Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Staking in de Rotterdamse haven vanwege een loonconflict tussen de bonden en Smit. Schepen worden niet gelost. Raffinaderijen vorderen beëindiging van de staking en hervatting van de sleepwerkzaamheden. Bij de raffinaderijen (en andere derden) dreigt buitenproportionele economische- en milieuschade.

In dit kort geding is het de vraag of er ruimte is om het recht op collectieve actie van de bonden te beperken. Artikel G van het ESH . Beperkingen dienen grondslag te vinden in het recht. Voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van zodanige disproportionele schade voor derden (zoals eiseressen) dat beperking dringend noodzakelijk voorkomt. De gevolgen van de staking voor de raffinaderijen, andere, niet bij het arbeidsconflict betrokken partijen, en voor het milieu staan thans niet meer in verhouding tot het doel ervan en zullen de grenzen van de maatschappelijke zorgvuldigheid overschrijden als de staking onbepaalde tijd wordt voortgezet. Beperking op het stakingsrecht toewijsbaar. Balans dient te worden gezocht tussen geschetste belangen van eiseressen (en andere derden) en de bonden. Vordering toegewezen als in dictum te melden.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 279753/KG ZA 07-215

Uitspraak: 9 maart 2007

in het kort geding in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SHELL NEDERLAND

RAFFINADERIJ B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KUWAIT PETROLEUM

EUROPOORT B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NETHERLANDS REFINING COMPANY (BP/TEXACO JOINT VENTURE) B.V.,

allen gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat en procureur mr. R.B. Gerretsen,

-zomede-

de naamloze vennootschap HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,

gevestigend te Rotterdam,

als gevoegde en tussenkomende partij,

advocaat en procureur F.G.M. Smeele,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMIT HARBOUR TOWAGE ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam, als gevoegde partij,

procureur mr. F.G.M. Smeele,

advocaat mr. E.J. Henrichs,

- tegen -

1. de vereniging met rechtspersoonlijkheid FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Culemborg,

2. de vereniging met rechtspersoonlijkheid DE UNIE, VAKBOND voor INDUSTRIE EN DIENSTVERLENING,

gevestigd te Culemborg,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SMIT HARBOUR TOWAGE ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

voor gedaagde sub 1 en 2: procureur B.F. Desloover, advocaat mr. R. van der Stege,

voor gedaagde sub 3: procureur mr. F.G.M. Smeele, advocaat mr. E.J. Henrichs.

Eiseressen sub 1 tot en met 3 worden hierna ook aangeduid als ‘de raffinaderijen’, de tussen-komende partij als ‘het Havenbedrijf’, gedaagde sub 1 en 2 als ‘de bonden’ en de gevoegde partij, tevens gedaagde sub 3 als ‘Smit’

1 Het verloop van de procedure

De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding van 9 maart 2007;

- incidentele conclusie tot voeging tevens incidentele conclusie tot tussenkomst van mr. Smeele;

- incidentele conclusie houdende vordering tot voeging van mr. Henrichs;

- pleitnotities van mr. Smeele.

De bonden zijn vrijwillig ter zitting verschenen. Smit is gedagvaard.

Ter zitting zijn de vorderingen van het Havenbedrijf en Smit tot voeging (en tussenkomst) toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter er van uitgaat dat Smit heeft bedoeld zich uitsluitend te voegen voor zover het de vorderingen tegen de bonden betreft.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 9 maart 2007. De voorzieningenrechter heeft gelet op het spoedeisend belang uitspraak gedaan ter terechtzitting van 9 maart 2007. De beslissing is opgenomen in een uittreksel van het audiëntieblad.

Het onderstaande vormt een schriftelijke uitwerking van die uitspraak.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voorzover van belang- het volgende vast.

2.1

Naar aanleiding van een loonconflict tussen (de leden van) de bonden en hun werkgever, Smit, wordt door (de leden van) de bonden al geruime tijd, sinds 21 februari 2007, met tussenpozen, gestaakt.

Dit betekent dat containerschepen, olietankers en bulkcarriers de Rotterdamse haven niet in of uit kunnen en niet kunnen worden gelost.

2.2

De raffinaderijen exploiteren raffinaderijen in de Rotterdamse haven die moeten worden voorzien van ruwe olie, die wordt aangevoerd per schip. Per week verwerken zij tezamen de inhoud van meerdere vlcc’s (very large crude carriers, zeer grote tankschepen). Het aanleggen en lossen van een vlcc kost ca. 48 uur.

Het Havenbedrijf heeft aanzienlijke financiële belangen bij het reilen en zeilen van de haven en behartigt het algemene belang van de Rotterdamse haven, de havenbedrijven en de aldaar werkzame mensen. Het Havenbedrijf heeft ten doel het (doen) uitoefenen van het havenbedrijf en in dat kader de positie van het Rotterdamse haven- en industriecomplex in Europees perspectief zowel op de korte termijn als de lange termijn te versterken.

2.3

Smit heeft circa 60-65 % van de sleepcapaciteit in de haven. De andere sleepbedrijven nemen het werk dat door de staking blijft liggen niet over, nu de bonden dat ‘besmet’ hebben verklaard.

3 Het geschil

3.1

De raffinaderijen vorderen, kort gezegd, de bonden en Smit te veroordelen om, na betekening van dit vonnis, de staking te beëindigen en beëindigd te houden en de sleepdiensten op het gebruikelijke niveau (zodanig) te hervatten, dat de raffinaderijen in staat zijn hun activiteiten, waaronder begrepen hun productieprocessen, ongestoord voort te zetten, dan wel in goede justitie een voorziening te treffen die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van de raffinaderijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, en de raffinaderijen toe te staan dit vonnis op alle dagen en uren aan gedaagden te betekenen;

Het Havenbedrijf ondersteunt de vorderingen van de raffinaderijen, maar heeft de voorzienin-genrechter, kort gezegd, verzocht, indien de primaire vordering om de staking te beëindigen en beëindigd te houden niet wordt toegewezen, een afkoelingsperiode te gelasten van 30 dagen.

3.1.1

De raffinaderijen leggen aan de vorderingen ten grondslag dat Smit door niet te slepen, toere-kenbaar tekort schiet jegens de raffinaderijen, althans onrechtmatig handelt jegens de raffinaderijen, terwijl de bonden, althans hun leden, onrechtmatig handelen jegens de raffinaderijen nu zij staken waardoor niet gesleept wordt en door het niet slepen van de schepen (buitenproportionele) schade dreigt.

De raffinaderijen menen dat gedaagden door hun loonconflict niet ordentelijk op te lossen c.q. zo uit de hand te laten lopen dat langdurig wordt gestaakt, maatschappelijk onzorgvuldig handelen jegens de raffinaderijen, die daardoor aanzienlijke economische schade lijden, terwijl ook anderen als gevolg daarvan onder meer milieu schade zullen lijden.

3.1.2

Alle eiseressen voeren voorts, kort gezegd, aan dat de gevolgen die de staking heeft voor de raffinaderijen en (andere) derden, thans buiten elke proportie dreigen te geraken. Daarbij wijzen zij op de milieu- en economische schade die onlosmakelijk is verbonden met het stilleggen (‘down’ gaan) van de raffinaderijen, (hetgeen nodig zal blijken te zijn indien de schepen niet op zeer korte termijn gelost worden), en het later weer opstarten van dergelijke installaties.

Ook de Duitse bedrijven (zoals Thyssen Krupp, die een hoogoven exploiteert) en bijvoorbeeld een Griekse reder ondervinden schade van de stagnatie in de aanvoer. Het sleepproces ligt in de haven thans vrijwel volstrekt stil.

3.2

De bonden en Smit hebben de vordering van de raffinaderijen gemotiveerd betwist. Op dat verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

De leden van de bonden maken reeds sinds 21 februari 2007, met tussenpozen waarin overleg is gevoerd en/of is gewerkt, gebruik van hun recht op collectieve acties op grond van artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (hierna: ESH). Ter zitting hebben de bonden onbetwist gesteld dat de acties zijn aangewend als een ultimum remedium, nu de onderhandelingen met Smit niet tot een aanvaardbare oplossing van het conflict hebben geleid. De werkonderbrekingen zijn steeds van tevoren aangezegd en tussen de stakingen door zijn de werkzaamheden uitgevoerd (terwijl ook tijdens de staking hoogst urgente werkzaamheden zijn verricht), zodat sprake is geweest van enige continuïteit in de haven.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, mede gelet op het ter zitting besproken en tussen partijen vaststaande in het verleden gehanteerde ‘stakingsschema’, de bonden zich gehouden hebben aan de spelregels die in acht dienen te worden genomen bij het uitoefenen van het stakingsrecht.

In beginsel is de staking dus rechtmatig, hetgeen overigens eiseressen ook niet weerspreken.

4.2

Echter, in het onderhavige kort geding wordt thans de vraag opgeworpen of, gelet op de door de raffinaderijen geschetste situatie, ruimte is voor de nabije toekomst om voornoemd recht op collectieve actie te beperken.

Artikel G van de herziene versie van het ESH (Iwtr.: 01-07-1999, Trb.2004/13) (het vroegere artikel 31) staat alleen beperkingen van dat recht toe als deze in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.

Dergelijke beperkingen dienen hun grondslag in het recht te vinden, waarvoor op grond van geldende jurisprudentie voldoende is, dat zij zijn af te leiden uit de zorgvuldigheid die op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek in het maatschappelijke verkeer ten aanzien van anderen in acht moet worden genomen.

4.3

De raffinaderijen hebben gesteld dat zij aanzienlijke schade zullen lijden, indien de staking blijft voortduren.

De bonden betogen, kort gezegd, dat de stellingen van de raffinaderijen ten aanzien van de dreigende schade onvoldoende zijn onderbouwd en derhalve niet aannemelijk zijn gewor-den.

In kort geding - zeker een kort geding als dit - geldt dat, gelet op de aard van de procedure, het gestelde in zoverre onderbouwd dient te worden, dat de voorzieningenrechter het gestelde, op grond van die onderbouwing en gelet op hetgeen algemeen bekend is en tussen partijen vaststaat voldoende aannemelijk acht. Derhalve is niet nodig dat dergelijke gestelde schade in detail komt vast te staan.

Desgevraagd heeft de raadsman van de raffinaderijen medegedeeld dat de situatie van eiseres sub 3 thans nijpend is; gelet op het tekort aan ruwe olie, zal zij op zaterdag 10 maart 2007 moeten aanvangen met het afbouwen van haar productieproces. Ten aanzien van eiseres sub 1 is medegedeeld dat tot en met 11 maart 2007 ‘slechts’ sprake is van economische schade, maar dat zij vanaf 12 maart 2007 haar doorzet aanzienlijk zal moeten reduceren, hetgeen een kettingreactie bij onder andere diverse grote afnemers in gang zal zetten. Eiseres sub 2 zal, als zij geen nieuwe ruwe olie krijgt aangevoerd, op 18 maart 2007 haar raffinaderij stilleggen. De raffinaderijen hebben de voorzieningenrechter uitvoerig uiteengezet hoe een en ander in het werk gaat en wat de gevolgen zijn.

Daarnaast heeft het Havenbedrijf aangevoerd dat ‘Thyssen Krupp’ die een grote hoogoven exploiteert, afhankelijk is van de sleepwerkzaamheden in de haven, terwijl ook veel andere bedrijven schade ondervinden en de Rotterdamse haven als geheel in de problemen komt. Ter terechtzitting is voorts gebleken dat op dit moment, 6 schepen voor de kust wachten om de haven binnen te komen; het betreft hier kennelijk onder meer vlcc’s met ruwe olie, bestemd voor de raffinaderijen.

4.4

Vooropgesteld moet worden dat de enkele omstandigheid dat de derden enige schade onder-vinden van een staking onvoldoende is voor het opleggen van beperkingen als hier bedoeld.

Een zekere mate van dit type schade moet worden beschouwd als normaal bedrijfsrisico.

De voorzieningenrechter acht echter, gelet op hetgeen hiervoor gestelde, tegen de achtergrond van het algemeen bekende feit dat de Rotterdamse haven een economische sleutelfunctie voor West-Europa vervult (hetgeen voor de bonden mede reden was voor de eerder ingelaste pauzes) voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van zodanige disproportionele schade voor derden (zoals de raffinaderijen) dat beperking dringend maatschappelijk noodzakelijk voorkomt.

In het bijzonder is thans voldoende aannemelijk geworden dat de raffinaderijen ‘down’ zullen moeten gaan als de staking voortduurt. De economische schade zal naar alle waarschijnlijkheid zeer groot zijn (al zijn de schattingen van de raffinaderijen van de omvang daarvan niet voldoende onderbouwd). Daar komt bij dat voorshands kan worden aangenomen dat niet enkel de raffinaderijen, maar ook diverse andere derden, zoals bijvoorbeeld de door mr. Smeele genoemde hoogovens, grote schade zullen lijden, met mogelijk milieu-effecten.

De voorzieningenrechter acht bovendien voorshands zeer aannemelijk, ook gelet op de erken-ning zijdens de bonden, dat het stilleggen van de raffinaderijen (en het later weer opstarten) gepaard zal gaan met (aanzienlijke) milieuschade, in de vorm van luchtvervuiling, stankoverlast en geluidsoverlast. Bovendien is er geen reële andere mogelijkheid om tegemoet te komen aan de problemen die de staking voor bedoelde derden oplevert.

De thans wachtende tankers en andere schepen zullen, gelet op hun omvang, en gelet op de specifieke faciliteiten van de Rotterdamse haven, merendeels niet kunnen uitwijken naar een andere haven, teneinde te worden gelost. Alternatieve transportmogelijkheden zijn niet rea-listisch.

Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat de gevolgen van de staking voor de raffinaderijen, andere, niet bij het arbeidsconflict betrokken partijen, en voor het milieu, gelet op de omvang en reikwijdte, thans niet meer in verhouding staan tot het doel ervan en de grenzen van de maatschappelijke zorgvuldigheid zullen overschrijden als zij onbepaalde tijd worden voortgezet. De enkele mogelijkheid dat de bonden van tijd tot tijd op onvoorspelbare momenten pauzes zullen inlassen doet daaraan, gelet op de onzekerheid die daaraan inherent is, niet af.

Er kan dan ook worden gezegd dat op grond van schending van de belangen van anderen een beperking op het stakingsrecht in de onderhavige situatie toewijsbaar is.

4.5

Anderzijds acht de voorzieningenrechter het niet geëigend dat door het opleggen van een algeheel stakingsverbod, de bonden het meest effectieve hun rechtens toekomende middel bij het vastlopen van onderhandelingen, het stakingsrecht, geheel wordt ontnomen.

Derhalve dient een balans te worden gezocht tussen de hiervoor genoemde belangen van eiseressen (en andere derden) en de bonden. Daarbij is meegewogen het ter terechtzitting meermalen besproken aspect, dat een staking van (telkens) beperkte duur kan worden opgevangen zolang maar duidelijk is dat deze duur beperkt is en wanneer het werk weer wordt hervat, zodat de planning en aanvoer daarop kan worden afgestemd. Het Havenbedrijf kan bovendien de beschikbare diensten verdelen naar gelang van de noodzaak. Aldus kan het verbod tot het strikt noodzakelijke beperkt worden. Derhalve wordt de vordering toegewezen als hierna in het dictum te melden.

4.6

De vorderingen worden afgewezen voor zover gericht tegen Smit.

Voorshands is onvoldoende aannemelijk geworden dat Smit inbreuk maakt op contractuele verplichtingen. Daarbij is van belang, dat de sleepcontracten gesloten plegen te worden tussen Smit en de betreffende rederij, terwijl het bestaan van (relevante) contracten tussen (een van) eiseressen en Smit niet voldoende aannemelijk is geworden.

De vordering gebaseerd op onrechtmatige daad is evenmin toewijsbaar. Immers, een werkge-ver, Smit, wordt onrechtmatig handelen verweten nu het haar niet lukt om met de bonden tot overeenstemming in het loonconflict te komen. Hoewel het, onder omstandigheden, zo kan zijn dat Smit als werkgever verweten kan worden dat zij in strijd handelt met de maatschappelijke zorgvuldigheid gelet op de wijze waarop zij het conflict met de bonden uit de hand laat lopen - zodat zij zich schuldig maakt aan een onrechtmatige daad jegens de raffinaderijen, havenbedrijven en andere derden -, daartoe is het enkele feit dat geen overeenstemming is bereikt niet voldoende. Voor nader onderzoek op dat punt is thans geen aanleiding, nu het verband met het gevorderde ontbreekt in die zin, dat, zelfs als Smit onrechtmatig zou handelen door haar opstelling in het loonconflict, het redelijkerwijs niet (alleen) in haar macht ligt om de staking te beëindigen.

Gelet op de houding van partijen ter zitting acht de voorzieningenrechter een gebod tot onderhandeling op dit moment geen reële optie.

De vorderingen tegen Smit worden dan ook afgewezen.

4.7

Ter zitting hebben de bonden aangegeven dat zij zich zullen conformeren aan het oordeel van de voorzieningenrechter, zodat geen grond is de gevorderde dwangsommen toe te wij-zen.

Gelet hierop verbindt de voorzieningenrechter geen dwangsommen aan de veroordeling.

4.8

Nu geen der partijen kan worden aangemerkt als overwegend in het ongelijk gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

veroordeelt gedaagde sub 1 en sub 2 binnen 6 uur na betekening van dit vonnis de sleepdien-sten voor tenminste 75% te hervatten gedurende een periode van 4 dagen (96 uur);

gebiedt gedaagde sub 1 en sub 2 voorzover daarna de stakingsakties worden hervat om na elke 5 dagen staking het werk gedurende 4 dagen te hervatten op een niveau van tenminste 75%;

wijst af de vorderingen ten aanzien van gedaagde sub 3;

staat eiseressen toe dit vonnis op alle dagen en uren te betekenen;

compenseert de proceskosten in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, in tegen-woordigheid van mr. E.F. van Beusekom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

1739/106


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature