Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

inbreuk Handelsnaamwet / auteursrecht

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Handelsrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/278199 / KG ZA 14-281

Vonnis in kort geding van 19 juni 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te IJsselstein,

eiseres,

advocaat mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. “[naam]”

wonende te [woonplaats] en zaakdoende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen worden [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

De procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 9 mei 2014 met 9 producties;

het op voorhand door [gedaagde] op 30 mei 2014 ingezonden verweerschrift met producties;

de door [eiseres] bij brief van 2 juni 2014 overgelegde producties 9 en 10;

de mondelinge behandeling op 5 juni 2014;

de pleitnota van [eiseres];

het door [eiseres] ter zitting overgelegde drukwerk, zoals briefpapier, enveloppen en promotiemateriaal, waaruit de huisstijl van [eiseres] blijkt.

1.2.

Een minnelijke regeling bleek niet haalbaar.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert sinds haar oprichting in juli-augustus 2004 een groothandel in tegels, sanitaire artikelen en sanitair installatiemateriaal. [eiseres] is gevestigd in Zaltbommel. Zij gebruikt vanaf 17 augustus 2004 de handelsnaam “[eiseres]”. [eiseres] maakt gebruik van de domeinnaam www.[naam].nl.

2.2.

[gedaagde] is een startende ondernemer. Hij drijft sinds 1 april 2014 vanuit [woonplaats] een eenmanszaak in, naar de omschrijving in het handelsregister, handelsbemiddeling in hout, vlakglas, sanitair en bouwmaterialen, evenals een handelsonderneming c.q. agentuur in voornamelijk tegels, natuursteen en aanverwante artikelen. Feitelijk richt [gedaagde] zich hoofdzakelijk op verkoop van tegels aan consumenten. [gedaagde] maakt gebruik van de handelsnaam “[naam]”. Tevens maakt [gedaagde] gebruik van de domeinnaam www.tegeldadvies.nl. [gedaagde] heeft deze domeinnaam op 16 januari 2014 aangekocht voor € 500,00 excl. BTW.

2.3.

Bij brief van 15 april 2014 is [gedaagde] door de advocaat van [eiseres] gesommeerd tot staking van het gebruik van de handels- en domeinnaam “[naam]”, waarna telefonische contacten tussen [gedaagde] en [eiseres] hebben plaatsgevonden. Op 22 april 2014 heeft ook telefonisch contact tussen [gedaagde] en de advocaat van [eiseres] plaatsgehad. De advocaat van [eiseres] heeft vervolgens op 22 april 2014 (16:48 uur) een e-mailbericht aan [gedaagde] gezonden. Hierin valt onder meer te lezen:“Naar aanleiding van mijn sommatie van 15 april 2014 hebt u contact opgenomen met mijn cliënte. Daar hebt u te kennen gegeven dat u aan de sommatie zult voldoen, indien mijn cliënte de zaak voortzet. U hebt mijn cliënte om coulance verzocht, aangezien u de belettering van uw pand al gereed heb, alsmede het briefpapier al hebt laten verzorgen. Uw argumenten snijden echter geen hout. Er is sprake van verwarringsgevaar en dat hoef mijn cliënte niet te dulden.

(…)

Namens mijn cliënte deel ik u hierbij mee dat zij haar voornoemde sommatie onverkort handhaaft . Indien u niet aan de sommatie voldoet, dan zal mijn cliënte u onverwijld in een kort geding betrekken. ”

2.4.

Nadat het [gedaagde] duidelijk was geworden dat een oplossing, anders dan een welke inhield dat [gedaagde] zijn handels- en domeinnaam zou veranderen, voor [eiseres] niet tot de mogelijkheden behoorde, heeft [gedaagde] de gestelde inbreuk per e-mailbericht van 22 april 2014 (22.59 uur) betwist. In deze mail - voorzover hier relevant - schrijft [gedaagde]:

“mijn handelsnaam en domeinnaam zijn hetzelfde namelijk “ [naam] ”.

Ik richt me met mijn bedrijf als detaillist op het particuliere publiek in en rondom [woonplaats].

Dit is een geheel andere doelgroep dan van “[eiseres]” en 73,9 km bij mij vandaan (zie google maps).

Ik ben van mening dat het voeren van de naam “[naam]” gerechtvaardigd is.

(…)

[naam], regel alstublieft zo snel mogelijk een afspraak met de rechter zodat deze een uitspraak kan doen of ik wel of niet de naam mag blijven voeren.”

2.5.

Indien de voorzieningenrechter (voorafgaande aan de zitting alsook ten tijde van het concipiëren van dit vonnis) in de zoekmachine van “Google” “[naam]” invoert verschijnt als eerste de website van [eiseres] en als tweede zoekresultaat verschijnt de website van [gedaagde], te weten: [naam].

2.6.

De website van [eiseres] geeft op de beginpagina de mogelijkheid om door te klikken naar ”[eiseres] Agencies/Agenturen” en naar “[eiseres] projecten”. Indien men doorklikt op de tweede mogelijkheid en op die pagina drukt op de button “voorwoord” verschijnt de volgende tekst:

[eiseres] is een onafhankelijk opererend adviesbureau op het gebied vanwand- en vloertegels, natuurstenen, composieten en adviezen. Op verzoek van architecten, opdrachtgevers, projectontwikkelaars, aannemers en eindgebruikersproberen wij de juiste steenachtige wand of vloerbekleding te adviseren binnen de gewensteesthetica, budget of functie waarvoor men materialen zoekt.

Onze ruime kennis van en grote ervaring in de steenachtige wand- en vloerbekleding zullen garantstaan voor een uitstekend advies.

Als adviesbureau hopen wij met u tot een dialoog te komen. Een uitwisseling van gedachten over tegels en architectuur van [eiseres] in het algemeen en over uw wensen, visie en filosofie in het bijzonder. Een dialoog die uiteindelijk moet leiden tot advies op maat en uw keuze voor de juiste wand en vloertegel.

2.7.

De website van [gedaagde], [naam] bestaat uit een openingspagina met een foto van de buitenkant van het bedrijfspand en de adresgegevens. Verder is deze kennelijk (nog) niet verder uitgebouwd.

2.8.

[gedaagde] heeft thans voor zijn bedrijfsvoering naast de gehuurde showroom een bedrijfsbus aangeschaft waarop naast het woord “tegelhandel” de naam [naam] is aangebracht. Daarnaast heeft [gedaagde] zijn overige drukwerk/de huisstijl gereed. Zijn onderneming is onder de naam [naam] operationeel.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat -

I. [gedaagde] te veroordelen het gebruik van de handels- en domeinnaam “[naam]” terstond te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. [gedaagde] te veroordelen om de domeinnaam “[naam]” om niet aan [eiseres] over te dragen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. [gedaagde] te verbieden een handels- en of domeinnaam te gebruiken waarin het woord “[naam]” in voorkomt op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten ex artikel 1019h Rv .

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] – samengevat – het volgende ten grondslag:

3.2.1.

[gedaagde] maakt inbreuk op haar handelsnaam in de zin van artikel 5 van de Handelsnaamwet (Hnw). [eiseres] voert haar handelsnaam al tien jaar rechtmatig. Er is bij het relevante publiek verwarring tussen de ondernemingen van partijen te duchten als gevolg van het voeren door [gedaagde] van een handelsnaam welke slechts in geringe mate afwijkt van de handelsnaam van [eiseres]. Het meest kenmerkende en onderscheidende element in de beide handelsnamen is het woord “[naam]” en dat (identieke) woord komt in beide handelsnamen voor. Beide ondernemingen handelen in soortgelijke producten, waaronder in het bijzonder tegels. De klanten van partijen zullen een economische band en of juridische band tussen [eiseres] en “[naam]” veronderstellen, zodat [eiseres] terecht de bescherming van haar handelsnaam inroept.

3.2.2.

Voorts probeert [gedaagde] op ongeoorloofde wijze mee te profiteren van de bekendheid van de handelsnaam “[eiseres]”. Het meeliften van [gedaagde] op de reputatie van de handelsnaam van [eiseres] is onrechtmatig jegens [eiseres].

3.2.3.

[eiseres] heeft mede aan haar vordering ten grondslag gelegd dat op 22 april 2014 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] het gebruik van de handelsnaam zou staken. Daartoe heeft [eiseres] aangevoerd dat [gedaagde] op 22 april 2014 telefonisch heeft toegezegd (zoals door de advocaat van [eiseres] bij email van 22 april 2014, 16.48 uur aan [gedaagde] bevestigd) dat hij aan de sommatie zal voldoen indien [eiseres] de zaak doorzet. Ten onrechte heeft [gedaagde] in zijn verweerschrift gesteld dat hij niet zou hebben gezegd dat hij vrijwillig aan de sommatie zou voldoen.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd en gedocumenteerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van de gevorderde voorzieningen vloeit voort uit de gestelde inbreuk op het recht tot de handelsnaam van [eiseres].

4.2.

[gedaagde] heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat hij op 22 april 2014 aan de advocaat van [eiseres] heeft toegezegd dat hij aan de sommatie tot het staken van het gebruik van de handels- en domeinnaam [naam] zou voldoen. Volgens [gedaagde] zou hij aan de advocaat van [eiseres] slechts hebben aangegeven overal voor open te staan en graag een gesprek te willen om het meningsverschil onderling op te lossen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op deze betwisting, onvoldoende vast komen te staan dat [gedaagde] in het telefoongesprek met de advocaat van [eiseres] ondubbelzinnig en stellig heeft bedoeld aan te geven dat hij zonder meer aan de sommatie zou voldoen. De advocaat van [eiseres] is daarentegen ook stellig in zijn weergave van het gesprek. Voor de voorzieningenrechter is het een welles-nietes situatie, en het zal niet de eerste keer zijn dat mensen denken elkaar begrepen te hebben, terwijl dat niet het geval is. Ook ter zitting nog bleek dat [gedaagde] wel bereid was tot tegemoetkomingen aan [eiseres], maar tegelijkertijd ook zoekende was naar de grens van wat voor hem nog aanvaardbaar was.

4.3.

Daarbij komt dat uit de schriftelijke bevestiging door de advocaat van [eiseres] blijkt dat [gedaagde] zijn toezegging zou hebben gedaan “indien cliënte ([eiseres]) de zaak voortzet”, direct gevolgd door de mededeling dat [gedaagde] onverwijld in een kort geding zou worden betrokken als hij niet aan de sommatie zou voldoen. Ook [eiseres] hield blijkbaar nog met de mogelijkheid rekening dat de rechter eraan te pas zou moeten komen. Slechts enige uren later, nog op diezelfde 22 april 2014, heeft [gedaagde] per e-mail in heldere bewoordingen aan de advocaat van [eiseres] doen weten dat hij graag een uitspraak van de rechter wilde.

4.4.

Onder deze omstandigheden kan [gedaagde] bezwaarlijk aan zijn - door [eiseres] gestelde onder de doem van een dreigend kort geding gedane - toezegging worden gehouden en [gedaagde] het recht worden ontzegd om zijn geval inhoudelijk door de rechter te laten beoordelen. [gedaagde] heeft in het debat ook wel een paar punten naar voren gebracht die hout snijden.

4.5.

De eigenlijke kern van dit kort geding is de vraag of [gedaagde] met het voeren van de handelsnaam “[naam]” in strijd handelt met het in artikel 5 Hnw neergelegde verbod dan wel dat zijn handelen anderszins als onrechtmatig jegens [eiseres] is te beschouwen. Op grond van artikel 5 Hnw is het verboden een handelsnaam te voeren die gelijk is aan of slechts in geringe mate afwijkt van een handelsnaam die daarvoor reeds door een ander rechtmatig werd gevoerd, indien door dat gebruik bij het publiek verwarring tussen de desbetreffende ondernemingen is te duchten in verband met de aard van die ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn. Ook het gebruik van andermans handelsnaam als domeinnaam kan inbreuk op artikel 5 Hnw opleveren.

4.6.

Niet in geschil is dat [eiseres] haar handelsnaam [eiseres] reeds rechtmatig voerde op het moment dat [gedaagde] zijn handelsnaam [naam] is gaan gebruiken. Voorts is niet in geschil dat de handelsnamen niet identiek zijn: de in het oog springende afwijking is dat [eiseres] in haar handelsnaam tevens het klaarblijkelijk zelf bedachte onderdeel “[eiseres]” gebruikt. Het bleek desgevraagd een afkorting te zijn van NAtuursteen, TEgels en COmposiet.

4.7.

Het gemeenschappelijke bestanddeel van de handelsnamen van partijen is het samengestelde woord “[naam]”. Dit woord is in belangrijke mate beschrijvend van aard: het geeft immers aan dat het gaat om bedrijven die “advies” geven over tegels. Aan een handelsnaam komt naar mate deze een meer beschrijvend karakter heeft, weinig tot geen onderscheidend vermogen toe. Een dergelijke handelsnaam heeft daarom slechts een geringe beschermingswaarde, in die zin dat niet al te snel kan worden geoordeeld dat van verwarringsgevaar sprake is wanneer een andere onderneming een handelsnaam voert met gelijke beschrijvende bewoordingen, waarmee wordt voorkomen dat algemeen gangbare woorden worden gemonopoliseerd.

4.8.

[eiseres] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onderdeel van haar handelsnaam “[naam]”, ondanks het feit dat dit in belangrijke mate beschrijvend is, een voldoende onderscheidend vermogen heeft. In dat kader is van belang dat het onderscheidende karakter van de handelsnaam vooral gelegen is in het woord [eiseres]. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter juist deze naam die in de professionele branche waarin [eiseres] hoofdzakelijk actief is (zo blijkt immers uit haar website en uit het besprokene ter zitting) bepaalde associaties oproept.

4.9.

[eiseres] kan het gebruik van het woord “[naam]” niet monopoliseren, zodat het [gedaagde] in beginsel vrij staat om dat woord ook in zijn handelsnaam te voeren, mits daardoor geen gevaar voor verwarring te duchten is bij het publiek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal van gevaar voor verwarring nauwelijks sprake zijn. [eiseres] richt zich nagenoeg uitsluitend op de professionele markt in heel Nederland en haar “core-business” is in eerste instantie niet gericht op het leveren van tegels aan particulieren, terwijl [gedaagde] zich juist voornamelijk wil gaan richten op deze laatste doelgroep en dan met name in de omgeving van [woonplaats]. Voorzover het publiek van [gedaagde] ook uit professionele partijen zal gaan bestaan ([gedaagde] heeft inmiddels een agentuur van een Italiaanse producent Durstone) mag worden verondersteld dat zij minder snel in verwarring zullen raken en beter in staat zijn de ondernemingen te onderscheiden dan een niet-professioneel particulier publiek. Bij dit alles komt dat de onderneming van [eiseres] in Zaltbommel is gevestigd en een kleine 75 km is verwijderd van de showroom van [gedaagde] te [woonplaats]. Simpel gezegd: partijen heten verschillend, ze zitten ver uit elkaar en ze doen deels andere dingen.

4.10.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat onvoldoende aannemelijk is dat door het gebruik van de handelsnaam “[naam]” gevaar voor verwarring is te duchten in de zin van artikel 5 Hnw . Daarmee is tevens onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het in dat artikel neergelegde verbod.

4.11.

Dat het voeren van de handelsnaam “[naam]” door [gedaagde] desondanks jegens [eiseres] als een onrechtmatige daad moet worden aangemerkt is evenmin onvoldoende aannemelijk geworden. [eiseres] heeft in dat kader, anders dan het uiten van haar vermoeden dat [gedaagde] met zijn handelsnaam heeft willen meeliften op de goede naam van [eiseres], ook onvoldoende gesteld. Het onder I. gevorderde zal daarom worden afgewezen.

4.12.

Nu onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde] met het voeren van zijn handelsnaam “[naam]” onrechtmatig handelt jegens [eiseres], geldt dat ook voor het gebruik van de domeinnaam en e-mailadres met die extensie. Het staat [gedaagde] echter in beginsel vrij om in de domeinnaam en het e-mailadres zijn handelsnaam op te nemen. [gedaagde] is in januari 2014 zo alert geweest dat hij de domeinnaam die beschikbaar was heeft gekocht voor zijn startende bedrijf. Een verplichting om deze domeinnaam - en dat dan ook nog om niet - aan [eiseres] over te dragen is er niet. Dat alles leidt ertoe dat ook het onder II. en III. gevorderde zal worden afgewezen.

4.13.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de gemaakte kosten van [gedaagde] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 282,00 aan betaald griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 282,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature