Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/860096-16

Datum uitspraak: 21 juli 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juni 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 04 september 2015 te Best als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Eindhovenseweg Zuid, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt

verdachte is - rijdende over de fietsstraat van de Eindhovenseweg Zuid – waar een bord met de tekst:

"LET OP! fietsstraat

auto te gast"

- met daarbij een bord A1 met als maximumsnelheid 30 kilometer per uur en/of een bord C3 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 was/waren geplaatst

- met ernstige overschrijding van de geldende maximum snelheid, te weten ongeveer 64 km per uur, althans met een, gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 30 km per uur en/of

- gelet op de aard van de door haar, bereden weg en/of gekomen bij de invoegstrook met het door haar bestuurde motorrijtuig die invoegstrook zonder te stoppen en/althans zonder bijzondere voorzichtigheid te betrachten op en/of over gereden en/of

- heeft daarbij de doorgang niet vrij gelaten, althans geen voorrang verleend aan een, haar verdachte tegemoetkomende, bestuurder van een snorfiets die aldaar voorrang had,

waardoor althans mede waardoor een botsing of aanrijding met/tussen/door dit door verdachte bestuurde motorrijtuig en die snorfiets is ontstaan, waardoor een ander (te weten de bestuurder van die snorfiets genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 04 september 2015 te Best als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Eindhovenseweg Zuid, heeft gehandeld als volgt

verdachte is - rijdende over de fietsstraat van de Eindhovenseweg Zuid – waar een bord met de tekst:

"LET OP! fietsstraat

auto te gast"

- met daarbij een bord A1 met als maximumsnelheid 30 kilometer per uur en/of een bord C3 van de bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 was/waren geplaatst

- met ernstige overschrijding van de geldende maximum snelheid, te weten ongeveer 64 km per uur, althans met een, gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 30 km per uur en/of

- gelet op de aard van de door haar, bereden weg en/of gekomen bij de invoegstrook met het door haar bestuurde motorrijtuig die invoegstrook zonder te stoppen en/althans zonder bijzondere voorzichtigheid te betrachten op en/of over gereden en/of

- heeft daarbij de doorgang niet vrij gelaten, althans geen voorrang verleend aan een, haar verdachte tegemoetkomende, bestuurder van een snorfiets die aldaar voorrang had,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsoverweging.

Op 4 september 2015 reed de verdachte als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk Audi A1, over de fietsstraat van de Eindhovenseweg Zuid in Best. Verdachte kwam uit de richting van Eindhoven. Op deze fietsstraat stond een bord met de tekst: “LET OP! fietsstraat auto te gast”. Op dit bord was tevens een bord A1 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bevestigd. Op de fietsstraat gold een maximumsnelheid van 30 km/u. De fietsstraat was opgetrokken uit rood asfalt. Ter hoogte van een aldaar gelegen invoegstrook naar de hoofdrijbaan van de Eindhovenseweg Zuid heeft de verdachte geen voorrang verleend aan een haar op de fietsstraat tegemoetkomende bestuurder van een snorfiets, te weten [slachtoffer] . Hierdoor is een aanrijding ontstaan tussen de door de verdachte bestuurde personenauto en de door [slachtoffer] bestuurde snorfiets. Ten gevolge van deze aanrijding is [slachtoffer] overleden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Dit betekent dat er op zijn minst sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld.

Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel haar rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een bestuurder van een motorrijtuig (i.c. een personenauto) wordt geëist.

Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank overweegt dat een fietsstraat is ingericht als fietspad, maar dat autoverkeer is toegestaan (alsmede alle overige categorieën weggebruikers). Fietsers (waaronder tevens begrepen brom- en snorfietsers) zijn in beginsel de hoofdgebruikers van een fietsstraat en automobilisten dienen zich als ‘gast’ te gedragen.

Op een afstand van ongeveer 17 meter voor de botspositie bevond zich rechts van de Eindhovenseweg Zuid aan de voorgevel van een autobedrijf een camera. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut aan de hand van de camerabeelden is gebleken dat de gemiddelde snelheid van de verdachte over een afstand van 26 meter, gelegen vóór de positie van de camera, ongeveer 64 km/u betrof. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte tot zeer kort voor de aanrijding de op de fietsstraat geldende maximumsnelheid van 30 km/u in ernstige mate heeft overschreden. Het voorgaande acht de rechtbank reeds een grove verkeersfout. Een fietsstraat is immers bij uitstek een plaats waar rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van zwakkere verkeersdeelnemers, zoals bijvoorbeeld (snor-)fietsers. De omstandigheid dat uit het onderzoek niet is gebleken met welke precieze snelheid de verdachte reed ten tijde van de aanrijding, zoals door de verdediging is aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, dat zij moet hebben afgeremd toen zij over haar linkerschouder keek om te kunnen gaan invoegen, omdat zij immers altijd afremt als zij over haar schouder kijkt, acht de rechtbank in het licht van de verklaring van de verdachte bij de politie niet aannemelijk. Bij de politie heeft de verdachte immers verklaard dat het kan zijn dat zij snelheid heeft gemaakt om op een nette wijze te kunnen invoegen op de Boschdijk, alwaar een maximumsnelheid van 80 km/u gold. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze verklaring van de verdachte overeen met de verklaring van [getuige 1] . Deze getuige heeft verklaard dat hij, fietsend over de fietsstraat in de richting van Best, met forse snelheid werd ingehaald door een Audi, dat deze Audi ter hoogte van het autobedrijf via de invoegstrook de Boschdijk (de rechtbank begrijpt: de hoofdrijbaan van de Eindhovenseweg Zuid) op wilde rijden en dat deze Audi eerst remde nadat de aanrijding had plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor de verdachte geen aanleiding om haar snelheid te vermeerderen, teneinde op een behoorlijke wijze in te kunnen voegen, omdat voor haar de mogelijkheid bestond om voor de invoegstrook eerst te stoppen. De verdachte had aldus anders kunnen en moeten handelen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de snorfietser op de fietsstraat pas op het laatste moment heeft gezien en dat zij niet meer op tijd kon stoppen om aan hem voorrang te verlenen. Het als bestuurder van een personenauto op een fietsstraat niet verlenen van voorrang aan een bestuurder van een snorfiets is naar het oordeel van de rechtbank eveneens als een ernstige verkeersovertreding aan te merken. Op een fietsstraat hebben (brom-, snor-) fietsers per definitie voorrang. Van een bestuurder van een personenauto wordt verwacht dat hij op een fietsstraat de nodige voorzichtigheid en oplettendheid betracht en zijn snelheid zodanig aanpast dat hij in de omstandigheid is om tijdig te stoppen. Uit het dossier volgt dat de fietsstraat een recht, overzichtelijk stuk weg betreft. Verder is niet gebleken van omstandigheden die kunnen verklaren waarom de verdachte de snorfietser niet zou hebben kunnen opmerken. Hetgeen de verdediging in dit kader nog heeft aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte gedurende enige tijd onvoldoende oplettend is geweest. Dat de verdachte, aldus haar verklaring, de snorfietser in het geheel niet heeft gezien, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet te verklaren door een enkel moment van onoplettendheid, maar moet het gevolg zijn geweest van een langere periode waarin de verdachte haar aandacht niet op de fietsstraat heeft gehouden, maar op de invoegstrook/hoofdrijbaan van de Eindhovenseweg Zuid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich door aldus te handelen zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen en is het verkeersongeval aan haar schuld te wijten.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 4 september 2015 te Best als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Eindhovenseweg Zuid, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend als volgt te handelen:

verdachte is – rijdende over de fietsstraat van de Eindhovenseweg Zuid – waar was geplaatst een bord met de tekst:

"LET OP! fietsstraat

auto te gast"

met daarbij een bord A1 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met als maximumsnelheid 30 kilometer per uur,

- met ernstige overschrijding van de geldende maximumsnelheid, te weten ongeveer 64 km per uur en

- gelet op de aard van de door haar bereden weg en gekomen bij de invoegstrook met het door haar bestuurde motorrijtuig die invoegstrook, zonder te stoppen en zonder bijzondere voorzichtigheid te betrachten, opgereden en

- heeft daarbij geen voorrang verleend aan een haar, verdachte, tegemoetkomende bestuurder van een snorfiets die aldaar voorrang had,

waardoor een aanrijding tussen dit door verdachte bestuurde motorrijtuig en die snorfiets is ontstaan, waardoor een ander (te weten de bestuurder van die snorfiets genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primaire feit gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op een fietsstraat de ter plaatse geldende maximumsnelheid in aanzienlijke mate overschreden. Zij heeft tijdens het invoegen het [slachtoffer] , die haar op zijn snorfiets tegemoet kwam rijden, niet opgemerkt en haar auto niet tijdig tot stilstand kunnen brengen. Dit heeft geleid tot het onderhavige verkeersongeval waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] intens verdriet en onherstelbaar leed aangedaan. De vader, moeder en broer van het slachtoffer hebben ter zitting met de door hen afgelegde verklaringen uitdrukking gegeven aan dit verdriet en de gevolgen die het overlijden van hun zoon / broer voor hen heeft gehad.

De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele straf recht zal doen aan dit dramatische verlies.

De rechtbank overweegt dat in vergelijkbare zaken, waar het gaat om verkeersongelukken waarbij geen sprake is van overmatig alcoholgebruik of roekeloos rijgedrag, slechts in uitzonderlijke omstandigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de officier van justitie dergelijke uitzonderlijke omstandigheden niet aangevoerd. De rechtbank acht het verkeersgedrag van verdachte dan ook niet van dien aard dat enkel op basis hiervan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde zou moeten zijn.

Ook de in de persoon van de verdachte gelegen omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank niet de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de eerste plaats houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Verder heeft de verdachte er ter terechtzitting blijk van gegeven dat zij zich bewust is van het door de nabestaanden van het slachtoffer gevoelde leed.

De nabestaanden verwijten verdachte in ernstige mate dat zij geen contact met hen heeft opgenomen en ogenschijnlijk gewoon door is gegaan met haar leven. Verdachte heeft aangegeven dat zij wel contact wilde opnemen, maar dat dit haar door de politie is afgeraden. Verdachte heeft ook aangegeven nog altijd open te staan voor contact met de nabestaanden. De rechtbank stelt vast dat de beleving van de nabestaanden enerzijds en van verdachte anderzijds sterk van elkaar afwijkt, waarbij het feit dat verdachte per saldo geen contact heeft opgenomen, heeft geleid tot gevoelens van boosheid en frustratie bij de nabestaanden. De officier van justitie heeft ter zitting bevestigd dat de politie verdachte in eerste instantie afraadde om contact op te nemen met de nabestaanden. De rechtbank kan op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet beoordelen of en zo ja op welk moment het voor verdachte vervolgens duidelijk geweest zou moeten zijn dat contact inmiddels wel op prijs gesteld zou worden. Gelet op het vorenstaande weegt de rechtbank de omstandigheid dat verdachte geen contact heeft opgenomen met de nabestaanden niet mee in strafverzwarende zin.

Ook de verdachte is getroffen door de gevolgen van het ongeval, in die zin dat zij nog dagelijks last heeft van de impact van het verkeersongeval, zoals is gebleken uit het op

9 juni 2016 over haar opgemaakte reclasseringsrapport. Ook uit de houding van de verdachte ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat het verkeersongeval een behoorlijke indruk op haar heeft gemaakt. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.

Alles afwegende acht de rechtbank de maximale taakstraf van 240 uren passend en geboden.

Gezien de ernst van de door verdachte gemaakte verkeersfout en de gevolgen hiervan is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat aan de verdachte de bijkomende straf van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren opgelegd dient te worden. In de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting, inhoudende dat haar dagelijkse reistijd in verband met haar opleiding aanzienlijk zal toenemen door gebruikmaking van het openbaar vervoer, ziet de rechtbank geen aanleiding om de ontzegging van de rijbevoegdheid niet op te leggen of te matigen. Andere omstandigheden, die aan het opleggen van een ontzegging in de weg zouden kunnen staan, zijn door of namens de verdachte niet aangevoerd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

De uitspraak.

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor primair bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat zij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en geen voorrang heeft verleend;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht;

legt op de volgende bijkomende straf:

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.J. Sangers- de Jong, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 21 juli 2016.

Mr. W.B. Kok is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature