Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Weigering afgifte van een verklaring omtrent het gedrag aan iemand die is veroordeeld voor een zedenmisdrijf.

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 06 / 737 BESLU RV

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen : De Minister van Justitie, namens deze, de directeur van de Dienst Justis, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 20 maart 2006,

kenmerk: 93300200503150001.

Datum van behandeling ter zitting: 31 augustus 2006.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primair besluit van 23 juni 2005, waarbij afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag is geweigerd, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 31 augustus 2006, waar eiser is verschenen bijgestaan door mr. P. Ograjensek, advocaat te Echt, en waar verweerder, na daarvan kennisgegeven te hebben, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen nog twee eerder afgegeven Verklaringen Omtrent het Gedrag aan de rechtbank over te leggen hebben partijen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb . Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft op 15 maart 2005 verzocht om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de functie van taxi/buschauffeur bij [werkgever] V.O.F.

Bij schrijven van 19 april 2005 heeft het hoofd Centraal Orgaan VOG eiser te kennen gegeven dat uit een onderzoek naar het gedrag van eiser is gebleken van bezwaren. Het hoofd, voornoemd, stelt eiser dan ook in kennis van het feit dat hij voornemens is de afgifte van de VOG te weigeren.

Tegen dit voornemen zijn per brief van 27 april 2005 zienswijzen ingediend.

Bij (primair) besluit van 23 juni 2005 heeft het hoofd, voornoemd, de afgifte van de VOG geweigerd op grond van artikel 35, eerste lid van de Wet justiti ële en strafvorderlijke gegevens.

Per brief van 3 augustus 2005 wordt bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De gronden van bezwaar zijn 5 augustus 2005 ingediend. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid te worden gehoord met betrekking tot zijn bezwaarschrift.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser als buschauffeur verantwoordelijk is voor de veiligheid en het welzijn van de passagiers, waaronder zich minderjarigen zonder begeleiding kunnen bevinden. Gelet op de aard van het door eiser gepleegde delict - zedendelicten met minderjarigen - acht verweerder het gevaar aanwezig dat eiser misbruik maakt van de afhankelijkheid van de personen, die door hem worden vervoerd.

Voorts wijst verweerder erop dat het feit, dat eiser een betrekkelijk milde straf heeft gekregen, is meegewogen in de beoordeling van de aanvraag, maar dat vaststaat dat het delict door de rechter bewezen is verklaard en is bestraft. Uit de beleidsregels volgt dat de VOG wordt geweigerd indien een strafbaar feit, voor het geval dit zou worden herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd.

Vervolgens zet verweerder uiteen dat de stelling dat "een buschauffeur de zorg draagt voor de veiligheid en het welzijn van de personen, die hij vervoert" weliswaar en abstracte stelling is, maar daarmee niet minder toepasselijk is op eiser. Verweerder stelt dat, gelet op het feit dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van meerdere zedendelicten, er een risico bestaat voor de veiligheid van personen, hetgeen een reden is om de VOG te weigeren. Het feit dat een VOG in 2002 reeds is verstrekt doet daaraan niet af omdat enerzijds het beleid omtrent afgifte van de VOG per 1 april 2004 is gewijzigd en anderzijds omdat eiser in 2002 nog niet onherroepelijk was veroordeeld voor de zedendelicten. Weliswaar was het strafrechtelijk verleden in 2002 wellicht reeds bekend, maar de waarde die daaraan kon worden gehecht was anders dan thans het geval.

Eiser heeft op 18 april 2006 beroep ingesteld tegen dit besluit en dit voorzien van gronden bij brief van 19 mei 2006. Daarin wordt bestreden dat bij het optreden als buschauffeur sprake is van een dusdanige relatie met de te vervoeren personen, dat er een risico in verband met eisers strafrechtelijke veroordeling kan optreden. In dat kader wijst eiser erop dat doorgaans sprake is van vervoer van meerdere meerderjarigen en, als al sprake is van vervoer van minderjarigen, deze meestal worden begeleid door een meerderjarige. Bovendien, zo stelt eiser, lagen de feiten waarvoor eiser is veroordeeld binnen de directe familiesfeer en hadden deze geen betrekking op derden (buspassagiers). Voorts hebben deze feiten uiterlijk in 1999 plaatsgevonden.

Eiser voert verder aan dat hij is veroordeeld tot een tamelijk milde straf en hij, afgezien hiervan, nooit eerder dan wel later voor zedendelicten met de politie en/of justitie in aanraking is geweest. Bovendien, zo brengt eiser nog naar voren, is in 2003 (lees 2002 rb) wél een VOG afgegeven, terwijl op dat moment het strafrechtelijk verleden bekend was bij verweerder.

In het op 5 juli 2006 ingediende verweerschrift geeft verweerder een reactie op de beroepsgronden. Daarin wijst verweerder er onder meer op dat de VOG een uiterst betrouwbaar beeld dient te geven over de integriteit van de aanvrager. Om deze reden wegen zedendelicten zwaarder bij de afweging een VOG al of niet af te geven in die zin dat geen termijn wordt verbonden aan de periode voorafgaand aan het moment van toetsing, waarbinnen men niet voorkomt in de justitiële documentatie. Dat de feiten, zoals eiser zegt, zich voor 1999 hebben voorgedaan, is dan ook niet van belang. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de zwaarte van de opgelegde straf van ondergeschikt belang is nu het om de aard van het strafbare feit gaat in combinatie met het risico dat ontstaat voor de samenleving indien het strafbare feit zich herhaalt.

Ten aanzien van de grief dat voor eiser in 2002 wél een VOG is afgegeven geeft verweerder aan dat het beleid sindsdien is veranderd. Een vergelijking met de oude situatie ligt dan ook niet in de rede.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 28 van de Wet justiti ële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de wet) luidt als volgt:

En verklaring omtrent gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na de afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Artikel 35 van de wet luidt voor zover in dit geschil van belang:

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden, waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de toepassing van onder andere deze artikelen en de beoordeling van het risico voor de samenleving hanteert de Minister een beleid zoals neergelegd in de circulaire 'Beleidsregels VOG NP-RP 2004' (hierna: het Beleid).

In paragraaf 3.1 'Justitiële antecedenten' van het Beleid is het volgende opgenomen:

Een VOG wordt zonder meer afgegeven indien de aanvrager vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing (datum beoordeling van de aanvraag) niet voorkomt in de justitiële documentatie, tenzij

A. er sprake is van zedendelicten zoals bedoeld in artikel 240b tot en met artikel 250 wetboek van Strafrecht; of

B. de aanvrager in die vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing enige tijd in de gevangenis heeft doorgebracht.

In het Beleid wordt verder aangegeven dat indien sprake is van zedendelicten, zoals bedoeld onder A, over een periode langer dan twintig jaar voorafgaand aan het moment van toetsing naar de gegevens uit de justitiële documentatie wordt gekeken.

In Bijlage A bij het Beleid is naast een algemeen screeningsprofiel een aantal specifieke screeningsprofielen opgenomen. Op eiser heeft verweerder blijkens het bestreden besluit het specifieke profiel voor de taxichauffeur van toepassing geacht. In dat kader heeft verweerder gemotiveerd dat "een taxi/buschauffeur is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In deze functie komt het voor dat er een één op één relatie is, waarbij er sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Daarnaast gaan taxi/buschauffeurs om met contante en girale waarden. Bij de uitoefening van deze functie kan er derhalve een risico bestaan voor de veiligheid van personen en goederen. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik, afpersing, diefstal, verduistering, vervalsing van waardepapieren en/of geld en het witwassen van gelden."

Ter terechtzitting heeft eiser uiteengezet dat hij niet als taxichauffeur functioneert en evenmin in busjes voor maximaal 8 personen. Hij mist daartoe de benodigde vergunning(en). Zijn werkzaamheden als chauffeur beperken zich tot het besturen van touringcars.

De rechtbank overweegt dat voldoende aannemelijk is gemaakt door eiser - en verweerder heeft ook niet weersproken - dat hij als buschauffeur werkzaam is in touringcars en niet als taxichauffeur. De Beleidsregels voorzien niet, zo stelt de rechtbank vast, in een specifiek screeningsprofiel voor buschauffeurs.

Verweerder heeft het specifieke screeningsprofiel voor de taxibranche gehanteerd bij het beoordelen van het verzoek om afgifte van een VOG aan eiser. De in dit profiel opgenomen omstandigheden zijn door verweerder toegepast op eiser, terwijl verweerder onvoldoende kennis heeft vergaard over de omstandigheden waaronder eiser zijn werkzaamheden als buschauffeur uitoefent. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd op grond waarvan het specifiek screeningsprofiel van taxichauffeur is toegepast op eiser.

Weliswaar hanteert verweerder eveneens een aantal elementen uit het algemeen screeningsprofiel, zoals opgenomen als bijlage bij de voornoemde Beleidsregels, ("het gevaar van machtsmisbruik, afpersing, diefstal, verduistering, vervalsing van waardepapieren en/of geld en het witwassen van gelden."), maar verweerder motiveert in het bestreden besluit niet welke gegevens omtrent eiser uit het justitiële documentatieregister aanleiding hebben gegeven om deze elementen te laten meewegen, zoals verweerder kennelijk heeft beoogd. Of er sprake is van relevante antecedenten wordt immers onder meer bepaald door de relatie tussen de strafbare feiten en de functie, die door eiser vervuld gaat worden.

De rechtbank miskent niet dat grote zorgvuldigheid dient te worden betracht bij het afgeven van een VOG, waarbij het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, wordt gewogen. Dit kan er echter naar het oordeel van de rechtbank niet toe leiden dat bij de voorliggende besluitvorming omtrent weigering van de afgifte VOG wordt volstaan met algemeenheden en citaten uit de Beleidsregels zonder dat daadwerkelijk overwegingen worden gewijd aan de specifieke situatie van het geval. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende tot uiting gebracht dat - ook indien sprake is van een veroordeling wegens een zedendelict - er zich omstandigheden kunnen voordoen waarin tóch een VOG wordt afgegeven. De wet noch de Beleidsregels hebben dit immers uitgesloten.

Op grond van voorgaande overwegingen moet derhalve worden gezegd dat het bestreden besluit niet berust op een toereikende feitelijke grondslag en derhalve evenmin op een deugdelijke motivering.

Het bestreden besluit komt mitsdien wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerder;

bepaalt dat de Minister van Jusitite aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2006

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 17 januari 2006

KS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature