Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Alimentatieverplichting en lotsverbondenheid. Alimentatieverplichting in combinatie met het recht op een bruidsschat

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 22 februari 2010

Zaak- / Rekestnummer: 321678 / F1 RK 08-3445

Zaak- / Rekestnummer: 338296 / F1 RK 09-2161

Beschikking in de zaak van:

[mevrouw]

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. D.H. Bialkowski te Amsterdam,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. J. Heinrici.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 30 september 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de behandeling van de zaak ten aanzien van de overige verzoeken aangehouden tot de zitting van woensdag 9 december 2009.

Bij brief van 26 november 2009 heeft de man zijn verzoeken in het kader van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden aangevuld.

Bij brief van 1 december 2009 heeft de vrouw haar verzoek aangevuld en daarbij verzocht te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van de echtscheiding tussen partijen naar kerkelijk recht.

De zaak is wederom behandeld op 9 december 2009.

Partijen en hun raadslieden zijn ter zitting verschenen.

Van de zijde van de man is nog een brief met een bijlage ingekomen, gedateerd

10 december 2009.

2. De vaststaande feiten

Sinds eind juli 2008 leven partijen feitelijk gescheiden van elkaar.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 30 september 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

Partijen sloten, ten overstaan van notaris mr. J.T.H. Leijser, huwelijkse voorwaarden waarin ondermeer het volgende werd bepaald:

Artikel 2

1. Er zal tussen de echtgenoten uitsluitend een gemeenschap van inboedel bestaan. …

2. Tot de gemeenschap van inboedel behoren alle zaken van de echtgenoten, onverschillig door wie, wanneer of op welke wijze verkregen, alsmede hetgeen voor die zaken in de plaats treedt, mits het inboedel is. Van de gemeenschap van inboedel zijn uitgesloten die zaken die als aanbreng van een echtgenoot op de hierna te noemen staat van aanbrengsten vermeld zijn, alsmede die inboedelzaken die zijn of worden verkregen krachtens erfrecht en/of schenking (en al hetgeen daarvoor in de plaats komt) alsmede de vruchten daarvan (en al hetgeen daarvoor in de plaats komt).

3. Onder inboedel wordt verstaan het geheel van huisraad en tot stoffering en meubilering van de woning van de echtgenoten dienende roerende zaken, één en ander als bedoeld in artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek echter met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard. …

Artikel 4

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van de man….

2. …Bij echtscheiding zal de echtelijke woning toekomen aan de vrouw, die vanaf dat moment verplicht zal zijn de rente en aflossing van de hypothecaire geldlening ten behoeve van de woning voor haar rekening te nemen.

Artikel 7

2. In geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed zal de man verplicht zijn om aan de vrouw en kinderen alimentatie te voldoen. …

4. De vrouw komt ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, onafhankelijk en geheel losstaand van een (eventueel) recht op alimentatie en de hoogte daarvan, een bedrag toe te betalen door de man zulks op basis van het recht op “mahr” van de Shia Islam. De man en de vrouw stellen dit bedrag vast op één en veertigduizend zevenhonderd zes en tachtig Euro (€ 41.786,-).

Ten aanzien van de man

Hij is 35 jaar. Hij is alleenstaand.

Hij ontving tot 30 november 2009 een WW-uitkering van € 2.711,58 bruto per maand. Vanaf die datum ontvangt hij een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand.

Ten aanzien van de vrouw

Zij is 32 jaar. Zij is alleenstaand.

Zij ontvangt een bruto maandinkomen uit dienstbetrekking van € 2.145,60.

3. De beoordeling

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 30 september 2009.

In geschil zijn:

het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel;

het levensonderhoud;

de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waaronder begrepen het recht op de “Mahr”;

de echtscheiding naar kerkelijk (naar de rechtbank begrijpt: religieus) recht;

de wettelijke rente berekend over hetgeen de vrouw van de man vordert.

3.1. Het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel

De man heeft verzocht de vrouw in haar verzoeken met betrekking tot de echtelijke woning en de inboedel niet-ontvankelijk te verklaren. Partijen zijn het erover eens dat de eigendom van deze woning de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen toekomt.

Ter zitting van 9 december 2009 hebben partijen overeenstemming bereikt over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw. Daarom zal worden bepaald dat de vrouw, jegens de man bevoegd is de bewoning na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, voort te zetten. De inboedel, welke zich in de woning bevindt, behoort op grond van de huwelijkse voorwaarden aan partijen gezamenlijk toe. Daarom zal, gezien de strekking van artikel 1:175 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) ten aanzien van die inboedel worden bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot het gebruik daarvan gedurende maximaal zes maanden na de inschrijving van de beschikking dan wel tot aan het moment - wanneer dit moment is gelegen binnen de periode van zes maanden hier bedoeld - waarop die inboedel is verdeeld, zulks tegen een redelijke vergoeding, welke thans op nihil wordt gesteld.

3.2. Het levensonderhoud

De vrouw heeft verzocht om ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen. Zij heeft daartoe gesteld dat de behoefte op grond van de huwelijkse welstand is te bepalen op € 4.742,73 bruto per maand. Dit bedrag is de optelsom van het bruto-inkomen van de vrouw verhoogd met een bedrag van € 2.405,50, zijnde het bruto-equivalent van een bedrag van € 1.700,-, welk bedrag volgens de vrouw de man, op grond van artikel 4 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden maandelijks aanwendde ten behoeve van haar levensonderhoud.

Gelet op deze behoefte en gezien haar eigen bruto maandinkomen verzoekt de vrouw een alimentatiebedrag van € 2.405,05 per maand vast te stellen.

Bij brief van 31 augustus 2009 heeft de vrouw haar standpunt gewijzigd in die zin dat zij gemotiveerd heeft verzocht het alimentatiebedrag vast te stellen op € 2.665,- bruto per maand welk bedrag, aldus de vrouw, overeenkomt met een netto-behoefte van € 1.503,- in aanvulling op haar eigen inkomen.

De man stelt primair dat de lotsverbondenheid tussen partijen die ten grondslag ligt aan een alimentatieverplichting niet meer bestaat nu de vrouw ten onrechte aangifte van verkrachting tegen hem heeft gedaan en dat hij daarom geen alimentatieverplichting jegens de vrouw meer heeft.

Daarnaast stelt hij dat de alimentatieverplichting naar Nederlands recht moet worden vastgesteld en dat daarom de “Mahr”, de bruidsgave, gekwalificeerd moet worden als een alimentatieovereenkomst in de zin van artikel 1:401 BW . Hiermee verdraagt zich niet, aldus de man, dat ook nog een alimentatieverplichting wordt opgelegd.

In dit verband wijst de man erop dat hij in eerste instantie een concept-akte huwelijkse voorwaarden van de notaris heeft ontvangen, vertaald in het Engels, waar alleen de Mahr in voorkwam en niet een alimentatieverplichting. Pas in een tweede, niet vertaalde, versie is op verzoek van de vrouw die verplichting toegevoegd.

De man heeft in dit verband nog gesteld dat hij niet op de hoogte was van een wijziging van de concept-akte huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft dit laatste eveneens betwist onder overlegging van een schrijven van notaris mr. J. Th. H. Leijser van 10 augustus 2009.

Voorts stelt de man dat de vrouw geen behoefte heeft aan alimentatie omdat zij zelf in haar levensonderhoud kan voorzien.

Er werd ten tijde van het huwelijk uitsluitend geleefd van het inkomen van de man. De vrouw betaalde alleen de helft van de woonlasten en haar eigen kleding. De behoefte van de vrouw bestaat derhalve uit 60 procent van het destijds genoten inkomen van de man met een correctie voor haar bijdrage in de woonlasten, aldus de man.

Tenslotte stelt de man dat hij geen draagkracht heeft om alimentatie te voldoen.

Een uitkering tot levensonderhoud kan, op verzoek van een echtgenoot die niet zelf in het eigen levensonderhoud kan voorzien, door de rechter ten laste van de andere echtgenoot worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte van de één en de draagkracht van de ander.

Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken in die zin dat geen alimentatie verschuldigd is op grond van gedragingen van de alimentatieverzoekende partij. Het moet dan gaan om gedragingen van die alimentatieverzoekende partij die als een in ernstige mate laakbare levenswandel kunnen worden omschreven of die door de andere partij als ernstig grievend worden ervaren waardoor in redelijkheid van deze partij niet meer gevergd kan worden dat alimentatie wordt voldaan.

De rechtbank begrijpt de man zo dat hij zich ernstig gegriefd voelt door de aangifte van verkrachting die de vrouw tegen hem heeft gedaan, welke beschuldiging hij van de hand wijst. In dit verband heeft de man aangevoerd dat de zaak tegen hem door de officier van justitie is geseponeerd.

Wanneer de beschuldiging van de vrouw met betrekking tot de gestelde verkrachtingen onwaar is, kan dat, onder omstandigheden, reden zijn de alimentatieverplichting van de man jegens haar te beperken of zelfs op nihil te stellen. Of de beschuldiging van de man onwaar is, is door de rechtbank thans niet vast te stellen. De omstandigheid dat de man door het openbaar ministerie niet wordt vervolgd, betekent nog niet dat de vrouw een valse aangifte heeft gedaan. Nu derhalve niet vaststaat dat de man ten onrechte is beschuldigd en of hij zich terecht ernstig gegriefd acht, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat gewezen echtgenoten tegenover elkaar gehouden zijn in het levensonderhoud bij te dragen.

Ten aanzien van de vraag of de “Mahr” moet worden gezien als een alimentatie-overeenkomst heeft de man gesteld dat zulks het geval is, als gevolg waarvan niet ook een andere alimentatieverplichting kan worden opgelegd. De vrouw heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.

In dit verband is de inhoud van de akte van huwelijkse voorwaarden van belang. In die akte is in artikel 7 lid 4 nadrukkelijk gesteld dat de man gehouden is alimentatie te voldoen naast het uitkeren van een bedrag op grond van het recht op “Mahr”. Dat naar Nederlands gebruik, alsook, aldus de man, naar Pakistaans gebruik het ongewoon is zowel alimentatie als een “Mahr” te bedingen, doet niet af aan de afspraken die partijen op dit punt in hun huwelijkse voorwaarden hebben vastgelegd. Nu partijen die afspraken aldus hebben gemaakt en daarbij het recht op de alimentatie en het recht op “Mahr” nadrukkelijk hebben onderscheiden, is er geen sprake van dat het recht op de “Mahr” moet worden gezien als een afspraak in het kader van voldoening van een onderhoudsbijdrage.

Het standpunt van de man dat hij niet op de hoogte was van de wijziging in de akte huwelijkse voorwaarden en daarom niet is gehouden zowel een Mahr als alimentatie te voldoen, wordt verworpen. In het schrijven van notaris mr. J. Th. H. Leijser van 10 augustus 2009 (productie 4 bij brief van 31 augustus 2009) geeft deze notaris aan ook de gewijzigde akte uitgebreid met partijen te hebben doorgenomen ten tijde van de ondertekening van die akte. Ook de akte zelf - de laatste alinea - vermeldt dat haar inhoud met partijen is besproken waarna zij is ondertekend. Door de man is niet betwist dat hij daarbij aanwezig is geweest. Nu het hier een authentieke akte betreft, bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en de man niet uitdrukkelijk heeft aangeboden tegenbewijs tegen de inhoud van deze akte te leveren, wordt van de juistheid van deze akte uitgegaan.

Gelet op het inkomen van de vrouw, het feit dat zij werkzaam is naar een deeltijdfactor van 0,8 en de levensstandaard van partijen ten tijde van het huwelijk, welke standaard was gebaseerd op twee inkomens, staat voldoende vast dat de vrouw niet volledig in haar eigen behoefte kan voorzien.

Die behoefte bepaalt de rechtbank door het netto-gezinsinkomen ten tijde van samenleving vast te stellen en daar een bedrag van 60 procent van te bepalen, nu een alleenstaande meer kosten heeft dan een samenwoner.

Het netto-inkomen van de man bedroeg, zou blijkt uit een loonspecificatie van december 2008 € 2.790,-, te vermeerderen met een percentage aan vakantietoeslag tot € 2.929,- en van de vrouw, zoals onbetwist is gesteld, € 1868,-. Het totaal netto gezinsinkomen bedroeg derhalve € 4.797,-. Zestig procent daarvan is € 2.878,-. Gelet op haar eigen inkomen van

€ 1.868,- ontbreekt het de vrouw, teneinde volledig in haar behoefte te voorzien, aan een bedrag van € 1010,- netto per maand.

Dat partijen ten tijde van de samenwoning afspraken hadden over de wijze van besteding van hun beider inkomens doet aan het voorgaande niet af.

De man ontvangt thans, zoals onbetwist is gesteld, een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen. Gelet op de door man opgevoerde lasten, is hij met een inkomen op bijstandniveau niet in staat bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Dat de man in staat is op korte termijn werk te vinden waarbij hij een inkomen genereert op het niveau van zijn vorige betrekking acht de rechtbank, gezien de consultancy-branche waarin de man werkzaam was en de huidige economische crisis, niet aannemelijk.

Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man, zal daarom worden afgewezen.

3.3. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

Ter zitting van 9 december 2009 is gebleken dat partijen het eens zijn over 4 september 2008 als de datum waarop omvang en waarde van de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap moeten worden vastgesteld.

In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen het er over eens dat de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire verplichtingen aan de vrouw toekomen.

In het geding zijn:

3.3.1. de inboedel;

De tussen partijen bestaande huwelijkse voorwaarden bepalen in artikel 2 dat er een beperkte gemeenschap is van inboedel. Die inboedel bestaat uit de huisraad en de tot stoffering en meubilering dienende roerende zaken aanwezig in de echtelijke woning. Nu niet is gesteld of gebleken dat er roerende zaken in de woning aanwezig zijn, anders dan boekerijen en persoonlijke bezittingen, die niet tot die gemeenschap behoren, zijn de roerende zaken, uitgezonderd boeken en persoonlijke bezittingen, zoals in de woning aanwezig op de peildatum, eigendom van partijen gezamenlijk.

Partijen twisten over de vragen wat deze inboedel per peildatum waard was, wie welke bestanddelen van de inboedel thans onder zich heeft en zelfs over de vraag aan wie deze inboedelzaken moeten worden toebedeeld.

Daarom zal partijen elk worden verzocht een gedetailleerd en uitputtend overzicht te overleggen van die inboedel per peildatum, bestaande uit een opsomming van alle zaken tot de inboedel behorend, hun waarde per peildatum en de opmerking wie van partijen die zaken thans onder zich heeft en aan wie zij zouden moeten worden toegedeeld. Alles steeds zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken.

3.3.2. boekjes van lonely Planet en Roman Shantaram;

Door de man is niet betwist dat deze boeken toebehoren aan de vrouw. Nu deze boeken, gelet op het bepaalde in artikel 2 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, niet vallen in de beperkte gemeenschap, kunnen zijn niet door de rechtbank aan één der partijen worden toe gedeeld. Zij behoren toe aan de vrouw.

3.3.3. de Mahr;

Onder het kopje “het levensonderhoud” is reeds aangegeven dat niet voldoende is gebleken van omstandigheden, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de man niet gehouden is alimentatie aan de vrouw te voldoen omdat zij tegenover hem grievend of laakbaar heeft gehandeld. Door de man zijn geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij niet gehouden is de bij huwelijkse voorwaarden gemaakte afspraken na te komen.

Gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 2 van die voorwaarden is de vrouw derhalve gerechtigd tot een Mahr groot € 41.786,- aan haar door de man te voldoen.

3.3.4. de levensverzekering bij Nationale Nederlanden [polisnummer];

De man wenst de waarde van deze polis met de vrouw te delen, omdat naar zijn mening deze polis in de beperkte gemeenschap valt. De vrouw stelt dat de polis aan haar toekomt zonder nadere verrekening. De polis staat, zo blijkt uit productie 11 bij brief van 31 augustus 2009 van de vrouw, uitsluitend op naam van de vrouw.

In de huwelijkse voorwaarden is aangegeven dat de beperkte gemeenschap uitsluitend uit de inboedel van de echtelijke woning bestaat. Voor het standpunt van de man dat de polis in een beperkte gemeenschap valt, zijn geen aanknopingspunten te vinden. De polis is derhalve niet voor verdeling vatbaar. Zij komt toe aan de vrouw zonder nadere verrekening.

3.3.5. het saldo van de gezamenlijke [bankrekeningnummer];

Het saldo van deze bankrekening per peildatum 4 september 2008 komt partijen elk voor de helft toe.

Aldus zal worden bepaald.

3.3.6. de schuld aan de vereniging van eigenaren;

Als niet weersproken staat vast dat de vereniging van eigenaren van het complex waartoe de echtelijke woning behoort, een vordering groot € 577,05 ter zake achterstallige eigenarenbijdrage heeft ingesteld. De vrouw stelt dat deze vordering is ingesteld over het kalenderjaar 2003. De vrouw heeft haar standpunt niet onderbouwd of nader gemotiveerd. De man stelt dat het een vordering betreft betrekking hebbend op de periode na zijn vertrek uit de echtelijke woning. Productie 7 bij brief van 4 september 2009 van de man geeft aan dat de vordering van in hoofdsom € 317,04 is berekend over de periode tot 1 augustus 2009

en dat steeds een maandtermijn verschuldigd was van € 91,93. Gelet op de inhoud van deze productie is voldoende aannemelijk dat de vordering ziet op de periode na het vertrek van de man uit de echtelijke woning. Gelet op dit vertrek kunnen deze kosten niet meer worden gerangschikt onder de kosten van de gezamenlijke huishouding en komen zij voor rekening van de vrouw die de echtelijke woning is blijven bewonen.

Bepaald zal worden dat de vrouw gehouden is deze kosten te voldoen.

3.3.7. de schuld aan Orange;

Als niet, althans onvoldoende, weersproken staat vast dat Online Breedband b.v. (voorheen Orange breedband) een vordering groot € 292,29 ter zake achterstallige kosten voor een breedband aansluiting op het adres van de echtelijke woning heeft ingesteld over de periode nadat de man uit de echtelijke woning is vertrokken. Gelet op dit vertrek van de man kunnen deze kosten niet meer worden gerangschikt onder de kosten van de gezamenlijke huishouding en komen zij voor rekening van de vrouw die de echtelijke woning is blijven bewonen.

Bepaald zal worden dat de vrouw gehouden is deze kosten te voldoen.

3.3.8. persoonlijke foto’s in Pippi Langkous koffer;

Als onweersproken staat vast dat deze zaken de vrouw in eigendom toebehoren. Niet is gebleken dat de hier genoemde documenten mede worden bedoeld in de als productie 14 bij brief van 31 augustus 2009 overgelegde teksten. Nu de man betwist deze zaken nog onder zich te hebben en het tegendeel niet is gebleken of voldoende aannemelijk is geworden, zal de vordering van de vrouw tot afgifte worden afgewezen.

3.3.9. eigendomspapieren van de woning;

Niet is gebleken dat de hier genoemde documenten mede worden bedoeld in de als productie 14 bij brief van 31 augustus 2009 overgelegde teksten.

Nu de man betwist de eigendomspapieren van de echtelijke woning in zijn bezit te hebben en het tegendeel niet is gebleken of voldoende aannemelijk is geworden, kan het verzoek van de vrouw tot afgifte daarvan niet worden toegewezen.

3.3.10. op naam van de vrouw staande banksaldi;

Deze saldi behoren de vrouw toe en komen niet voor verdeling in aanmerking.

3.3.11. op naam van de man staande banksaldi;

Deze saldi behoren de man toe en komen niet voor verdeling in aanmerking.

3.3.12. kleding en lijfsieraden van de vrouw;

Deze zaken behoren de vrouw toe en komen niet voor verdeling in aanmerking.

3.3.13. kleding en lijfsieraden van de man;

Deze zaken behoren de man toe en komen niet voor verdeling in aanmerking.

3.3.14. huurrecht van de door de man bewoonde woning;

Dit recht komt de man toe en is niet voor verdeling vatbaar.

3.3.15. Spaarloonregeling bij Fortis [polisnummer 2];

Deze rekening staat op naam van de man en is niet voor verdeling vatbaar.

3.3.16. Aegon [polisnummer 3];

Deze rekening staat op naam van de man en is niet voor verdeling vatbaar.

3.3.17. FBTO-lening [rekeningnummer 2];

De vrouw stelt dat op enig moment de man op haar naam een lening heeft afgesloten bij de FBTO, welke lening oorspronkelijk € 8.000,- groot was en op de peildatum, 4 september 2008, bedroeg € 7.303,87. De vrouw stelt dat de rekening op haar naam werd gesteld omdat de man geen bedrag kon lenen gelet op zijn verblijfsstatus. Zij stelt voorts op verzoek van de man een bedrag van € 10.000,- te hebben overgemaakt naar een rekening van familie van de man. De man heeft, aldus de vrouw, de lening maandelijks afgelost door betaling van een bedrag aan de vrouw. De dag voor beëindiging van de relatie heeft de man € 4.000,- opgenomen van deze lening en de vrouw een bedrag van € 5.000,-.

De vrouw stelt voorts dat de man een schriftelijke verklaring heeft afgelegd (overgelegd als productie 18 bij de brief van 31 augustus 2009 van de vrouw) waarin hij heeft toegezegd de lening aan de vrouw terug te betalen.

De man stelt dat de vrouw een lening bij FBTO is aangegaan en niet hij. De lening valt niet in enige gemeenschap zodat de vrouw voor deze lening aansprakelijk is. De man erkent dat de vrouw geld heeft overgemaakt aan de vader van de man. De man betwist dat hij vlak voor het uiteengaan van partijen een bedrag van € 4.000,- heeft opgenomen (van het beschikbare bedrag) van die lening.

De man betwist de verklaring, door de vrouw overgelegd als productie 18 bij de brief van

31 augustus 2009, te hebben opgesteld. De man stelt dat de vrouw die verklaring heeft vervalst.

Tenslotte stelt de man dat hij vanaf 2004 steeds op de lening heeft afgelost vanaf de gemeenschappelijke rekening van partijen die door hem werd gevoed. De man meent deze aflossingen onverschuldigd te hebben gedaan. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw hem (kopieën van) afschriften van de bankafschriften van die rekening verstrekt vanaf 1 januari 2004.

Alvorens op dit punt te beslissen wenst de rechtbank nader door partijen te worden geïnformeerd.

De vrouw zal in dit verband als meest gerede partij worden verzocht aan de rechtbank en aan de man in kopie te overleggen:

alle rekeningafschriften die betrekking hebben op de FBTO-lening vanaf het sluiten van die lening tot 4 september 2008;

de overeenkomst van geldlening met de FBTO.

3.3.18. De kosten van de huishouding;

De vrouw stelt in haar brief van 31 augustus 2009 (punt 33) een vordering ter zake kosten van de huishouding groot € 1.503,- per maand te hebben “geparkeerd”. Nu deze vordering voorts niet uitdrukkelijk is opgenomen in enig petitum, zal aan deze vordering, zo zij al bestaat, voorbij worden gegaan.

3.3.19. Kosten Eneco;

De nota van Eneco ten bedrage van € 188,86 (productie 21 bij brief van 1 december 2009 van de vrouw) betreft een naheffing over de periode van 9 maart 2008 tot 16 januari 2009. Nu partijen niet hebben gesteld dat er twee vorderingen van Eneco bestaan, moet het ervoor worden gehouden dat de Eneco-vordering ten bedrage van € 265,86 die de man noemt - en waarover hij bij brief van 4 september 2009 een productie overlegt (productie 10) - de zelfde vordering betreft als waaraan de vrouw refereert. Als niet weersproken staat vast dat de man deze nota heeft voldaan. Nu de man in juli 2008 de echtelijke woning heeft verlaten en op dat moment de gemeenschappelijke huishouding feitelijke eindigde, is de man gehouden, op grond van artikel 4 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden de kosten tot aan dat moment te voldoen en is de vrouw verantwoordelijk voor de betaling van de nadien ontstane kosten. De rechtbank begroot, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de verdeling van deze kosten zo dat elke partijen de helft daarvan moet dragen hetgeen impliceert dat de vrouw aan de man een bedrag van € 132,93 dient te voldoen in het kader van de Eneco-vordering.

3.3.20. Gemeentelijke belasting

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem vergoedt een bedrag van € 160,- zijnde het deel van de factuur gemeentelijke belastingen (overgelegd als productie 11 bij de brief van 4 september 2009 van de man). Door de vrouw is niet weersproken dat dit deel van bedoelde factuur ziet op de periode nadat de man de echtelijke woning heeft verlaten. De vrouw is gehouden, nu er vanaf dat moment geen gemeenschappelijke huishouding meer bestond, deze kosten te dragen.

3.3.21. Teruggave belasting.

De man heeft gesteld ten onrechte een belastingteruggave van € 1.330,- te hebben ontvangen ter zake Hypotheekrente op de echtelijke woning. Hij stelt dit bedrag aan de vrouw te hebben voldaan, deels in het kader van verrekening met de alimentatiebetaling en deels door een tweetal stortingen van elk € 190,-. De betalingen worden door de vrouw erkend. Voorts stelt hij dat de belastingdienst het bedrag van hem heeft teruggevorderd omdat alleen de vrouw tot de ontvangst van genoemd bedrag gerechtigd was.

Door de vrouw is niet betwist dat de Belastingdienst het bedrag van € 1.330,- van de man heeft teruggevorderd en dat zij, alsnog, tot teruggave van dit bedrag door de Belastingdienst gerechtigd is.

Daarom zal worden bepaald dat de vrouw het onverschuldigd aan haar voldane bedrag van

€ 1.330,- aan de man dient te voldoen.

3.4. De echtscheiding naar kerkelijk recht.

De vrouw heeft verzocht dan wel gevorderd te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van de echtscheiding tussen partijen naar kerkelijk (naar de rechtbank begrijpt: religieus) recht, onder verbeurte van een dwangsom indien de man zijn medewerking zou weigeren. De vrouw grondt haar verzoek dan wel haar vordering op het bestaan van een onrechtmatige daad en schending van de zorgvuldigheidsnorm.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft aan welke nevenvoorzieningen in geval van echtscheiding door de rechter kunnen worden getroffen. Het bepalen dat een partij is gehouden mee te werken aan een echtscheiding naar religieus recht is daar niet uitdrukkelijk vermeld. Een dergelijk verzoek kan evenmin geacht worden te zijn bedoeld in het onder f. van genoemd wetsartikel bepaalde. Daar is immers vermeld dat de behandeling van het nevenverzoek niet tot onnodige vertraging mag leiden. Nu de rechtbank thans niet kan overzien wat de gevolgen zouden kunnen zijn van een eventuele toewijzing van het verzoek van de vrouw en daar dus aanvullend onderzoek voor nodig zou zijn, zou de behandeling van dit nevenverzoek onherroepelijk leiden tot vertraging van deze procedure.

Voor zover de vrouw haar verzoek baseert op de aanwezigheid van een onrechtmatige daad, had de vrouw de man bij dagvaarding in rechte moeten betrekken, nu de verzoekschriftprocedure daarvoor niet de ruimte biedt. De rechtbank ziet geen mogelijkheid tot toepassing van het bepaalde in artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nu de vordering dan wel het verzoek in deze alinea bedoeld niet op zichzelf staat en de overige verzoeken bij verzoekschrift in deze procedure aangebracht, zich naar hun aard niet lenen voor behandeling in een dagvaardingsprocedure.

3.5 de wettelijke rente

De vrouw vordert de wettelijke rente over hetgeen de man aan haar verschuldigd is vanaf de vijftiende dag nadat de beschikking is gewezen. De wettelijke rente is verschuldigd over die bedragen ten aanzien waarvan de man op enig moment in verzuim is. Die omstandigheid treedt in op het moment dat de man op de hoogte is, of had kunnen zijn, van de inhoud van deze beschikking. Niet staat vast dat daarvan sprake is op de vijftiende dag nadat deze beschikking is gewezen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4. De beslissing

Bepaalt dat de vrouw, jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, voort te zetten;

Bepaalt dat de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de inboedel van de echtelijke woning gedurende maximaal zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking dan wel tot aan het moment - wanneer dit moment is gelegen binnen de periode van zes maanden hier bedoeld - waarop die inboedel is verdeeld, zulks tegen een redelijke vergoeding, welke thans op nihil wordt gesteld;

Wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man;

Bepaalt dat ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:

Partijen elk worden verzocht een gedetailleerd en uitputtend overzicht te overleggen van de inboedel per peildatum, bestaande uit een opsomming van alle zaken tot de inboedel behorend, hun waarde per peildatum en de opmerking wie van partijen die zaken thans onder zich heeft en aan wie zij zouden moeten worden toegedeeld. Alles steeds zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken;

Wijst af de verzoeken van de vrouw tot afgifte van haar persoonlijke foto’s in de Pippi Langkous-koffer en de eigendomspapieren van de woning;

De man gehouden is ter zake het recht van de vrouw op een “Mahr” aan haar te voldoen een bedrag van € 41.786,- (zegge: één en veertigduizend zevenhonderd en zesentachtig euro);

Wordt afgewezen het verzoek van de man tot verdeling van de waarde van de polis van levensverzekering bij Nationale Nederlanden [polisnummer 1];

Het saldo van de gemeenschappelijke [bankrekeningnummer 1] per 4 september 2008 partijen elk voor de helft toekomt;

De vrouw de schuld aan de vereniging van eigenaren groot € 577,05 voor haar rekening te dient nemen;

De vrouw de schuld aan Orange (Online Breedband b.v.) groot € 292,29 voor haar rekening dient te nemen;

De vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag groot € 132,93 ter zake de vordering van Eneco;

De vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag groot € 160,- ter zake gemeentelijke belastingen;

De vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag groot € 1.330,- ter zake een door de man aan haar gedane onverschuldigde betaling ter zake restitutie van belasting;

Wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan een scheiding naar kerkelijk (religieus) recht;

Wijst af het verzoek ter zake de wettelijke rente;

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden wordt aangehouden tot 1 mei 2010 PRO FORMA, ten einde

partijen in de gelegenheid te stellen voor de pro forma datum een gedetailleerd en uitputtend overzicht te overleggen van de inboedel per peildatum, bestaande uit een opsomming van alle zaken tot de inboedel behorend, hun waarde per peildatum en de opmerking wie van partijen die zaken thans onder zich heeft en aan wie zij zouden moeten worden toegedeeld. Alles steeds zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken;

De vrouw in de gelegenheid te stellen voor de pro forma datum aan de rechtbank en aan de man in kopie te overleggen:

alle rekeningafschriften die betrekking hebben op de FBTO-lening vanaf het sluiten van die lening tot 2 september 2008;

de overeenkomst van geldlening met de FBTO;

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Driel, rechter, in bijzijn van mr. Hulsman, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature