Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Mededinging.

Uitspraak



RECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: MEDED 99/1506-SIMO

Uitspraak

in het geding tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, eiser,

gemachtigde mr. J. Ekelmans, advocaat te Den Haag,

en

de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, verweerder,

gemachtigde mr. R. Ludding, advocaat te Den Haag,

met als derde-partij

mr. J.A. Velenturf, advocaat te Breda, handelende in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de Stichting Academie voor Kunstzinnige Vorming, gevestigd te Roosendaal (hierna: de curator).

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 31 juli 1998 heeft verweerder afgewezen de aanvraag van – thans – de Stichting Academie voor Kunstzinnige Vorming (hierna: de Stichting) om ten aanzien van de Muziekschool en de School voor Expressie te Roosendaal (hierna: de Scholen) toepassing te geven aan artikel 56 van de Mededingingswet (hierna: Mw) op de grond dat de Scholen handelen of hebben gehandeld in strijd met artikel 24, eerste lid, van de Mw .

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft de Stichting bij brief van 7 september 1998 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voorzover het is gericht tegen zijn in het primaire besluit neergelegde oordeel dat de Scholen zelfstandige entiteiten zijn en daarbij alsnog vastgesteld dat de Scholen juridisch gezien onzelfstandige onderdelen van de gemeente Roosendaal zijn, en voor het overige het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij op 12 juli 1999 bij de rechtbank ingekomen brief, aangevuld bij brief van 15 oktober 1999, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 9 december 1999 een verweerschrift ingediend.

Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld heeft de Stichting – thans: de curator – als partij aan het geding deelgenomen.

De rechtbank heeft de onderhavige zaak en de zaak met het reg.nr. MEDED 99/1488-SIMO (het beroep van de Stichting – thans: de curator – tegen het bestreden besluit, met als derde-partij de gemeente Roosendaal) ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2001. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De curator heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.N. Brouwer, advocaat te Breda en kantoorgenoot van de curator.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst.

2. Overwegingen

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van heden in de zaak met het reg.nr. MEDED99/1488-SIMO.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet eerst heeft onderzocht of de gemeente Roosendaal terzake al dan niet als onderneming handelt en, als gevolg daarvan, eveneens ten onrechte heeft nagelaten te concluderen dat de gemeente niet als zodanig handelt. Eiser heeft er belang bij om te weten of de gemeente al dan niet een onderneming is, zulks om duidelijkheid te krijgen over de vraag welke regelgeving (in het bijzonder de Mw) op haar van toepassing is. Verweerder heeft, aldus eiser, onzorgvuldig gehandeld. Eiser heeft daarom gevorderd het bestreden besluit te vernietigen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat is gebleken dat eiser bevoegd is namens de gemeente Roosendaal beroep in te stellen. De gemeente is, op zichzelf, ook belanghebbende bij het bestreden besluit, nu dit betrekking heeft op een aanvraag om jegens haar handhavend op te treden ingevolge (artikel 56 van ) de Mw. Nu eerst bij het bestreden besluit is vastgesteld dat de klacht van de Stichting betrekking heeft op handelen van de gemeente, kan voorts artikel 6:13 van de Awb niet aan eiser worden tegengeworpen. Van niet-ontvankelijkheid op een formele grond is derhalve geen sprake.

De rechtbank stelt vervolgens echter, met verweerder, vast dat eiser geen (proces)belang heeft bij zijn beroep.

Er is geen sprake van een geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Eiser kan zich immers met de in het bestreden besluit vervatte beslissing van verweerder, inhoudende dat er geen grond is om ingevolge de Mw handhavend op te treden jegens de gemeente Roosendaal, geheel verenigen. Eiser beoogt – slechts – een uitspraak te verkrijgen met betrekking tot de vraag of de gemeente terzake al dan niet als onderneming handelt. De rechtsbescherming ingevolge de Awb is volgens vaste jurisprudentie echter niet bedoeld uitsluitend ter verkrijging van een principiële uitspraak als door eiser voorgestaan.

Overigens houdt, en zulks is ter zitting van de zijde van verweerder is bevestigd, het bestreden besluit – ook impliciet – niet in dat verweerder van oordeel zou zijn dat de gemeente terzake als onderneming handelt. Verweerder heeft zulks immers uitdrukkelijk in het midden willen laten. Derhalve kan ook geen sprake zijn van een of meer zelfstandig op rechtsgevolg gerichte overwegingen of van een of meer overwegingen waarvan moet worden vastgesteld dat zij aan de indiener van het beroepschrift in de toekomst als in rechte bindend zou(den) kunnen worden tegengeworpen.

Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J. Riphagen en mr. M.J.L. Lamers-Wilbers als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Casparie-Kerdel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2002.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende – waaronder in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature