Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Artikel 13b Opiumwet . Sluiting woning. Softdrugs.

Uitspraak



RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/3473

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 december 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.D.W. Herrings),

en

de burgemeester van de gemeente Uden, verweerder

(gemachtigde: drs. P. Tolic).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten de woning en het daarbij behorende erf aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten van 21 november 2016 tot en met 21 februari 2017.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen die zou moeten inhouden dat het bestreden besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst, zodat de woning niet zal worden gesloten voordat dat besluit onherroepelijk is of is beslist op het bezwaar of een door de voorzieningenrechter bepaalde datum is bereikt. De gronden van het verzoek dateren van 17 november 2016.

Een medewerker van verweerder heeft de rechtbank op 17 november 2016 telefonisch laten weten dat verweerder het besluit tot sluiting van de woning niet zal effectueren totdat is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en M. Draaijers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Verzoeker is eigenaar van de woning, waarin hij met zijn echtgenote en een van zijn zonen woont. Verzoeker en zijn echtgenote verbleven vanaf medio 2015 in Egypte. Verzoeker is op 20 oktober 2015 naar Nederland teruggekomen en zijn echtgenote op 9 augustus 2015.

Op 11 oktober 2016 heeft de politie een onderzoek ingesteld in de woning. In het souterrain is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit drie kweekruimtes met in totaal 687 hennepplanten. In de garage zijn 160 hennepstekken aangetroffen. Ten tijde van het onderzoek verhuurde verzoeker het souterrain aan een derde.

De politie heeft vastgesteld dat het een zeer professioneel ingerichte hennepkwekerij was en dat er minimaal vijf eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Een fraude-inspecteur van Enexis heeft geconstateerd dat sprake was van diefstal van stroom. Een fraude-inspecteur van waterleidingmaatschappij Oost-Brabant heeft geconstateerd dat sprake was van fraude met de watermeter.

Bij brief van 7 november 2016 heeft verweerder verzoeker op de hoogte gebracht van zijn voornemen de woning per 21 november 2016 voor de duur van drie maanden te sluiten. Bij brief van 11 november 2016 heeft verzoeker hierop zijn zienswijze gegeven.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit op het standpunt dat hij, gelet op de hoeveelheid softdrugs die in de woning is aangetroffen, op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de op grond daarvan vastgestelde “Beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet” (het Handhavingsbeleid), het bestreden besluit heeft mogen nemen. Omdat verweerder van mening is dat sprake is van een zeer ernstige overtreding, heeft hij in afwijking van het Handhavingsbeleid besloten verzoeker niet eerst een bestuurlijke waarschuwing te geven maar de woning direct voor de duur van drie maanden te sluiten.

3. Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele beroepsprocedure.

4. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

5. Verzoeker voert aan dat hij niets van doen heeft met de hennepkwekerij en niet wist van het bestaan daarvan. Als verweerder al bevoegd was om een last onder bestuursdwang op te leggen, dan had hij moeten volstaan met het geven van een waarschuwing of het sluiten van enkel het souterrain. Volgens verzoeker is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet , is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

7. Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet blijkt dat verweerder bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt. Daarom mag de rechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder slechts met enige terughoudendheid toetsen. Daarbij is de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet van belang (vergelijk de uitspraak van 5 november 2014 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2014:3941).

8. Gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners is bij de

invulling die verweerder in dat geval geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van groot belang dat het uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). In de Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2, is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken.

9. In het bij het Handhavingsbeleid behorende handhavingsarrangement is vermeld dat het Openbaar Ministerie niet de mogelijkheid heeft om te beletten dat een pand waarin of waar vanuit gehandeld werd in drugs, weer wordt gebruikt voor dit doel. In dat laatste geval is de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan zet.

10. In het Handhavingsbeleid is bepaald dat bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs in een woning een bestuurlijke waarschuwing wordt gegeven.

11. In paragraaf 5. (Afwijkingsbevoegdheid) van het Handhavingsbeleid is bepaald dat verweerder op basis van feiten en omstandigheden in bijzondere gevallen gemotiveerd kan afwijken van de in het Handhavingsbeleid vastgestelde maatregelen, en dat dit bijvoorbeeld kan betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de drugs die in de woning zijn aangetroffen bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daaraan doet niet af de stelling van verzoeker dat hij niet op de hoogte was van de hennepkwekerij (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412). Dit betekent dat verweerder bevoegd was om een last onder bestuursdwang aan verzoeker op te leggen. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder, alle betrokken belangen tegen elkaar afgewogen, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in dit geval noodzakelijk was. Verweerder heeft zich, met wat hem ten tijde van het bestreden besluit bekend was, op het standpunt kunnen stellen dat, nu sprake is van een zeer professioneel ingerichte en in werking zijnde hennepkwekerij, minimaal vijf eerdere oogsten en een gevaarzettende illegale stroomafsluiting, sprake is van een zeer ernstige overtreding en daarom niet kon worden volstaan met het geven van een waarschuwing. Bij dit oordeel is in aanmerking genomen dat verzoeker geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen in de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie naar aanleiding van het onderzoek in de woning. Omdat de hennepkwekerij via een stroomaansluiting vanuit een deel van de woning dat niet het souterrain betreft, van stroom werd voorzien, is sprake van een dusdanige samenhang tussen het souterrain en de woning dat deze in beginsel de sluiting van de gehele woning rechtvaardigt. De door verzoeker ter zitting gestelde omstandigheid dat zijn echtgenote vanwege haar medische situatie op de woning is aangewezen en de in het bezwaarschrift gestelde omstandigheid dat de huurder het souterrain inmiddels heeft verlaten, zijn omstandigheden die verweerder toen hij het bestreden besluit nam, nog niet bekend waren. De voorzieningenrechter dient deze gestelde omstandigheden echter wel in haar oordeel te betrekken omdat zij beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Wat de gestelde medische situatie van de echtgenote van verzoeker betreft, heeft verweerder tijdens de zitting terecht opgemerkt dat deze niet is onderbouwd. Deze gestelde omstandigheid heeft dan ook geen reden hoeven zijn voor verweerder om van de sluiting af te zien. Verweerder heeft vooralsnog echter onvoldoende kenbaar in zijn beoordeling betrokken de stelling van verzoeker dat de huurder het souterrain inmiddels heeft verlaten. Er op wijzen dat sprake is van een zeer ernstige overtreding is in dit verband onvoldoende. De voorzieningenrechter stelt voorts het volgende vast. Verweerder heeft niet betwijfeld dat verzoeker, zoals hij stelt, niet wist van de hennepkwekerij in zijn woning. Verzoeker heeft benadrukt dat hij sinds 1983 onderverhuurt, dat dit de eerste keer is dat hij met een huurder als hier aan de orde is geconfronteerd, dat dit niet nogmaals zal gebeuren omdat hij vanaf nu strenger zal gaan controleren bij zijn huurders en dat de volgens verweerder gevaarlijke situatie in de woning is hersteld met het vertrek van de huurder. De voorzieningenrechter kan het bestreden besluit slechts met enige terughoudendheid toetsen, wat betekent dat verweerder eerst zal moeten beoordelen of hij in wat verzoeker heeft gesteld aanleiding ziet om van de sluiting af te zien waarna de voorzieningenrechter de uitkomst van die beoordeling van verweerder met enige terughoudendheid toetst. Verweerder zal het door verzoeker gestelde moeten beoordelen in het licht bezien van het Handhavingsbeleid, waaruit – voor zover hier van belang – volgt dat dit er op gericht is om te voorkomen dat de woning weer voor drugshandel wordt gebruikt. Gelet hierop en op de ver strekkende gevolgen die een woningsluiting met zich brengt, laat de voorzieningenrechter het belang van verzoeker bij het behoud van de toegang tot zijn woning gedurende de bezwaarprocedure zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij sluiting van de woning en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit schorst tot zes weken na de dag van bekendmaking van het door verweerder te nemen besluit op het bezwaar van verzoeker.

13. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 168,– voldoet.

14. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

 schorst het bestreden besluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,– aan verzoeker te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,–, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature