Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Erflater en dochter hebben tijdens leven erflater allerhande constructies opgezet om vermogen veilig te stellen. Tweede echtgenote wordt thans aangesproken door dochter, haar echtgenoot en de kleinkinderen van erflater.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/11/98621 / HA ZA 12-2148

Vonnis van 30 oktober 2013

in de zaak van

1 [Eiseres 1],

wonende te Leerdam,

2. [Eiser 2],

wonende te Leerdam,

3. [Eiser 3],

wonende te Utrecht,

4. [Eiser 4],

wonende te Utrecht,

5. [eiser 5],

wonende te Leerdam,

eisers,

advocaat mr. L.L.A. Cox,

tegen

1. mr. E.F. DE VILDER, in zijn hoedanigheid van (door de rechtbank benoemde) vereffenaar van de nalatenschap van wijlen de heer [betrokkene 1],

kantoorhoudende te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagde,

advocaat mr. F.P. Aarts.

Partijen zullen hierna genoemde worden: eisers gezamenlijk: [alles eisers] c.s., eiseres 1: [Eiseres 1], eiser 2: [alles eisers], gedaagde 1: de vereffenaar en gedaagde 2: [Gedaagde 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 14 november 2012

het proces-verbaal van comparitie van 21 juni 2013

de akte overleggen producties van [alles eisers] c.s. met de producties 14 tot en met 18

de akte van [Gedaagde 2], met 1 productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De ouders van [Eiseres 1], [betrokkene 1]en [betrokkene 2], waren eigenaar van het woonhuis met aanhorigheden aan de [adres] te Gorinchem, kadastraal bekend gemeente Gorinchem sectie F nummers [nummer en nummer] (hierna: de [adres]).

2.2.

Bij akte verleden op 16 augustus 1989 voor notaris mr. H.J. van Apeldoorn te Ede (prod. 4 [alles eisers] c.s.), hebben zij de [adres] onder voorbehoud van vruchtgebruik verkocht en in eigendom overgedragen aan [Eiseres 1].

2.2.1.

Het kadastrale perceel sectie F nummer 290 was blijkens de akte bezwaard met een eerste hypothecaire inschrijving ten behoeve van de Coöperatieve Rabobank “Gorinchem” W.A. In de akte staat ter zake vermeld:

“De inschrijving werd genomen tot een bedrag van honderd duizend gulden (f 100.000,00 bankhypotheek). De verkopers verklaarden al hetgeen zij terzake van gemelde hypothecaire lening aan hoofdsom en rente aan de bank verschuldigd zijn te zullen blijven voldoen.”

2.2.2.

Blijkens de akte werd aan de [adres] een onderhandse verkoopwaarde toegekend van f 143.000. Aan het vruchtgebruik dat [beide betrokkenen]zich voorbehielden werd een waarde toegekend van 60% ofwel f 85.800.

De koopsom ad f 34.320 werd aldus berekend: waarde in bewoonde staat f 85.800 minus de waarde van het vruchtgebruik (60% van f 85.800) ofwel f 51.480.

2.3.

Op 21 mei 1996 is ten overstaan van een plaatsvervanger van notaris mr. A.Z. Snoek te Gorinchem, een akte verleden (prod. 5 [alles eisers] c.s.), waarin onder meer het volgende voorkomt:

“(…) dat de terzake van voormelde koop en levering van voormeld registergoed door de comparante [Eiseres 1] aan de comparanten [betrokkene 1]en [betrokkene 2] te voldoene koopsom, ten bedrage van vierendertigduizend driehonderd twintig gulden (f 34.420,00), door laatstgenoemden aan de comparante [Eiseres 1] is kwijtgescholden, (…)

dat vervolgens de comparanten [betrokkene 1], [betrokkene 2]en [Eiseres 1], blijkens een schriftelijke koopovereenkomst, de dato vierentwintig april negentienhonderd zes en negentig (24-04-1996), (in die schriftelijke overeenkomst genoemd: partij [beide betrokkenen], hebben verkocht aan (…),

een perceel grond, gelegen aan het Merwedekanaal ([adres]) te Gorinchem, kadastraal bekend gemeente Gorinchem sectie F nummer [nummer], voor het geheel groot zeventien are vijfentwintig centiare (17.25 are),

echter met uitzondering van een gedeelte ter grootte van ongeveer vijfhonderd vierkante meter (500 m2),

hierna te noemen: het registergoed,

en in welke koopovereenkomst – voorzoveel ten dezen van belang – woordelijk werd bepaald:

Koopprijs

De totale koopprijs van het verkochte bedraagt: vijfhonderdtienduizend vijfhonderd gulden (f 510.500,00) en welke koopsom door partij (…) aan de ondergetekende [Eiseres 1] wordt voldaan (…) en welke koopsom wegens zaaksvervanging is bezwaard met het levenslang recht van vruchtgebruik ten behoeve van de ondergetekenden [betrokkene 1] en [betrokkene 2].

(…)

dat de - na aftrek van de door de comparante [Eiseres 1] voor haar rekening genomen kosten - de uiteindelijke koopsom bedraagt vierhonderdeenenzeventig- duizend zeshonderdzevenentwintig gulden(f 471.627,00) en welke koopsom is/wordt aangewend ten behoeve van de bouw van een woning door de comparanten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op een perceel grond, hetwelk in volle eigendom verblijft bij laatstgenoemden, (…)

Schuldwijziging

(…) Ter uitvoering van vorenstaande overeenkomst verklaren de comparanten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij dezen afstand te doen van het aan hen, danwel de langstlevende hunner, toekomende recht van vruchtgebruik van gemeld bedrag van vierhonderdeenenzeventigduizend zeshonderdzevenentwintig gulden (f 471.627,00), welke afstanddoening de comparante [Eiseres 1] verklaart aan te nemen, waartegenover bij wege van tegenprestatie voor bedoelde afstanddoening de comparante [Eiseres 1], verklaart heden ter leen te hebben verstrekt gemeld bedrag van vierhonderdeenenzeventigduizend zeshonderdzevenentwintig gulden (f 471.627,00) renteloos en eerst opeisbaar bij het overlijden van de comparanten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner, die verklaren wegens ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan de comparante [Eiseres 1], hierna te noemen: schuldeiser, een bedrag van vierhonderdeenenzeventigduizend zeshonderdzevenentwintig gulden (f 471.627,00), hierna genoemd: “de hoofdsom”, renteloos en eerst opeisbaar bij het overlijden van de comparanten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], of de langstlevende hunner, hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk te noemen: de schuldenaar, en onder de volgende bepalingen:

(…)”

2.4.

Op 21 mei 1996 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij (onderhandse) schuldbekentenis (prod. 6 [alles eisers] c.s.) verklaard dat [Eiseres 1] hen, ten titel van geldlening, een bedrag van f 40.000 heeft verstrekt.

2.5.

[Eiseres 1] heeft van de notaris een afrekening ontvangen (prod. 14 [alles eisers] c.s.) met als omschrijving ‘project [adres]’ met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“ Door u te ontvangen:

Koopsom blote eigendom [beide betrokkenen]

[beide betrokkenen] te Gorinchem, akte d.d. 21 mei 1996, (…) f 40.000,00

Koopsom bouwkavel 2 (…) f 111.689,00

Koopsom bouwkavel 3 (…) f 97.520,00

Koopsom bouwkavel 4 (…) f 91.685,00

Koopsom bouwkavel 5 (…) f 95.883,00

Koopsom bouwkavel 6 (…) f 113.773,00

Totaal te ontvangen: f 550.500,00

Door u te voldoen:

(…)

Blijft: f 511.627,00

Af wegens schuldig blijven van de koopsom van de bouwkavel door [beide betrokkenen]

[beide betrokkenen] te Gorinchem (zie onderhandse

schuldbekentenis): f 40.000,00

Af wegens verstrekte geldlening wegens zaaksvervanging: f 471.627,00

Blijft te ontvangen: f nihil

============

2.6.

Bij notariële akte van 13 juni 1997 (prod. 16 [alles eisers] c.s.) en inschrijving daarvan ten kantore van het kadaster en de openbare registers, heeft [betrokkene 1], handelend voor zich en als gevolmachtigde van zijn echtgenote, [betrokkene 1], en van zijn dochter [Eiseres 1], in eigendom overgedragen aan een derde voor een koopsom van f 235.000 het woonhuis met aan de [adres] te Gorinchem, kadastraal bekend gemeente Gorinchem, sectie F nummer [nummer].

2.7.

In een notariële akte verleden op 2 september 2002 voor de waarnemer van mr. A.Z. Snoek voornoemd (prod. 7 [alles eisers] c.s.), staat – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

“De comparanten verklaren:

Dat de comparant [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2] voornoemd bij akte op zestien augustus negentienhonderd negenentachtig (16-8-1989) verleden voor Mr H.J. van Apeldoorn, notaris te Ede, het registergoed:

het woonhuis (…) aan de [adres], [woonplaats], kadastraal bekend gemeente Gorinchem sectie F nummers [nummer en nummer], samen groot (…) (18,67 are);

onder bezwaar van het levenslange recht van vruchtgebruik ten behoeve van zichzelf danwel de langstlevende hunner hebben verkocht en geleverd aan de comparante [Eiseres 1];

(…)

dat de terzake van voormelde koop en levering van voormeld registergoed door de comparante [Eiseres 1] aan de comparant [betrokkene 1] en de volmachtgeefsters [betrokkene 2] te voldoene koopsom, ten bedrage van (…) (€ 15.519,28), zijnde (…) (f 34.320,00) door laatstgenoemden aan de comparante [Eiseres 1] is kwijtgescholden, een en ander bij onderhandse akte de dato (…) (16-8-1989) (…);

dat vervolgens de comparant [betrokkene 1], de volmachtgeefster [betrokkene 2] en mevrouw [Eiseres 1], blijkens een akte van levering op (…) (13-6-1997) voor Mr. W.J.L. Visser, notaris te Gorinchem, hebben verkocht en geleverd aan (…),

het woonhuis (…) aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend: gemeente Gorinchem sectie F nummer [nummer], groot (…) (1.45 are);

voor een koopsom van (…) (f 235.000), zijnde (…) (€ 106.638,35) en welke koopsom door (…) aan de comparante [Eiseres 1] werd voldaan en werd bestemd ter aflossing van de door de comparant [betrokkene 1] en zijn echtgenote aangegane hypothecaire financiering van de woning [adres] te [woonplaats], doch welke koopsom wegens zaakvervanging bezwaard is met het levenslange recht van vruchtgebruik ten behoeve van de comparant [betrokkene 1] en zijn echtgenote [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner.

Schuldwijziging

De comparanten verklaren, dat partijen – wegens zaaksvervanging ontvangen koopsom in verband met voormeld vruchtgebruik ten behoeve van de comparant [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner – bij dezen de volgende overeenkomst hebben gesloten:

de comparant [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2] verplichten zich – met inachtneming van het hierna bepaalde – om afstand te doen van het aan hen, danwel de langstlevende hunner, toekomende recht van vruchtgebruik van gemeld bedrag van eenhonderd eenduizend driehonderd achtenvijftig euro en negentien eurocent (€ 101.358,19);

de comparante mevrouw [Eiseres 1] verplicht zich bij wege van tegenprestatie voor de sub 1 bedoelde afstand aan de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner, - renteloos en eerst opeisbaar bij het overlijden van de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2] of de langstlevende hunner, en welk bedrag door de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2] uitsluitend is aangewend voor de betaling van de aflossing van de hypothecaire geldlening bij de Coöperatieve Rabobank Gorinchem U.A., gevestigd te Gorinchem ten name van de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2].

De comparanten verklaren over en weer vorenstaande verbintenissen aan te nemen. Ter uitvoering van vorenstaande overeenkomst verklaart de comparant de heer [betrokkene 1] voor zich en namens de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2] bij dezen afstand te doen van het aan hen, danwel de langstlevende hunner, toekomende recht van vruchtgebruik van gemeld bedrag van eenhonderd eenduizend driehonderd acht en vijftig euro en negentien eurocent (€ 101.358,19), welke afstanddoening de comparante [Eiseres 1] verklaart aan te nemen, waartegenover bij wege van tegenprestatie voor bedoelde afstanddoening de comparante mevrouw [Eiseres 1], verklaart heden ter leen te hebben verstrekt gemeld bedrag van eenhonderd eenduizend driehonderd acht en vijftig euro en negentien eurocent (€ 101.358,19) renteloos en eerst opeisbaar bij het overlijden van de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner, voor wie de comparant [betrokkene 1] verklaart wegens ter leen ontvangen geldig schuldig te zijn aan de comparante [Eiseres 1], hierna te noemen: schuldeiser, een bedrag van eenhonderd eenduizend driehonderd acht en vijftig euro en negentien eurocent (€ 101.358,19), hierna genoemd: “de hoofdsom”, renteloos en eerst opeisbaar bij het overlijden van de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2], of de langstlevende hunner, hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk te noemen: de schuldenaar, en onder de volgende

BEPALINGEN:

(…)

b. Van de hoofdsom of het restant daarvan is – zulks in verband met het (oorspronkelijk) op gemeld bedrag rustende vruchtgebruik ten behoeve van de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner – geen rente verschuldigd, terwijl over de hoofdsom na het overlijden van de langstlevende van de comparant de heer [betrokkene 1] en de volmachtgeefster mevrouw [betrokkene 2] een rente verschuldigd is van zes procent (6%) per jaar, te voldoen in halfjaarlijkse termijnen en voor het eerst een half jaar nadat de hoofdsom rentedragend is geworden.

(…)”

2.8.

[betrokkene 1]heeft op 27 juni 2002 het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem gekocht voor een koopsom van € 227.000. Vervolgens heeft hij dit woonhuis verkocht aan eisers 3, 4 en 5. Op 2 september 2002 is bij notariële akte (prod. 1 [alles eisers] c.s.) en de daaropvolgende inschrijving van die akte de eigendom van het woonhuis door verkoper aan de eisers 3, 4 en 5 geleverd.

2.8.1.

Op 2 september 2002 is tevens een notariële akte van geldlening met hypotheekstelling verleden tussen de eisers 3, 4 en 5, [Eiseres 1] en [betrokkene 1], handelend voor zich en als gevolmachtigde van zijn echtgenote, [betrokkene 1]. In die akte (prod. 2 [alles eisers] c.s.) komt, voor zover thans van belang, het volgende voor:

“De comparant [betrokkene 1] en mevrouw [Eiseres 1] verklaren vooraf:

Dat zij bij akten op eenentwintig mei negentienhonderd zes en negentig (21-5-1996) en heden verleden voor een plaatsvervanger respectievelijk waarnemer van Mr. A.Z. Snoek, notaris te Gorinchem, hebben geconstateerd dat ten titel van zaaksvervanging aan de comparant [betrokkene 1] en zijn echtgenote mevrouw [betrokkene 2] renteloos gedurende het leven van de heer [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2] of de langstlevende hunner niet aflosbaar en niet opeisbaar en eerst opeisbaar bij het overlijden van de comparant [betrokkene 1] en mevrouw [betrokkene 2], danwel de langstlevende hunner een bedrag in contanten is geleend van respectievelijk (…) (€ 214.015,00) (…) en (…) (€ 101.358,19) of in totaal (…) (€ 315.373,19) is geleend door de comparante mevrouw [Eiseres 1].

De comparanten verklaren terzake van een gedeelte van gemeld bedrag thans een overeenkomst van geldlening met hypotheek tot een bedrag van (…) (€ 242.250,00) te hebben gesloten met de minderjarigen: [Eiser 3]-, [Eiser 4]- en [eiser 5], allen voornoemd, hierna te noemen: de schuldenaar, voor wie de comparanten [Eiser 2] en mevrouw [Eiseres 1] verklaren schuldig te zijn aan de comparant [betrokkene 1] en diens echtgenote mevrouw [betrokkene 2] en mevrouw [Eiseres 1], hierna te noemen: de schuldeiser, een bedrag van (…) (€ 242.250,00).

Voor deze geldlening gelden de volgende bepalingen en bedingen:

(…)

B. Hypotheekstelling met bijbehorende bepalingen

(…)”

2.8.2.

Tussen de eisers 3, 4 en 5 en [betrokkene 1]is bij notariële akte d.d. 2 september 2002 (prod. 3 [alles eisers] c.s.) een huurovereenkomst gesloten voor het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem.

2.8.3.

De nota van afrekening ter zake van de aankoop door eisers 3, 4 en 5 luidt als volgt:

“DOOR U TE VOLDOEN:

KOOPSOM REGISTERGOED: 227.000,00

(…)

DOOR U TE ONTVANGEN:

Hypothecaire geldlening te verstrekken door [betrokkene 1]en [betrokkene 2]

[betrokkene 2] te Gorinchem En M. [Eiseres 1] te Leerdam 242.250,00

(…)”

2.9.

[betrokkene 1]en zijn echtgenote, [betrokkene 1], hebben het woonhuis en een perceeltje erf aan de [adres 3]te Gorinchem aan een derde verkocht en op 3 januari 2003 bij notariële akte en daaropvolgende inschrijving daarvan geleverd voor een koopsom van € 700.000 (incl. € 15.000 koopsom roerende zaken). Na aftrek van o.m. kosten, aflossing van een hypothecaire geldlening bij de Rabobank en aflossing van een overbruggingslening bij de ING Bank resteerde een bedrag te ontvangen van € 70.024,30 (prod. 15 [alles eisers] c.s.).

2.10.

Op 14 november 2005 is er een notariële akte verleden (prod. 8 [alles eisers] c.s.) waarbij [Eiseres 1] en [alles eisers] als schuldenaren en de eisers 3, 4 en 5 als onderzetters een hypothecaire geldlening op het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem hebben gevestigd ten behoeve van de ING Bank tot een bedrag € 150.000 in verband met een ontvangen geldlening ad € 68.000. De hypothecaire inschrijving in verband met de akte van 2 september 2002 (zie 2.8.1) is daarbij van rang gewisseld en tweede in rang geworden.

2.11.

[betrokkene 2] is in 2005 overleden. Daarna is [betrokkene 1]gehuwd met [Gedaagde 2].

2.12.

Op basis van een onderhandse overeenkomst van geldlening heeft de ING Bank aan [Eiseres 1] en [alles eisers] op 21 mei 2007 een hoofdsom van € 30.000 verstrekt (prod. 9 [alles eisers] c.s.). Het bedrag is overgemaakt op postrekeningnummer 124290.

2.13.

Vanaf februari 2010 woonde [betrokkene 1]in een verzorgingshuis en heeft [Gedaagde 2] een andere woning betrokken. Het huis aan de [adres 2]te Gorinchem is door [alles eisers] c.s. verhuurd aan een derde.

2.14.

[betrokkene 1](hierna ook: erflater) is op 31 juli 2010 overleden. Uit de verklaring van erfrecht (prod. 10 [alles eisers] c.s.) blijkt dat hij als zijn enige erfgenamen heeft achtergelaten [Gedaagde 2] en [Eiseres 1], ieder voor de helft van zijn nalatenschap. De wettelijke verdeling als bedoeld in Boek 4 BW is van toepassing zodat [Gedaagde 2] op het moment van overlijden van erflater van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkregen en komen de schulden van de nalatenschap voor haar rekening en is zij verplicht deze te voldoen.

[Gedaagde 2] en [Eiseres 1] hebben allebei de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2.15.

De vereffenaar heeft op 8 mei 2012 het volgende aan de rechtbank bericht (prod. 12 [alles eisers] c.s.):

“Bij beschikking (…) ben ik benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van de heer [betrokkene 1]. (…)

Deze benoeming heeft plaatsgevonden zonder enig vooroverleg met mij waardoor ik enigszins verrast was toen de advocaat van de dochter van overledene zich bij mij op kantoor meldde. Ik heb het dossier bestudeerd en heb vastgesteld dat op de nalatenschap conform het testament van overledene de wettelijke verdeling van toepassing is ten gunste van de weduwe van erflater. Kort gezegd de nalatenschap is reeds van rechtswege verdeeld en er valt niets te vereffenen.

Het enige wat dient te gebeuren is het vaststellen van de vordering van de dochter en het eventueel uitkeren van het erfdeel uit de eerdere nalatenschap van haar moeder.

Ik heb dit alles partijen kenbaar gemaakt waarbij ik heb aangegeven een poging te willen wagen tot het bepalen van het saldo van de nalatenschap per sterfdatum.

Uit de aangeleverde stukken bleek er geen vordering van de dochter te bestaan uit de eerste nalatenschap. Voorts is er sprake van allerlei vorderingen/schulden over en weer, waarbij partijen lijnrecht tegenover elkaar staan waar het betreft de omvang danwel het bestaan van de schulden/vorderingen. Uit de aanleverde stukken blijkt mij niet voldoende wie waar nu recht op heeft.

Ik acht het niet mijn taak om de vorderingen en schulden tussen partijen vast te stellen, dit lijkt mij werk voor de nu reeds betrokken advocaten en eventueel de Rechter.

Ik verzoek u derhalve mij te ontslaan van uit mijn functie tot vereffenaar aangezien er geen vereffening behoeft plaats te vinden en het overigens niet in mijn macht ligt partijen op een lijn te brengen.”

3 Het geschil

3.1.

[alles eisers] c.s. vordert  samengevat - dat de rechtbank

I. jegens de vereffenaar vaststelt de hoogte van de vorderingen van [alles eisers] c.s. op de nalatenschap van erflater en deze te bepalen op € 215.762;

II. [Gedaagde 2] veroordeelt om aan [Eiseres 1] te betalen het bedrag van € 260.788,65;

III. [Gedaagde 2] veroordeelt om aan [Eiseres 1] en [alles eisers] te betalen het bedrag van € 76.473,35

IV. primair:

bepaalt dat vonnis dezelfde kracht heeft als een akte strekkende tot overdracht van de vordering van [Gedaagde 2] op de eisers 3 tot en met 5 aan [Eiseres 1], waarbij de waarde van deze vordering zal worden gesteld op de nominale waarde ad € 242.250, zulks ter gedeeltelijke betaling van het onder II gevorderde en derhalve met verrekening van de vordering van [Eiseres 1] en [alles eisers] met de vordering van [Eiseres 1] op [Gedaagde 2] met de vordering van [Gedaagde 2] op [Eiseres 1] ad € 242.250;

subsidiair:

[Eiseres 1] als vertegenwoordiger voor de vereffenaar en [Gedaagde 2] aanwijst en bepaalt dat zij namens de vereffenaar en [Gedaagde 2] bij akte zal meewerken aan de overdracht van de vordering van [Gedaagde 2] op de eisers 3 tot en met 5 aan [Eiseres 1], waarbij de waarde van deze vordering zal worden gesteld op de nominale waarde ad € 242.250, zulks ter gedeeltelijke betaling van het onder II gevorderde en derhalve met verrekening van de vordering van [Eiseres 1] en [alles eisers] met de vordering van [Eiseres 1] op [Gedaagde 2] met de vordering van [Gedaagde 2] op [Eiseres 1] ad € 242.250;

meer subsidiair:

de vereffenaar en [Gedaagde 2] gebiedt om bij akte mee te werken aan de overdracht van de vordering van [Gedaagde 2] op de eisers 3 tot en met 5 aan [Eiseres 1], waarbij de waarde van deze vordering zal worden gesteld op de nominale waarde ad € 242.250, zulks ter gedeeltelijke betaling van het onder II gevorderde en derhalve met verrekening van de vordering van [Eiseres 1] en [alles eisers] met de vordering van [Eiseres 1] op [Gedaagde 2] met de vordering van [Gedaagde 2] op [Eiseres 1] ad € 242.250,

zulks op straffe van een aan [alles eisers] c.s. te verbeuren dwangsom van € 10.000 per dag;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

eventueel onder zodanige voorwaarden als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

V. primair:

bepaalt dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een akte als bedoeld in artikel 3:271 lid 1 BW dan wel als bedoeld in artikel 3:28 lid 1 BW , waarbij door de vereffenaar en [Gedaagde 2] de verklaring wordt afgegeven strekkende tot doorhaling in openbare registers van de inschrijving van de hypotheek gevestigd op het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem;

subsidiair:

[Eiseres 1] aanwijst als vertegenwoordiger voor de vereffenaar en [Gedaagde 2] en bepaalt dat zij namens hen bij akte als bedoeld in artikel 3:271 lid 1 BW dan wel als bedoeld in artikel 3:28 lid 1 BW de verklaring zal kunnen afgeven strekkende tot doorhaling in openbare registers van de inschrijving van de hypotheek gevestigd op het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem;

meer subsidiair:

de vereffenaar en [Gedaagde 2] gebiedt om bij akte als bedoeld in artikel 3:271 lid 1 BW dan wel als bedoeld in artikel 3:28 lid 1 BW de verklaring af te geven strekkende tot doorhaling in openbare registers van de inschrijving van de hypotheek gevestigd op het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem;

zulks op straffe van een aan [alles eisers] c.s. te verbeuren dwangsom van € 10.000 per dag;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

eventueel onder zodanige voorwaarden als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

VI. de vereffenaar en [Gedaagde 2], althans [Gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van de procedure, althans deze kosten te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.2.

[alles eisers] c.s. stelt daartoe dat de totale schulden van de door het overlijden van erflater ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bedroegen:

€ 214.015 vordering van [Eiseres 1] (1996);

€ 18.151 vordering van [Eiseres 1] (1996);

€ 101.358 vordering van [Eiseres 1] (1997);

€ 68.000 vordering van [alles eisers] en [Eiseres 1] (2005), en

€ 30.000 vordering van [alles eisers] en [Eiseres 1] (2007),

ofwel in totaal € 431.524.

3.2.1.

Krachtens huwelijksgoederenrecht is [Gedaagde 2] gehouden tot betaling van de helft van de schulden en krachtens erfrecht is zij gehouden tot betaling van de andere helft tot het bedrag aan baten in de nalatenschap. Tot die baten behoort in ieder geval de helft van de vordering op de eisers 3, 4 en 5 (de kleinkinderen) ad € 242.250 ofwel € 121.125.

Derhalve is [Gedaagde 2] gehouden tot betaling aan [alles eisers] en [Eiseres 1] (½ x € 431.524 =) € 215.762 plus € 121.125, ofwel in totaal € 336.887, uit te splitsen als volgt:

an [Eiseres 1] € 167.095,95 (zijnde een gedeelte van het bedrag van € 214.015), uitmakende 49,6% van € 336.887;

aan [Eiseres 1] € 14.149,25 (zijnde een van gedeelte van het bedrag van € 18.151), uitmakende 4,2% van € 336.887;

aan [Eiseres 1] € 79.168,45 (zijnde een gedeelte van het bedrag van € 101.358), uitmakende 23,5% van € 336.887;

aan [alles eisers] en [Eiseres 1] € 53.228,15 (zijnde een gedeelte van het bedrag van € 68.000), uitmakende 15,8% van € 336.887, en

aan [alles eisers] en [Eiseres 1] € 23.245,20 (zijnde een gedeelte van het bedrag van € 30.000), uitmakende 6,9% van € 336.887.

Voorts is [Gedaagde 2] gehouden tot betaling van de helft van de kosten van de vereffenaar ad € 750, die geheel door [Eiseres 1] zijn voorgeschoten, dus een bedrag van € 375.

3.2.2.

Daarmee komt de vordering van [Eiseres 1] op een totaal bedrag van € 260.788,65 (a, b, c en € 375) en de vordering van [alles eisers] en [Eiseres 1] tezamen op € 76.473,35 (d en e).

3.3.

[Gedaagde 2] voert hiertegen aan dat de gepretendeerde leningen onbepaalbaar zijn. Zij vermoedt dat er sprake is van familietransacties op papier. Feitelijk zijn er door [alles eisers] c.s. nooit gelden aan [betrokkene 1]ter beschikking gesteld.

4 De beoordeling

De vorderingen van [Eiseres 1] op [Gedaagde 2]

4.1.

[Eiseres 1] stelt 3 vorderingen op [Gedaagde 2] te hebben, te weten een vordering tot een bedrag van € 214.015 op grond van de akte van 21 mei 1996 (zie 2.3), een bedrag van € 18.151 op grond van de onderhandse akte van 21 mei 1996 (zie 2.4) en een bedrag van € 101.358 op grond van de transactie in 1997 die is verwoord in de akte van 2 september 2002 (zie 2.7).

4.1.1.

Ten aanzien van deze vorderingen wordt voorop gesteld dat [Eiseres 1] ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft erkend dat zij de facto geen geldbedragen aan haar ouders ter beschikking heeft gesteld. Erflater wilde zijn vermogen door middel van de constructies veilig stellen omdat hij bang was aansprakelijk te worden gesteld in verband met een door hem in België veroorzaakt verkeersongeluk met dodelijke afloop, aldus [Eiseres 1]. Nu [Eiseres 1] geen geld heeft geleend aan haar ouders en daarmee aan haar verbintenis uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten, te weten het ter beschikking stellen van gelden niet heeft voldaan, is er geen rechtsgrond op grond waarvan [Gedaagde 2] gehouden is om bedoelde bedragen terug te betalen.

4.1.2.

Daar komt nog bij dat de transacties in 1996 en 1997 onbegrijpelijk zijn. De ouders van [Eiseres 1] c.s. doen in die akten afstand van het recht van vruchtgebruik op de respectieve koopsommen, waardoor [Eiseres 1] in volle eigendom verkrijgt. Vervolgens verstrekt [Eiseres 1] als “tegenprestatie”, ten titel van zaaksvervanging, een geldlening aan haar ouders. Echter, als tegenprestatie voor de afstand van het vruchtgebruik had [Eiseres 1] de waarde van het vruchtgebruik behoren te betalen aan haar ouders. Echter, nu heeft zij een (fictieve (zie 4.1.1) vordering op hen verkregen.

4.1.3.

Bovendien heeft [Eiseres 1] ten aanzien van de onderhandse geldlening van € 18.151 in de dagvaarding gesteld dat haar ouders de blote eigendom van het niet verkochte deel van het kadastrale perceel met nummer 305 van haar hebben teruggekocht voor dit bedrag en dat zij dit bedrag van haar hebben geleend.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [Eiseres 1] betoogd dat dit eigenlijk een schenking was omdat [Eiseres 1] steeds aan de diverse akten c.q. constructies had willen meewerken.

Echter, uit de door [Eiseres 1] zelf overgelegde afrekening van de notaris (zie 2.5), blijkt dat zulks niet het geval was. Immers, in die afrekening wordt verwezen naar de onderhandse schuldbekentenis ad f 40.000 met als omschrijving ‘wegens het schuldig blijven van de koopsom van de bouwkavel door [beide betrokkenen] te Gorinchem’. Dit bevestigt het eerder door [Eiseres 1] in de dagvaarding ingenomen standpunt. Echter, zoals hiervoor reeds is overwogen heeft [Eiseres 1] tevens erkend dat zij feitelijk geen geld heeft geleend aan haar ouders maar dat het een constructie betrof teneinde er voor zorg te dragen dat het leek alsof erflater niet over vermogen beschikte.

4.1.4.

Overigens wordt terzake nog overwogen dat de (fictieve) geldleningen ad respectievelijk € 214.015 en € 101.358, ofwel in totaal € 315.373,19 ook in de akte van 2 september 2002 (zie 2.8.1) worden genoemd.

In die akte staat vermeld dat [Eiseres 1] deze bedragen aan haar ouders heeft geleend en dat ter zake van een gedeelte van gemeld bedrag thans een overeenkomst van geldlening met hypotheek wordt gesloten voor een bedrag van € 242.250 met eisers 3, 4 en 5 als schuldenaren en [Eiseres 1] en haar ouders tezamen als schuldeisers. Ook deze constructie is onbegrijpelijk. Waar erflater en zijn echtgenote erkennen schuldenaren te zijn voor een bedrag van € 315.373,19, zijn zij vervolgens - in één pennestreek – voor € 242.250 tezamen met [Eiseres 1] schuldeiser geworden.

Daar komt nog bij dat de koopsom ad € 227.000 kennelijk door erflater aan de verkoper van het woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem is voldaan, nu gesteld noch gebleken is dat [Eiseres 1] dit heeft gedaan doch wel vaststaat dat erflater een overbruggingslening bij de ING Bank ad € 251.600 was aangegaan die hij op 3 januari 2003 uit de opbrengst van de Concordiaweg 35 te Gorinchem (ad € 700.000) heeft afgelost (zie 2.9).

4.1.5.

Tegen de vordering tot betaling van € 375 heeft [Gedaagde 2] geen verweer gevoerd, zodat dit onderdeel van de vordering van [Eiseres 1] zal worden toegewezen.

4.1.6.

Gezien het hiervoor overwogene zal de vordering van [Eiseres 1] op [Gedaagde 2] voor een bedrag van € 375 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele betaling, nu tegen de rentevordering geen verweer is gevoerd.

De vordering van [alles eisers] en [Eiseres 1] op [Gedaagde 2]

4.2.

Op het door de ouders van [Eiseres 1] en later door erflater en [Gedaagde 2] bewoonde woonhuis aan de [adres 2]te Gorinchem, is een hypotheek gevestigd met [alles eisers] en [Eiseres 1] als schuldenaren ten behoeve van de ING Bank, welke bank op basis van geldleningen een bedrag van € 68.000 en een bedrag van € 30.000 heeft uitgekeerd. [alles eisers] en [Eiseres 1] stellen dat zij uit dien hoofde een vordering hebben op [Gedaagde 2] van € 76.473,35.

4.2.1.

[alles eisers] en [Eiseres 1] stellen dat van de genoemde € 68.000 aan erflater € 42.000 is uitgekeerd en dat het resterende bedrag is verrekend met vorderingen die [alles eisers] resp. zijn B.V. op erflater hadden. Genoemde € 30.000 (verminderd met de afsluitprovisie) is direct op de rekening van erflater voldaan. Ter onderbouwing van Pelgrums stelling dat hij vorderingen op erflater had, heeft hij een rekeningafschrift ten name van zijn (toenmalige) accountantskantoor overgelegd. Uit dit afschrift blijkt dat van die rekening een spoedoverboeking van € 4.000 is gedaan aan erflater op 18 mei 2005, aldus nog steeds [alles eisers] en [Eiseres 1].

4.2.2.

[Gedaagde 2] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen erkend dat zij en erflater rente betaalden ad € 210 of € 220 per maand over de geleende € 42.000. Later is het te betalen bedrag gestegen naar € 450 a € 500, aldus [Gedaagde 2].

4.2.3.

De betreffende geldleningen bij de ING Bank zijn in 2005 en 2007 aangegaan. De rechtbank gaat uit van de destijds door de banken gehanteerde Hypotheekrente ad (ca) 4 resp. 5 procent. Een rente van 4% over € 68.000, betekent een maandlast van € 227; diezelfde rente over € 42.000 zou een maandlast van € 140 met zich brengen. Gelet op de door [Gedaagde 2] zelf genoemde maandlast, wordt ervan uitgegaan dat erflater, via [alles eisers] en [Eiseres 1], € 68.000 heeft geleend.

4.2.4.

Ten aanzien van het bedrag van € 30.000 wordt overwogen dat [alles eisers] en [Eiseres 1] de afrekening van de ING Bank terzake hebben overgelegd en niet weersproken hebben gesteld dat dit bedrag door de ING Bank rechtstreeks op de girorekening van erflater is gestort. Daarbij komt nog dat [Gedaagde 2] heeft erkend dat de maandlasten zijn gestegen, hetgeen duidt op een verhoging van het geleende bedrag.

4.2.5.

Gelet op het vorenstaande is de vordering van [alles eisers] en [Eiseres 1] terzake van de hypothecaire geldlening van de ING Bank op erflater c.q. zijn nalatenschap c.q. [Gedaagde 2] vast komen te staan. Het gevorderde bedrag ad € 76.473,35 zal worden toegewezen te vermeerden met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding nu tegen de rentevordering geen verweer is gevoerd.

4.3.

De vordering onder IV en V zullen worden afgewezen nu bij de formulering tot uitgangspunt is genomen dat de vordering onder II (vrijwel) integraal zal worden toegewezen.

De tegen de vereffenaar ingestelde vorderingen.

4.4.

Nu [alles eisers] c.s. aan zijn vordering jegens de vereffenaar niets ten grondslag heeft gelegd, ziet de rechtbank niet in op grond waarvan zij de vordering jegens hem dient toe te wijzen. Daar komt nog bij dat [alles eisers] c.s. geen belang heeft bij zijn vordering, gelet op de - door hem overgelegde - brief van de vereffenaar (zie 2.15). De vereffenaar verzoekt in die brief aan de rechtbank om hem te ontslaan en de vereffenaar schrijft dat hij het niet zijn taak acht om de vorderingen en schulden tussen partijen vast te stellen. Nu dit laatste in deze procedure geschiedt, is het belang van [alles eisers] c.s. bij zijn vordering niet komen vaststaan.

Proceskosten

4.5.

Nu [alles eisers] c.s. en [Gedaagde 2] over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld en gelet op de (familie)relatie tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [Gedaagde 2] om aan [Eiseres 1] te betalen een bedrag van € 375, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;

veroordeelt [Gedaagde 2] om aan [alles eisers] en [Eiseres 1] tezamen te betalen een bedrag van € 76.473,35, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen [alles eisers] c.s. en [Gedaagde 2], zodat ieder van hen de eigen kosten zal dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.

type: 2294

coll:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature