009 voor zover gericht tegen het aan eiser kenbaar gemaakte voornemen tot oplegging van een schriftelijke berisping en de inhouding van de bezoldiging, in afwijking van het advies van de commissie, niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bezwaar is gericht tegen twee voornemens en dat daarom geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht , waartegen bezwaar en beroep open staat.

5.3 De rechtbank overweegt als volgt. In de brief van 12 februari 2009 staat vermeld dat verweerder voornemens is eiser een schriftelijke berisping op te leggen conform artikel G4, eerste lid, onder a van de CAP. Daarnaast wordt eisers bezoldiging van 12 februari 2009 ingehouden op grond van artikel C1, eerste lid van de CAP. Tevens staat onderaan voormelde brief een rechtsmiddelenclausule vermeld.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de brief van 12 februari 2009 met betrekking tot het opleggen van een schriftelijke berisping slechts een voornemen bevat en geen besluit behelst als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen het voornemen tot oplegging van een schriftelijke berisping terecht niet-ontvankelijk verklaard, nu op grond van de Awb alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb .

Het beroep is in zoverre ongegrond

De rechtbank concludeert voorts dat voormelde brief van 12 februari 2009 voor zover het ziet op de inhouding van de bezoldiging een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb behelst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen de inhouding van de bezoldiging bij het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is in zoverre gegrond.

De schorsing en de verlengingen

6 Naar vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer TAR 2004, 130) vindt een bestuursorgaan in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel. Indien een vermoeden van plichtsverzuim bestaat, zonder dat nog sprake is van een duidelijk uitgekristalliseerd feitencomplex, kan schorsing in het belang van de dienst worden gehanteerd om een onderzoek naar de feiten te verrichten. De belangen van de dienst bij het tijdelijke verwijderen van eiser uit de functie, respectievelijk van de werkplek, dienen te worden afgewogen tegen de belangen van eiser, waarbij ook alternatieven voor de schorsing moeten worden afgewogen.

6.1 De rechtbank overweegt dat het opleggen van de maatregel van schorsing een discretionaire bevoegdheid van verweerder is, zodat de rechtbank dat besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de dienst vergde dat eiser werd geschorst.

6.2 Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de commissie, op het standpunt gesteld dat de schorsing nodig was in het belang van het te verrichten onderzoek naar de gedragingen van eiser. De geconstateerde gedragingen vormden voldoende concrete aanwijzingen voor ernstig plichtsverzuim. Verweerder heeft verwezen naar het gespreksverslag van 13 februari 2009. Gezien de aard van de gedraging en het te verrichten onderzoek kon niet worden gevergd dat eiser in afwachting van het feitenonderzoek in de gelegenheid werd gesteld zijn werkzaamheden te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot schorsing van eiser heeft kunnen besluiten.

6.3 Het beroep is in zoverre ongegrond.

6.4 De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 17 maart 2009, inhoudende de verlenging van de schorsing en de ontzegging van de toegang tot de provinciale gebouwen. Dit besluit is derhalve in rechte vast komen te staan, zodat niet aan een beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit kan worden toegekomen.

6.5 Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk

6.6 De rechtbank stelt vast dat het bezwaar van 17 april 2009 zich uitsluitend richt tegen het besluit van 16 april 2009, inhoudende de verdere verlenging van de schorsing en de ontzegging van de toegang tot de provinciale gebouwen.

6.6 Verweerder heeft aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegd dat een verdere verlenging van de schorsing en de ontzegging van de toegang tot de provinciale gebouwen noodzakelijk was gezien het feit dat het onderzoek naar eisers gedragingen heeft geresulteerd in het voornemen eiser te ontslaan.

6.7 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat geen zorgvuldig onderzoek is verricht naar het incident op 10 februari 2010. De eenheid Audit en Advies heeft geen onderzoek gedaan naar het incident. Verweerder heeft volstaan met een summier onderzoek, bestaande uit de interviews met collega's van eiser op 12 februari 2009 en 5 maart 2009. Nu het onderzoek is afgerond op 5 maart 2009 had de schorsing in ieder geval niet verlengd hoeven worden. Wat eiser betoogt ziet alleen op eerste verlenging waartegen hij geen bezwaar heeft gemaakt. Ten aanzien van de verdere verlenging overweegt de rechtbank dat verweerder gezien het voornemen tot strafontslag in redelijkheid tot de verdere verlenging van het schorsingsbesluit heeft kunnen overgaan.

Het beroep tegen het verlengingsbesluit is derhalve ongegrond.

Disciplinaire straf van ontslag

7 Naar vaste jurisprudentie dient het aan de disciplinaire straf ten grondslag liggende plichtsverzuim vast te staan, moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf niet onevenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

7.1De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op 10 februari 2009 dossiers uit de beveiligde ruimte van het vertrouwelijke vernietigingsarchief heeft willen meenemen naar buiten zonder dat hij daarvoor toestemming had.

7.2 Verweerder heeft het meenemen van deze dossiers zonder toestemming op goede grond aangemerkt als plichtsverzuim, omdat het volgens de geldende integriteitsregels van de provincie Zuid Holland verboden is dossiers mee te nemen uit het vertrouwelijke en beveiligde vernietigingsarchief. Hierbij heeft verweerder mogen meewegen dat eiser heeft verklaard van deze regels op de hoogte te zijn.

7.3 Niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan eiser is toe te rekenen, nu eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn gedrag hem op medische gronden niet is toe te rekenen. Verweerder heeft zich terecht bevoegd geacht een disciplinaire straf als bedoeld in artikel G4, eerste lid, van de CAP op te leggen.

7.4 Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de opgelegde disciplinaire straf van ontslag als evenredig is te beschouwen in verhouding tot de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank stelt vast dat eiser is gestraft met de zwaarste disciplinaire straf.

Van eiser mag als ambtenaar van de provincie worden verwacht dat hij niet alleen in verband met de interne regels maar ook in verband met de bescherming van de privacy van de ingezetenen van de provincie Zuid Holland zorgvuldig met de dossiers omgaat. Verweerder hecht terecht veel belang aan handhaving van zijn integriteitsbeleid. Verweerder heeft voorts mogen meewegen dat eiser al eerder op zijn integriteit is aangesproken en dat eiser derhalve een gewaarschuwd man was. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het strafontslag in dit geval onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de beweegredenen van eiser om de dossiers naar buiten te brengen te onderzoeken. Anders dan namens verweerder ter zitting is gesteld is het voor de beoordeling van het plichtsverzuim wel van belang te onderzoeken wat de intentie van eiser is geweest. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser "verkeerde dingen" met de dossiers heeft willen doen, overweegt de rechtbank dat dit standpunt uitsluitend is gebaseerd op het met eiser gehouden verantwoordingsgesprek op 13 februari 2009 en de verklaringen van medewerkers die ten tijde van het incident in het archief aanwezig waren. Op basis hiervan komt verweerder tot de conclusie dat eiser geen wezenlijke en geoorloofde verklaring heeft kunnen geven voor zijn intentie om de dossiers mee te nemen. De mogelijkheid dat eiser alsnog de dossiers wilde weggooien - zoals eiser betoogt - is open gebleven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een dergelijk summier onderzoek te minder nu de verklaringen van de medewerkers niet overeenkomen zodat ook hieruit niet eenduidig valt te herleiden wat de beweegredenen van eiser waren. In dit verband benadrukt de rechtbank dat de verklaring van mevrouw Moerman eisers uitleg over de dossiers veeleer lijkt te ondersteunen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat aangezien de beweegredenen van eiser onvoldoende zijn onderzocht, eiser het voordeel van de twijfel dient te krijgen. De ernst van het gestelde plichtsverzuim dient daarom te worden gerelativeerd; als plichtsverzuim kan alleen worden vastgesteld 'het zonder toestemming meenemen van de dossiers uit de beveiligde ruimte teneinde deze te vernietigen'.

Voorts blijkt niet dat verweerder de privé-omstandigheden van eiser heeft meegewogen in de belangenafweging. Niet is gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met de bij eiser ontstane psychische problemen als gevolg van het handelen van verweerder. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verweerder in weerwil van voormelde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank eisers strafoverplaatsing heeft gehandhaafd. Daarnaast acht de rechtbank het gelet op het door eiser eerder gepleegde plichtsverzuim in 2007 opmerkelijk dat verweerder eiser destijds in het kader van de reorganisatie heeft geplaatst in een functie waarin hij moest omgaan met vertrouwelijke stukken. Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat - zoals uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken - de aansturing van eiser in deze functie niet duidelijk was geregeld.

7.5 Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het door verweerder aan eiser opgelegde strafontslag, mede gelet op de specifieke, persoonlijke omstandigheden van eiser, niet evenredig is aan de relatieve ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Om die reden dient het bestreden besluit voor zover dit het strafontslag betreft te worden vernietigd.

Het beroep is in zoverre gegrond.

8 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het opleggen van een schriftelijke berisping en de inhouding van eisers bezoldiging ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de schorsing ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de verlenging van de schorsing niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de verdere verlenging van de schorsing ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het strafontslag gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 september 2009 voorzover dit het strafontslag betreft;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-

en bepaalt dat deze kosten aan de griffier worden betaald;

- gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. J.D.G.J. Dop, mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel,

mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.R. van Veen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature